Home

Acda en de Munnik en de nostalgie naar de jaren negentig. Waarom verlangen we terug naar die tijd?

Nostalgie Muziekduo Acda en de Munnik staat deze week vier avonden op rij in de Ziggo Dome. Hun succes past in de nostalgie naar de jaren negentig, hun begintijd. Waarom is juist het geluid van toen nu zo in trek?

Op een vrijdagmiddag in het Vondelpark realiseerde Herman (30) zich dat hij een kutjaar had gehad. Herman had alles: vrouw, kind, huis, auto, baan. Zó’n baan. En toch, hij was het zat. Hij had het ooit toch helemaal anders gewild? Hij voelde zichzelf een lafaard. Is dit het nou? Hij zou toch feesten, zuipen, reizen? Maar als het vuur eenmaal gedoofd is, ja, dan komen de wolven.

Toen Herman zijn tas ver de vijver van het Vondelpark in zwaaide, was ik anderhalf jaar oud. Ik heb weinig herinneringen aan de late jaren negentig, maar de vroege muziek van Acda en de Munnik werpt mij ver terug naar die tijd. Wat Marcel Proust had bij een zompig Madeleinekoekje, heb ik bij de gezapige mondharmonica van Thomas Acda en de kleinkunstpiano van Paul de Munnik. Bij de eerste tonen van ‘Het Regent Zonnestralen’ voel ik heimwee naar de man die het tot gisteren nooit won, zoals het duo het leven van Herman bezingt. De man die voelde dat het leven te vroeg was bepaald, en daar zo van baalde dat-ie ervandoor ging.

Heerlijk, die simpele problemen van toen. De jaren negentig, een tijd waarin je de cd’s nog moest verdelen als je uit elkaar ging, en gewoon kon verdwijnen zonder dat je te traceren was. Dat je maar ging lopen tot de zon komt, zonder telefoon die de weg wijst of ongevraagd foto’s van je ex voorschotelt. Een tijd waarin je ergens op een terras in Frankrijk in de zon, in ’t AD kon lezen dat je niet meer in leven was. En dan denkt: tja, als dit het is, is dit het. En we zullen het wel zien.

Door het levensverhaal van Herman, die tot 2023 nog drie keer terugkeert, weergalmt een onrustige nostalgie: een verlangen naar simpeler tijden dat tegenwoordig maatschappijbreed gevoeld lijkt te worden. Nostalgie naar de jaren negentig, meer specifiek, door Acda en de Munnik bezongen in herkenbare, theatrale verhalen. Deze week staan ze maar liefst vier avonden op rij in de Ziggo Dome, nadat ze er vorig jaar al zes keer hadden gestaan. Het duo speelt een hoofdrol in kijkcijferhit Beste Zangers en maakt weer nieuwe muziek (die klinkt als hun oude muziek). Maar waarom is juist het geluid van de jaren negentig zo in trek?

Het kan niet op

In 2022 verklaarde rapper Vanilla Ice zijn liefde aan de jaren negentig in een interview met The New York Times: „The ’90s are infectious. The decade was so colorful with neon colors. Nothing was that serious. It was, ‘Let’s enjoy life, let’s make friends.’ [...] The ’90s was the last of the great decades, because after that, computers killed the world.”

Illustratie Gijs Kast

De hoeveelheid zogeheten ‘throwbacks’ op sociale media naar culturele uitingen uit de jaren negentig is niet bij te houden: van YouTuber Logan Paul die zeldzame Pokémonkaarten spaart tot de revival van trancemuziek en de populariteit van series als Friends, The Sopranos of The Fresh Prince. De jaren negentig zijn eigenlijk niet of al die jaren nooit weggeweest. Ook omdat het een tijd was van nieuwe dingen, van veel ‘firsts’: van Nederlandse soaps (GTST), van reality televisie (Big Brother), van herkenbare subculturen als punk, gothic en gabber – cultuur waar we drie decennia later nog steeds op teren. Eigenlijk zijn de nineties niet of nooit weggeweest. Volgens Vanilla Ice hebben we in de tussentijd namelijk niets van popculturele waarde meer toegevoegd: „You have to realize that in 2004, the iPhone came out, right? What’s happened in pop culture since 2004 to ’21? Nothing!” tierde hij recentelijk tegen platform TMZ.

Niet alleen op cultureel vlak was het een positief decennium voor het Westen, ook politiek-economisch ging het in de jaren negentig relatief goed. Er heerste optimisme: de twintigste eeuw, die donkere eeuw van wereldoorlogen, was bijna ten einde, de ideologieënstrijd tussen het liberalisme en het communisme werd beslist in het voordeel van de democratie en er was sprake van brede economische groei. Op Oudejaarsdag van 1999 kopte De Telegraaf: ‘HET KAN NIET OP TIJDENS HET MILLENNIUM: Champagne gaat niet per fles, maar per doos over de toonbank’.

De aanslagen van 11 september waren nog niet geweest, Pim Fortuyn en Theo van Gogh nog niet vermoord, de bankencrisis nog ver weg. Het paarse neoliberalisme van de derde weg leek een goed idee; het internet zou ons verbinden, de wereld zou helen. De jaren negentig beloofden een toekomst van vrijheid en vooruitgang. Dat dat ten koste zou gaan van de planeet en elkaar, wilden we toen nog niet zien. Natuurlijk waren die jaren niet écht zorgeloos: oorlogen in de Golfstaten, Joegoslavië, Rwanda, crises, de opkomst van de hatelijke politiek van types als Janmaat en het neoliberalisme dat publieke voorzieningen begon uit te kleden. Maar het gevoel van de tijd was optimistisch: het kan niet op.

In 1998 kreeg Herman er last van, van al die vrijheid: doordat zijn auto hier vlakbij uit de bocht was gevlogen, zonder hem, zonder Herman, had hij opeens veel meer vrijheid dan hem lief was. En ja, nou wist-ie het niet meer. Hij vertrok. Het mocht niet baten: elf jaar later, in 2009, ten tijde van de kredietcrisis, vond Herman zichzelf op het nummer ‘Voicemail’ ineens terug op een spoor midden in een weiland, staand op de rails, waar volgens het schema de trein van Amsterdam naar Hoorn om tien voor twaalf overheen zou razen. Achteraf bezien was dat bankje in het Vondelpark in ’97 zo gek nog niet. Zou Herman er wel eens naar hebben terugverlangd?

Nostalgie

Nostalgie is een relatief jong begrip, zoals filosoof Joke Hermsen in haar boek Onder een andere hemel (2023) laat zien. De Zwitserse arts Johannes Hofer in 1688 merkte dat steeds meer van zijn patiënten, met name soldaten die ver van huis vochten, leden aan heimwee. Om hun klachten (slapeloosheid, neerslachtigheid, verlies van levenslust) met enig wetenschappelijk gewicht te kunnen diagnosticeren als een aandoening, bedacht hij het woord nostalgie: een samenstelling van het Oudgriekse nostos (terugkeer, thuiskomst) en algos (lijden, rouw).

Nostalgie is dus zoiets als heimwee hebben naar een tijd waarin het fijner was, die warmer aanvoelde, en gastvrijer was. Een tijd waarin we ons meer onszelf voelden, waarin we meer thuis waren en meer verbonden met anderen. Een bittersweet gevoel, dat goed is voor het humeur en blijkt te helpen tegen existentiële angsten. We zijn dan ook vatbaarder voor nostalgische buien als we ons niet goed voelen, in onrustige, stressvolle periodes, bijvoorbeeld van grote maatschappelijke veranderingen. Het is bovendien een vaak onbewuste reactie op zintuiglijke ervaringen: zien, proeven, ruiken, horen, spreken. Een „mémoire involontaire”, zoals Marcel Proust de herinnering noemde die het Madeleinekoekje in zijn romanreeks Op zoek naar de verloren tijd bij hem opriep.

Volgens de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche in De Geboorte van de Tragedie, is muziek de meest pure kunstvorm omdat ze niets afbeeldt of medieert, maar direct tot de levenskracht zelf spreekt, tot het dionysische in ons. Muziek ligt dan ook ontzettend diep in het geheugen verankerd. In de documentaire Het Muziekmedicijn (2025) blijkt dat ouderen met vergevorderde dementie, die hun kinderen niet meer herkennen en hun spraakvermogen bijna kwijt zijn, vaak wel nog liedjes uit hun jeugd kunnen meezingen. Ook ik kan liedjes van Acda en de Munnik als ‘Drie keer vallen’ en ‘Lopen tot de zon komt’ meezingen, terwijl ik die nooit bewust geluisterd heb.

In 1941 dichtte T.S. Elliot in Four Quartets dat wij muziek zíj́n, in zekere zin: Or music heard so deeply / That it is not heard at all, but you are the music / While the music lasts. Muziek activeert een heel netwerk in de hersenen: de beloningscentra (dopamine), de mediale prefrontale cortex (autobiografisch geheugen) en zelfs de visuele cortex. We zien als het ware het verleden dat we horen. Het luisteren naar muziek is dus minstens net zo’n goede drager van onvrijwillige herinneringen, van nostalgie, als het ruiken van een bepaalde geur of het proeven van een smaak.

De hypernerveuze samenleving

In haar boek haalt Joke Hermsen het werk van Salman Rushdie aan. In Imaginary Homelands (1991) oppert die dat het verleden „een land [is] waaruit we allemaal zijn geëmigreerd”, en dus is het besef van die verloren tijd iets wat ons met elkaar bindt, het vormt onze „gemeenschappelijke menselijkheid”. De mentale volksgezondheid van Nederland in 2025 staat onder druk, zo viel te lezen in een recent advies van De Raad voor Volksgezondheid & Samenleving. We leven in een „hypernerveuze samenleving” die gedreven wordt door versnelling en prestatiedruk. Het individualisme is „doorgeschoten”, en bedreigt ons welzijn.

De Raad lijkt zich in dit advies te baseren op het werk van de Duitse socioloog Hartmut Rosa (1968), die de situatie waarin veel westerse maatschappijen zich begeven karakteriseert als een „razende stilstand”. Technologie zou ons tijd opleveren, maar heeft ons leven juist in een stroomversnelling gebracht. Door de uitvinding van e-mail zouden we geen brieven meer hoeven schrijven, in plaats daarvan gingen we wereldwijd 347 miljard mails per dag rondsturen. Tegelijkertijd zullen weinig mensen stellen dat e-mail het leven meer diepgang of waarde heeft gegeven.

Daarin staan we dus stil. In deze razende stilstand zijn we steeds minder ‘aansprekelijk’ geworden, omdat we „rennen, Lenny, rennen, om stil te kunnen blijven staan”, zoals Acda en de Munnik zingen. We raken van elkaar verwijderd, omdat we ons tijdens het rennen steeds minder gehoord voelen en steeds minder goed naar anderen kunnen luisteren. „Ruzie soms om niets soms om van alles, zegt de een ja dan zegt de ander nee en andersom.”

In een hypernerveuze samenleving is het niet gek om terug te verlangen naar een tijd waarin we meer aansprekelijk waren, toen we met miljoenen tegelijk naar dezelfde televisieprogramma’s keken, massaal dezelfde muziek luisterden, boeken lazen en films zagen. Door de komst van streamingdiensten, gepersonaliseerde algoritmes en socialemediaplatforms is de publieke culturele ruimte in niches uiteengerafeld. Een gedeeld referentiekader, een brede ‘popcultuur’ (als in, populair, volks) bestaat nauwelijks nog. Wat we als samenleving in de beloftevolle jaren negentig droomden, weet de helft van ons niet meer.

Op die droom richt onze nostalgie zich, zou de Britse cultuurfilosoof Mark Fisher (1968-2017) zeggen. Door het postmodernisme zijn we wantrouwig geworden tegenover grote verhalen en universele idealen, en daardoor het vermogen kwijtgeraakt om collectieve toekomstbeelden te scheppen. Daarom verkoopt nostalgie zo goed: we verlangen niet naar een betere tijd, maar naar een tijd waarin het nog leek alsof de wereld richting beter bewoog. Naar dat gevoel van de jaren negentig, het laatste analoge tijdperk, waarin vooral de geneugten van technologische vooruitgang te zien waren, nog niet de nervositeit die ze zou veroorzaken. Toen de blues nog te gek was, omdat het stiekem allemaal niet op kon.

Inmiddels weten we dat het wel op kon. Helemaal op. En dus keert ook Herman van Acda en de Munnik na bijna drie decennia terug naar het Vondelpark, de plek waar het allemaal begon. Op AedM (2023) heeft hij zijn depressies overleefd en staat tot aan zijn middel in de vijver. Hij zoekt zijn tas, wil terug naar toen. Hij komt van her en is nog maar de helft van wat-ie was. „Jij was erbij”, roept hij. „Ik was het niet”, klinkt het, „ik schreef alleen het lied. Maar al wat ik verzon, is wat ik zelf ook niet kon.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next