Home

Archeologen leggen de sporen bloot die dictatoriale regimes in Europa hebben achtergelaten

Archeologie Niet alleen de nazi’s hebben bruut geweld gepleegd in Europa. In Slovenië, Italië en Litouwen leggen archeologen sporen bloot.

Campo 65 in Zuid-Italië.

‘Archeologie van een massamoord…’ De titel van het recent gepubliceerde artikel van de Sloveense archeologen Uroš Košir en Luka Rozman bereidt de lezer van de European Journal of Archaeology meteen voor op de inhoud. In 2022 zijn in een grot in het zuidwesten van Slovenië de stoffelijke resten opgegraven van ruim 3.400 mannen die kort na de Tweede Wereldoorlog door het Joegoslavische leger zijn vermoord.

„Het is de grootste opgraving van een massagraf uit die periode in Slovenië”, zegt Košir, verbonden aan het opgravingsbedrijf Avgusta, in een videogesprek. Zijn onderzoek is een voorbeeld van de archeologie van massaal geweld in de twintigste eeuw.

Vier dagen vóór het gesprek met de Sloveense archeoloog zit ik te wachten tot de host me online zal toelaten tot een lezingensessie van het 31ste jaarlijkse congres van de European Association of Archaeologists (EAA). De titel van sessie nummer 20, waarin ook Košir een vijftien minuten durende lezing geeft, luidt ‘Materiële sporen van totalitaire en dictatoriale regimes in het verborgen verleden van de 20ste eeuw’.

Nazi-archeologie heeft de afgelopen jaren al de nodige publieke aandacht gekregen. Denk aan het archeologisch onderzoek in Kamp Westerbork en de opgravingen van de concentratie- en vernietigingskampen Treblinka en Sobibor. Ook tijdens de sessie op het EAA-congres zijn twee lezingen gewijd aan nazi-archeologie, de één over een project in Nedersaksen en de ander over onderzoek in Polen. Maar de andere lezingen laten zien dat meerdere regimes in de twintigste eeuw bruut geweld hebben gebruikt tegen hun ‘vijanden’ en ‘tegenstanders’. Košir staat op het programma om te spreken over hoe het Joegoslavische leger niet alleen Italiaanse fascisten, nazi’s, Servische Cetniks, Kroatische Ustaše en Sloveense collaborateurs heeft opgepakt, afgevoerd en vermoord, maar ook hoe het in een moeite door vele Slovenen heeft vermoord omdat ze als anticommunistisch werden beschouwd.

De andere geplande lezingen gaan onder meer over een begraafplaats van de Sovjet-geheime dienst op een landgoed in de Litouwse hoofdstad Vilnius, het Ustaše-concentratie- en dodenkamp Slana op het Kroatische eiland Pag, massagraven uit de Spaanse Burgeroorlog, de concentratiekampen uit de tijd van de Spaanse dictator Franco, en het grootste krijgsgevangenenkamp van Italië onder Mussolini.

„Dictatoriale regimes proberen vaak de sporen van het toegepaste geweld uit te wissen. Archeologie kan dat bij uitstek doorbreken”, zegt Martijn Eickhoff, directeur van het NIOD en bijzonder hoogleraar archeologie en erfgoed van oorlog en massaal geweld aan de Rijksuniversiteit Groningen, van te voren gevraagd naar het belang van het soort archeologisch onderzoek dat tijdens de sessie op het EAA-congres wordt gepresenteerd. „De anonimiteit van objecten is daarbij geen probleem, integendeel, het laat juist zien hoe mensen hun identiteit ontnomen werd”, voegt hij eraan toe.

Ongewild blijkt het 31ste EAA-congres een speciaal geval te zijn in de lange reeks, uitgerekend door geweld van een regime. Het was de bedoeling dat het congres in de Servische hoofdstad Belgrado zou worden gehouden, maar al in april van dit jaar had het bestuur van de EAA besloten om het hele congres online te houden. De reden is de met geweld gepaard gaande politieke en maatschappelijke onrust in Servië. Ook in de eerste week van september, waarin het congres plaatsvindt, treedt de Servische oproerpolitie hard op tegen studenten die in Belgrado protesteren om het aftreden van de Servische premier Vucic af te dwingen.

Intussen is het bijna negen uur en is de sessie nog steeds niet begonnen. Toch maar even een mailtje sturen naar de organisatie van de EAA met de vraag of er iets aan de hand is. Snel komt het antwoord: de archeologen die de sessie hebben georganiseerd hebben de hele sessie geannuleerd. Verdere uitleg ontbreekt.

Grootste krijgsgevangenenkamp

Een rondvraag per e-mail bij enkele van de archeologen die een lezing zouden houden maakt duidelijk dat de annulering heel symbolisch ook te maken heeft met geweld dat in de ogen van velen genocidale trekken heeft gekregen: het geweld van Israël in Gaza.

Ruim vóór het congres had het bestuur van de EAA vanwege dat geweld besloten dat archeologen verbonden aan Israëlische instituten alleen op persoonlijke titel zouden mogen spreken, net zoals Russische en Wit-Russische archeologen dat moeten doen sinds de inval in Oekraïne. Op het laatste moment en na druk van buitenaf heeft het bestuur die beslissing weer teruggedraaid. Daarop kwamen er oproepen om het congres te boycotten. Aan die oproep hebben in elk geval de Poolse, Spaanse en Britse archeoloog die deze sessie hebben georganiseerd gehoor gegeven.

Košir is een van drie onderzoekers die desgevraagd in afzonderlijke videogesprekken willen vertellen over het onderzoek waarover ze tijdens de sessie hadden willen spreken. De andere twee zijn Giuliano De Felice, die het grootste Italiaanse krijgsgevangenenkamp uit de Tweede Wereldoorlog onderzoekt, en de Litouwse bioarcheoloog Jovita Kadikinaite, die haar promotieonderzoek besteedt aan de analyse van de botten van geëxecuteerden die tussen 1944 en 1947 op een landgoed in de hoofdstad Vilnius zijn begraven door de geheime dienst van de Sovjet-Unie.

De grot in Slovenië waar vele mensen zijn vermoord. Foto Luka Rozman

Resten van mensen die levend in de Sloveense grot vielen en daarna zijn gestorven. Foto Luka Rozman

Jama pod Macesnovo gorico, de grot onder Macesnova gorica, heet de plek die een team van archeologen, onder wie Košir, in 2022 heeft opgegraven. De grot, die bij de ingang metersdiep steil naar beneden gaat, ligt in Kocevski Rog, een groot en bosrijk karstplateau. Hier waren al eerder vier andere plekken gevonden waar het Joegoslavische volksleger na afloop van de Tweede Wereldoorlog op grote schaal mensen had gedood. „In heel Slovenië zijn tot nu toe ruim 700 moordplekken uit de Tweede Wereldoorlog en de periode kort erna bekend”, weet Košir. „Naar schatting 14.000 Slovenen en 80.000 Kroaten, Serviërs, Duitsers, Italianen en Montenegrijnen zijn omgebracht.” Hun lijken werden verborgen in dichtgegooide tankgrachten, diepe karstspleten, verlaten mijnen en grotten.

Door getuigen die de moordpartij bij de grot in Kocevski Rog hebben overleefd was al bekend dat de gedode mannen afkomstig waren uit een gevangenenkamp bij Ljubljana en dat ze gedurende enkele dagen in vrachtwagens waren aangevoerd. Metaaldetectie maakte duidelijk hoe ze vanaf een weg lopend door het bos naar een open plek zijn gebracht waar ze zich helemaal moesten uitkleden. „We vonden daar niet alleen resten van verbrande kleding maar ook ijzerdraad waarmee de handen van de gevangenen was vastgebonden. Ook lagen hier persoonlijke bezittingen, zoals kruisjes en trouwringen.”

Op basis van de persoonlijke bezittingen gaat Košir ervan uit dat het merendeel van de gevangenen Sloveens was. „Maar we hebben ook de identificatieplaatjes van zeven Duitse soldaten gevonden en enkele knopen met daarop de inscriptie NDH: Nezavisna Drzava Hrvatska, Onafhankelijke Staat Kroatië.”

Vergelijkbare vondsten aan de rand van de metersdiepe grot maakten duidelijk dat ook hier gevangenen zich moesten uitkleden en hun persoonlijke bezittingen moesten afstaan. Vervolgens werden ze aan die rand neergeschoten. Dat gebeurde met pistolen en automatische wapens, blijkt uit de teruggevonden munitie. „In de grot zelf troffen we granaatscherven en onontplofte granaten aan als bewijs van de verhalen van getuigen dat de Joegoslavische soldaten na een schietpartij granaten in de grot gooiden om eventuele overlevenden te doden.”

Voordat de opgraving in de grot kon beginnen moest eerst met een graafmachine een enorme hoeveelheid stenen en rotsen die de ingang van de grot blokkeerden verwijderd worden. „Na de moordpartij hebben de daders de ingang opgeblazen. Hiervan getuigen onder meer ontstekingen. Tot in de jaren zestig ging dat opblazen rond de grot door om de misdaad te verbergen.”

De entree van Campo 65 in Italië.

Van verbergen was bij Campo 65 geen sprake. Het niet minder dan 30 hectare grote krijgsgevangenenkamp lag op een vlakte tussen Altamura en Gravina in de Zuid-Italiaanse regio Apulië. Tot in 1988 was alles nog vrijwel intact. Daarna is vanwege de aanleg van een weg bijna alles tegen de grond gegaan. „Een handjevol gebouwen staat nog overeind”, vertelt Giuliano De Felice, die archeologie van de moderne tijd doceert aan de Universiteit van Bari Aldo Moro. Sinds 2021 doet hij archeologisch onderzoek in het vroegere krijgsgevangenenkamp.

Uit historische bronnen is bekend dat Campo 65, in de lente van 1942 in gebruik genomen, 12.000 krijgsgevangenen had moeten herbergen, verdeeld over zes sectoren. Het kamp is echter maar voor een deel voltooid, want Italië capituleerde al ruim een jaar na de ingebruikname, op 8 september 1943. Begin 1943 telde het kamp ruim 8.800 krijgsgevangenen, voornamelijk militairen uit het Britse Gemenebest die in Noord-Afrika gevangen genomen waren, in overvolle barakken. Naoorlogse getuigenissen van voormalige gevangenen spreken van een hel op aarde. Er was nauwelijks eten, de hygiëne was zeer slecht en de Italianen boden aan de vele zieken nauwelijks medische hulp.

De Felice heeft in het krijgsgevangenenkamp vier keukens opgegraven die elk minstens tweeduizend gevangenen eten moesten geven. „We hebben nauwelijks houtskool en vuursporen gevonden. De keukens zijn dus amper gebruikt.” Het bevestigt wat al bekend was uit de bronnen. Maar het laat volgens De Felice ook nog iets anders zien: „Italië onder Mussolini was gewoon niet op de oorlog voorbereid. Dat gold niet alleen voor de uitrusting van het leger, maar dus ook voor hoe krijgsgevangenen volgens de Conventie van Genève behandeld moesten worden.”

Bij Tuskulenai, een 19de-eeuws landhuis in neoklassieke stijl met tuin in de Litouwse hoofdstad Vilnius, was juist weer wel sprake van verbergen, vertelt bioarcheologe Jovita Kadikinaite van de Vilnius Universiteit. Na de invasie en bezetting van Litouwen in 1944 door de Sovjet-Unie werd het landhuis genationaliseerd. In de tuin werden de lichamen begraven van Litouwse collaborateurs met de nazi’s en verzetsstrijders tegen de Sovjetbezetting, nadat ze elders in Vilnius geëxecuteerd waren in de gevangenis van de NKGB, de toenmalige geheime dienst van de Sovjet-Unie. „Indertijd wist niemand wat er achter de muren van de tuin gebeurde”, zegt Kadikinaite. Dat werd pas duidelijk nadat Litouwen zich in 1990 onafhankelijk van de Sovjet-Unie had verklaard. Opgravingen in 1994, 1996 en 2003 hebben duidelijk gemaakt dat in de tuin 45 massagraven lagen. „Uit door de Sovjets achtergelaten archieven blijkt dat hier 778 personen zijn geëxecuteerd. Tot nu toe zijn de stoffelijke resten van 724 mensen gevonden. Daarvan zijn er pas 66 geïdentificeerd.”

Vermoorde mensen in Litouwen.

Aan de hand van forensisch antropologisch onderzoek probeert ze vast te stellen hoe de executies zijn verlopen. Ze kan nu al zeggen dat veel doden niet volgens protocol met één schot in het achterhoofdsbeen zijn geëxecuteerd. „Velen zijn eerst mishandeld, geslagen en gestoken.”

Met haar onderzoek hoopt Kadikinaite ook bij te dragen aan nieuwe identificaties. „Zodat nabestaanden eindelijk weten wat er met hun familieleden is gebeurd en er een einde komt aan hun onzekerheid.” Verder is het de bedoeling dat haar onderzoek licht werpt op de daden van de beulen. „En daarmee inzicht in de misdaden tegen de menselijkheid begaan in de Sovjet-tijd.”

Alle drie archeologen zijn het onafhankelijk van elkaar erover eens: de archeologie van massaal geweld door dictatoriale en totalitaire regimes heeft in hun landen ook politieke en maatschappelijke betekenis.

Tweespalt in Slovenië

Toen Slovenië nog onderdeel was van Joegoslavië mochten nabestaanden de plekken niet bezoeken waar ze vermoedden dat familieleden waren gedood. Pas in 2005, veertien jaar na de onafhankelijkheid, werd een commissie ingesteld om onderzoek te doen naar de verborgen massagraven. Dat gebeurde onder de eerste regering van de nationalistische christen-democraat Janez Janša. In de loop der jaren is in Slovenië tweespalt ontstaan over de vraag wie nu de echte Slovenen waren: de partizanen, die Slovenië van de nazi’s en de fascistische Italianen hebben bevrijd, of de anticommunistische domobranci, die de nazi’s en Italianen steunden. Košir maakt het niet uit of hij partizanen, domobranci, Duitsers of Italianen moet opgraven. „Het is allemaal geschiedenis, dus interessant. En te zijn ook allemaal mensen, ongeacht hun overtuigingen.”

In het Zuid-Italiaanse Campo 65 komen tegenwoordig schoolkinderen op bezoek, vertelt De Felice. Voor ze komen denken ze dat Campo 65 een vernietigingskamp was. „Ze vragen altijd waar de gaskamers waren.”

De oudere lokale bevolking herinnert zich het kamp vooral als vluchtelingenkamp. „Direct na de Tweede Wereldoorlog werden hier vluchtelingen uit vooral Istrië, Dalmatië, Fiume [in Kroatië] en Noord-Afrika ondergebracht. Tot 1962. Maar na de capitulatie van Italië is het ook een trainingskamp voor de Joegoslavische partizanen van Tito geweest.” Sinds 2023 hangt op een van de pilaren bij de ingang een plaquette van een lokale rechtse vereniging die alleen vermeldt dat hier uit communistisch Joegoslavië gevluchte Italianen gehuisvest waren. „Zelf spreek ik altijd van het grootste krijgsgevangenenkamp van fascistisch Italië.”

In Litouwen is het landhuis Tuskulenai inmiddels onderdeel geworden van een officiële herdenkingsplek, die volgens de website van de plek getuigt van ‘de gewelddadigheid en wreedheid van de Sovjetindringers’. De grote Russische minderheid in het land weet volgens Kadikinaite weinig van het onderzoek rond Tuskulenai. „Op hun Russische media komt het niet aan bod. Een enkeling plaatst op Litouwse websites wel eens de opmerking dat de geëxecuteerden allemaal Holocaustmoordenaars waren, maar Litouwers verwijderen die snel.”

Het archeologisch onderzoek bij Tuskulenai en andere plekken waar de Sovjets Litouwers hebben gedood geven volgens haar vooral de Litouwers een goed gevoel: „Hierdoor weten ze dat als je voor ons land sterft we je niet zullen vergeten.”

Martijn Eickhoff verbaast zich niet over de spanningen die deze vorm van archeologie kan opleveren. „De materiele overblijfselen zetten de vraag op scherp welk verleden we opzoeken, wie de eigenaar is van dat verleden, en hoe we ons daartoe verhouden. Bijna zonder uitzondering leidt dit tot conflicten tussen verschillende maatschappelijke en politieke betrokkenen. De archeologie van massaal geweld is in essentie niet alleen een vorm van kritisch engagement met het verleden, maar ook met de fysieke plek zelf – in het heden en de toekomst.”

Menselijke resten in Vilnius.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next