Mentale (volks)gezondheid wordt al in talloze zichtbare en minder zichtbare samenwerkingsverbanden opgepakt. Wat nog ontbreekt, is de samenhang hierin en de kracht om daadwerkelijk van intentie naar actie over te gaan.
Het recente rapport Op de rem – voorbij de hypernerveuze samenleving van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving raakte een gevoelige snaar. Veel mensen herkenden zich in de oproep tot onthaasting en minder stress. Maar juist nu dat sentiment breed wordt gedeeld, moeten we verder: van herkenning naar richting. Niet alleen de vraag waarom we moeten afremmen, maar vooral hoe dat voor iedereen haalbaar wordt.
Oftewel, het brede herkenningspunt is waardevol, omdat mentale gezondheid zeer terecht wordt gezien als een collectief vraagstuk. Maar juist nu moeten we verder gaan dan het benoemen van sentiment. De vraag is: wat gaan we doen? Of nog beter, wat doen we eigenlijk al wat goed is?
Over de auteurs
Hilgo Bruining is kinder- en jeugdpsychiater en hoogleraar ontwikkelingsstoornissen bij het Amsterdam UMC. Christiaan Vinkers is psychiater en hoogleraar Stress en Veerkracht bij het Amsterdam UMC.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Mentale (volks)gezondheid wordt namelijk al in talloze zichtbare en minder zichtbare samenwerkingsverbanden opgepakt: van scholen en werkgevers tot gemeenten, kennisinstellingen en burgerinitiatieven. In die onderstroom ligt de kiem van een nieuw gemeenschappelijk handelingsperspectief. Wat nog ontbreekt, is de samenhang hierin en de kracht om van intentie naar actie over te gaan.
Niet iedereen kán immers ‘op de rem’ trappen. Voor veel mensen geldt dat werk, schulden of zorgtaken dat onmogelijk maken. Voor anderen is juist de druk van stilstand – onzekerheid, baanverlies, verlies van structuur – ontwrichtend.
Er gebeurt al veel waaruit blijkt dat verandering mogelijk is. In steeds meer gemeenten worden programma’s ontwikkeld waarin mentale gezondheid net zo vanzelfsprekend wordt meegenomen als de lichamelijke gezondheid, onder meer in samenwerking met stichting Mind Us. Ook in de zorg en wetenschap groeit het besef dat mentale veerkracht niet begint bij therapie, maar bij leefomgeving en zingeving.
In landelijke onderzoeksprogramma’s zoals Destress werken kennisinstellingen en bedrijven samen om stress en herstel integraal te begrijpen, niet alleen vanuit de vraag wat misgaat, maar ook wat mensen juist weerbaarder maakt. Daarnaast wordt gewerkt aan manieren om burgers, en vooral jongeren, weer de regie te geven over hun zorginformatie, zodat versnippering en onnodige herhaling worden voorkomen.
Zulke initiatieven laten zien dat het niet ontbreekt aan goede wil of ideeën, maar aan samenhang, richting en politieke durf om ze breed te verankeren. Daarin had dit rapport nadrukkelijker stelling kunnen en misschien wel móeten nemen, zeker nu de verkiezingen er aan komen.
Rust is daarbij net als mentale gezondheid geen individuele keuze, maar een collectieve prestatie. Pas als de omstandigheden dat toelaten, kan onthaasting echt beginnen. De verbinding en collectieve insteek waar velen naar snakken, ontstaan pas als we erkennen waarom ze telkens uitblijven.
De spanning tussen individuele vrijheid en gedeelde verantwoordelijkheid is oud, maar springlevend. Het is een goed teken dat we dat dilemma een stem geven. Er zijn immers reële en urgente redenen om ons zorgen te maken. De cijfers laten zien dat de mentale gezondheid van jongeren verder verslechtert: het welbevinden daalde, 15 procent dacht recent aan zelfdoding en bijna de helft voelt zich vaak gestrest of eenzaam. De stress die velen ervaren is geen individueel tekort, maar een teken van een samenleving die haar eigen draagkracht overschrijdt.
Niet alleen de economie, ook het onderwijs en de zorg zijn gaan functioneren volgens groeilogica’s die nauwelijks ruimte laten voor herstel, reflectie of rust. Het is weinig vruchtbaar om individualisering en ‘de zorg’ als tegenpolen te zien, alsof de een wint wat de ander verliest. In werkelijkheid groeit juist het besef van de noodzaak tot publieke waarden en gezamenlijke verantwoordelijkheid. Een metafoor van de rem op stress kan deze ambitie en urgentie wellicht ook beperken.
Het RVS-rapport benoemt terecht de maatschappelijke onrust, maar geeft te weinig richting of analyse aan dit veranderde bewustzijn. Dit is hét moment om al bestaande energie en projecten te benutten om zoveel mogelijk mensen draagkracht voor die rem te geven. Hierdoor kunnen publieke waarden zich vertalen naar werkplekken, scholen, buurten en digitale zorginnovaties.
Mentale gezondheid vraagt niet zozeer om minder snelheid, maar vooral om meer draagkracht om het tempo te kiezen dat past bij mens en planeet. Alleen dan kan de roep om verandering uitmonden in een duurzame samenleving die meer verbonden en krachtiger is om gezamenlijke uitdagingen aan te gaan.
Dat de samenleving onder druk staat, weten we inmiddels wel. Het gaat er nu om hoe we die druk omzetten in richting en draagkracht, en om ons verlangen naar meer balans te vertalen in beleid, werk en onderwijs. Niet een samenleving die op de noodrem trapt, maar één die zelf kan schakelen en sturen. Mentale veerkracht ontstaat immers niet in een vacuüm.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant