Home

Op zo veel dakloze kinderen hadden hulporganisaties nooit gerekend: ‘Het systeem sluit niet meer aan op de doelgroep’

Onder dak- en thuislozen bevinden zich door de wooncrisis steeds meer ouders met kinderen. De hulpverlening is daar niet op ingericht. ‘De voorzieningen zijn ooit bedacht voor mensen met psychische problemen of verslavingen.’

is regioverslaggever van de Volkskrant in Amsterdam en omstreken.

Soms voelt Maria (30) zich ‘een psycho’. Dan staart ze naar de camerabeelden van de deurbel om te zien of de deurwaarder eraan komt. ‘Ik ben elke avond blij als het 6 uur is, dan weet ik zeker dat hij die dag niet meer komt’, zegt de alleenstaande moeder van drie jonge kinderen.

Maria zit op het kantoor van de Amsterdamse Straatalliantie, een organisatie die opkomt voor dak- en thuislozen. Ze wil niet met haar echte naam in de krant, uit angst dat ze er last mee krijgt. Wel wil ze vertellen wat het met je doet als je met kinderen op straat dreigt te belanden.

In haar hand klemt ze een verfrommeld zakdoekje, waarmee ze haar tranen wegveegt. ‘Ik ben op’, zegt ze. ‘Ik doe zo mijn best om alles goed te doen.’ Ze werkt, zorgt voor haar kinderen en betaalt elke maand haar huur van 1.700 euro aan de woningcorporatie. Toch is ze bang haar woning te verliezen.

‘Als ik een huurachterstand had of vervelend was, had ik het begrepen. Maar niemand heeft last van ons. Ik ga om kwart voor 8 de deur uit om mijn kinderen weg te brengen en te werken, en kom om half 7 terug’, zegt ze terwijl Lara Santos, sociaal-juridisch adviseur bij de Straatalliantie, troostend over haar arm wrijft.

Op de bank bij familie

Een verhaal als dat van Maria hoort Santos steeds vaker. ‘Vijf jaar geleden klopte hier een of twee keer per maand een ouder aan die dakloos was, of dat dreigde te worden.’ Inmiddels stappen er wekelijks ouders binnen, veelal alleenstaande moeders. ‘Door de wooncrisis, maar ook doordat het leven duurder is geworden, kunnen zij geen huis vinden.’

Hoeveel dak- en thuisloze ouders en kinderen er precies zijn, is lastig te zeggen. Uit woensdag gepubliceerde cijfers van het Kansfonds en de Hogeschool Utrecht blijkt dat 1.446 van de elfduizend dak- en thuisloze mensen in Amsterdam minderjarig zijn. Deze kinderen slapen bijvoorbeeld op de bank bij familie, in een auto of stacaravan of in een gezinsopvang. Maar, zeggen de onderzoekers: ‘Dat cijfer is de ondergrens. Waarschijnlijk gaat het in werkelijkheid om meer mensen.’ Lang niet iedereen is bij hulpinstanties in beeld. Het is bovendien een probleem dat niet alleen in Amsterdam speelt, maar ook elders.

Ook Santos hoort zulke verhalen. ‘Wij hebben hier ook casussen van mensen die bij familie mogen logeren, maar overdag weg moeten omdat hun kinderen te veel lawaai maken. Dan heb je wel een slaapplek, maar loop je de hele dag over straat. De kinderen kunnen geen huiswerk maken of vriendjes uitnodigen.’

Hoge drempel

Dat kan blijvende gevolgen hebben voor hun ontwikkeling en gezondheid, constateerde de Amsterdamse kinderombudsman Annemarie Tuzgöl-Broekhoven in een recent rapport. Hoewel Amsterdam in verhouding tot andere gemeenten veel doet om dakloze gezinnen te ondersteunen, wordt er nog altijd onvoldoende gekeken naar de belangen van het kind, stelde ze, en ligt de drempel om hulp te krijgen te hoog. ‘Want ook als de situatie is ontstaan door onhandige keuzes van de ouders verdienen deze kinderen hulp.’

Vaak gaat het om gezinnen die door een scheiding of een ander conflict thuisloos zijn geworden. In het geval van Maria is het een ander verhaal: ze woont in de huurwoning van haar oom, die haar vertelde dat hij dit goed met de woningcorporatie had geregeld. Maar al snel stond er iemand van de afdeling ‘huurfraude’ op de stoep.

‘Ik wil echt wel verhuizen’, zegt Maria. Elke dag kijkt ze op Woningnet. Ze reageert inmiddels niet alleen meer op woningen in Amsterdam, maar ook op huizen in Zaandijk, Uithoorn en Utrecht. ‘Maar ik kom nog niet in aanmerking.’ Het enige waar ze nu op hoopt, is coulance van de woningcorporatie en meer tijd om te zoeken. Anders, zegt ze schouderophalend, ‘weet ik het niet meer’.

Angst om kinderen kwijt te raken

Het lastige, merkt Santos, ‘is dat het systeem niet meer aansluit op de huidige doelgroep. De dakloosheidsvoorzieningen zijn ooit bedacht voor mensen die kampen met psychiatrische problemen of middelengebruik. Maar zij vormen nog maar een klein deel van deze groep.’

Voor gezinnen die ‘alleen een woonprobleem’ hebben, is er wel een noodopvang. Maar daarvoor gelden strikte toelatingseisen en is er een wachtlijst. Bovendien hoort Santos geregeld van cliënten dat tegen hen wordt gezegd: we kunnen je kind opvangen, maar jou niet. ‘Uit angst hun kind kwijt te raken, proberen de mensen het dan eerst zelf op te lossen. Ze verdwijnen van de radar en kloppen aan als het te laat is.’

Zo hopte een van Santos’ andere cliënten na een gewelddadige relatie een tijdje van de ene naar de andere logeerbank, samen met haar peuter. ‘Uiteindelijk zeiden haar vrienden: sorry, dit kan niet meer.’ Vervolgens probeerde de alleenstaande moeder een kamertje te huren. ‘Maar haar huisbaas wilde misbruik maken van haar kwetsbare positie.’ Al die tijd was ze bang haar kind kwijt te raken.

Ten slotte vroeg de vrouw de Straatalliantie om hulp. Een plek in de noodopvang leek aanvankelijk geen optie, omdat ze geen officieel adres meer had in Amsterdam. Toch lukte het de Straatalliantie haar geplaatst te krijgen. ‘Maar haar situatie was verergerd. Haar zoontje was zindelijk, nu niet meer. En door alle stress verloor ze haar baan. Daarom is het zo belangrijk om dakloosheid te voorkomen, maar het systeem is daar nu niet op ingericht.’

Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next