In Vuistslagen beschrijft Rasit Elibol (1984) hoe hij heeft moeten vechten om een plek in de Nederlandse samenleving te bemachtigen, en hoe die strijd blijvende littekens achterliet. Welke omstandigheden lagen ten grondslag aan zijn debuut?
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
Schrijver en journalist Rasit Elibol werkt al een aantal jaar voor De Groene Amsterdammer als hij op een dag in 2020 op zijn werk in Amsterdam arriveert en een vrouw van de administratie hem discreet apart neemt. De Belastingdienst heeft beslag gelegd op zijn loon, fluistert ze. Daar, staand in het grachtenpand waar de redactie van het intellectuele progressieve weekblad zetelt – waarvan hij nu ziet dat het mooi karakteristiek is, terwijl hij vroeger zou denken: wat een oude meuk – voelt het alsof de bodem onder zijn voeten verdwijnt.
Het blijkt een vergissing – onterechte aanmaningen en incassobrieven die zich opstapelden op een oud adres – die direct wordt teruggedraaid. Maar de paniek verlaat Elibol niet. Het is einde verhaal, denkt hij. Ik ben weer terug bij af, terug naar het kind dat met een paar stuivers in zijn hand over de galerij naar de buren liep. ‘Mag ik bellen? Onze telefoon is weer afgesloten.’
Wie opgroeit in armoede, kan dit nooit geheel afschudden, ook als diegene inmiddels bovenmodaal verdient en een koopwoning bezit, zoals in het geval van Elibol. Zoals bij ander trauma nestelt de ervaring van angst, onzekerheid en schaamte zich in lichaam en brein. Of zoals Elibol schrijft in zijn recent verschenen debuut Vuistslagen – Over opklimmen en invechten: ‘De geldzorgen verdwenen nooit helemaal, of beter gezegd: de zorgen om geld. Wel weg uit de statistieken, maar nooit helemaal mentaal.’
Ook het behouden van je werk als journalist en schrijver voelt allesbehalve vanzelfsprekend, schrijf je.
‘Ik werk al acht jaar bij De Groene, toch voelt het nog steeds alsof ik er tijdelijk ben. Bij elk stuk dat ik inlever, denk ik: dit gaan ze echt kut vinden.
‘Wat niet helpt: ik word best voor veel dingen gevraagd, meer dan andere collega’s, voor besturen, commissies. Stadsdichter van Zaandam bijvoorbeeld – en ik heb letterlijk nog nooit een gedicht geschreven. Spoken word mag ook, mailden ze toen. Dan is het toch niet raar dat ik het wantrouw? Dat ik denk: willen ze mij, of hebben ze nog een allochtoon nodig?’
Denk je dan soms aan de vriend die zegt: ‘Maar bro, ze vragen toch ook niet Ahmed van de avondwinkel?’
‘Haha, soms. Bij De Groene denk ik niet meer: ze gaan me meteen ontslaan.’
Zoals hij daar zit, op een zandkleurige bank in de ruime, zonnige huiskamer van zijn gezinswoning in Zaandam met een wandvullende boekenkast als omlijsting, oogt Elibol als de gearriveerde journalist die hij (ook) is.
Maar de bedachtzaam formulerende man op die bank is zoveel meer, blijkt uit Vuistslagen. Hij is ook de jongen die opgroeide in armoede, meermaals van school werd gestuurd en nooit een opleiding afmaakte, die kampte met verslaving (‘heel veel blowen, echt heel erg veel’) en geweld (woedeaanvallen, gaten in vrijwel alle deuren van het huis), worstelend met uitsluiting en racisme.
Dat zijn verhaal over de met obstakels bezaaide route naar zijn huidige plek in de maatschappij verteld móést worden, spat van de pagina’s. De ondertitel van het boek, dat is opgedragen aan zijn ouders, Metin en Senem, verwijst naar het gevecht dat mensen met een migratieachtergrond moeten leveren om een plek in de Nederlandse samenleving te bemachtigen en naar datgene wat sociale mobiliteit naast al het andere ook is: een strijd die blijvende littekens veroorzaakt.
Elibol neemt zijn lezer mee langs herinneringen aan vormende ervaringen. Bijvoorbeeld aan een vriendinnetje dat hij ooit had, uit Assendelft (door een vriend ‘Alabama aan het Noordzeekanaal’ gedoopt, vanwege de waslijst aan racistische ervaringen die hij er opdeed). De vader van het meisje, een miljonair met een bedrijf in het een of ander, noemde Rasit (uitgesproken als Ráásj-iet) consequent Said. Als hij werd verbeterd (niet door Elibol) zei hij: ‘O ja, sorry. Ik ben in de war met de klusjesman van kantoor.’ Elibol: ‘Op dat moment kenden we elkaar al twee jaar.’
Veel van deze pijnlijke herinneringen dacht je te hebben weggestopt achter een luik in je brein. Tot je vorig jaar zomer naar Wormer ging, het dorp waar je de eerste zestien jaar van je leven doorbracht.
Betrapte blik. ‘Ja.’
Wormer, hemelsbreed nog geen 14 kilometer van de plaats waar hij nu woont, waar de families die op de zijne leken op de vingers van twee handen te tellen waren en ‘waar wij als gezin op volstrekt eigen wijze ongelukkig waren’, zoals hij noteert in Vuistslagen.
Je was er bijna twintig jaar niet geweest. Waarom ging je en wat gebeurde er?
‘Ik reed de Zaanbrug over en mijn hoofd stroomde meteen vol lastige herinneringen en beelden. Het was niet te stelpen. Alsof ik terug in de tijd stapte. Ik wilde meteen weer weg. Het was echt een fysieke ervaring van daar niet willen zijn.
‘Terwijl ik zelf het idee had geopperd om erheen te gaan voor een reportage over armoede. Ik kan wel naar een camping in Wormer gaan, waar gezinnen uit de buurt die geen geld hebben om op vakantie te gaan gratis naartoe kunnen. Goed idee, zeiden ze op de redactie, moet je doen.’
Elibol is de zoon van Turkse migranten. Zijn vader ontvluchtte Turkije in 1980 om te werken in een verffabriek in Zaandam. Zijn moeder werkte zich uiteindelijk vanuit een fabriek via avondstudies op tot maatschappelijk werker. Dankzij haar baan steeg het gezin op de sociaal-economische ladder.
Zijn ouders waren niet gelovig, vertelt Elibol. ‘Mijn vader was communist, mijn moeder een feminist. Sommige Turkse kinderen mochten daarom niet met mij spelen. De Nederlanders vonden ons niet Nederlands genoeg, de Turken vonden ons niet Turks genoeg. Ik snapte dat als kind allemaal niet: oprotten naar je eigen land, nep-Turk? En dan al die moppen en scheldwoorden voor Turken, vies en dom. Ergens wilde ik daardoor ook helemaal niet Turks zijn. Dat gevoel van buitengesloten zijn heeft mij sterk gevormd.
‘Mijn ouders behoren tot een Turkse minderheid, de Circassiërs of Tjerkessen, mensen die ooit voor genocide zijn gevlucht uit een Russische deelstaat in de Kaukasus. Zij hebben zich in Turkije ook altijd buitenstaanders gevoeld. Binnenkort ga ik voor een VPRO-serie onder meer onderzoek doen naar die roots.
‘Ik heb lang een moeilijke band met Turkije gehad. Ik heb zelfs mijn nationaliteit opgezegd. Voornamelijk omdat ik anders mijn dienstplicht moest afkopen, en daar had ik principiële bezwaren tegen. Maar ik dacht ook: fuck Turkije, ik kies voor Nederland.
‘Maar de afgelopen jaren is er wel iets veranderd.’
Wat is er veranderd?
‘Hoe Nederlands ik me ook gedraag, hoe goed ik mijn best ook doe, voor een deel van de mensen is het nooit genoeg. Kijk maar naar de laatste verkiezingen.’
Voelt de populariteit van de PVV en de door die partij opgezweepte antimigrantensentimenten persoonlijk?
‘Het ís persoonlijk. Toen de PVV zo groot werd in 2023, dacht ik maar één ding: dus zo veel mensen vinden dat ik niet in Nederland hoor.
‘Tot die verkiezingen dacht ik echt dat onze generatie ergens doorheen was gegaan, waar onze kinderen geen issues meer mee zouden hebben. Ik voel me een domme naïeveling. Want zij gaan nog steeds te horen krijgen: wat ben jij nou, waarom heb je zo’n rare achternaam, gedraag je je wel Nederlands genoeg?
‘Mijn vriendin heeft een Surinaamse vader en Nederlandse moeder. Er is letterlijk maar één land ter wereld waar iemand met Turkse en iemand met Surinaamse roots kinderen kunnen krijgen en dat is Nederland. Mijn kinderen zijn in alles een Nederlands product, maar zo zullen ze door een deel van Nederland nooit helemaal worden gezien.
‘Inmiddels denk ik: ik ben er wel klaar mee om continu te bewijzen dat ik net zo Nederlands als jullie ben. Door die verrechtsing in de maatschappij, dat aanjagen van racisme door zo veel politici, voel ik wel extra de behoefte om dit verhaal te vertellen.’
In je boek laat je zien dat niet alleen je migratieachtergrond bepalend was voor je route in de maatschappij, maar ook de sociaal-economische klasse waarin je opgroeide. Wanneer ontdekte je dat dat twee verschillende dingen zijn?
‘Ik denk dat die zaken heel lang met elkaar verward zijn, alsof alles waar mensen als ik tegenaan liepen, de ontheemding die we voelen, de frustratie en woede, verklaard kon worden door het feit dat onze ouders ergens anders vandaan kwamen. Terwijl ons gezin dezelfde problemen had als onze witte buren in de flat. In de flats waar ik woonde was vrijwel iedereen wit, en iedereen had dezelfde shit: drank, drugsproblemen, geweld.
‘Franse schrijvers als Didier Eribon en Édouard Louis, die vanuit eigen ervaring analytisch schrijven over klasse, schaamte en sociale ongelijkheid, hebben mijn ogen hiervoor geopend. Het was overweldigend om Terug naar Reims van Eribon te lezen. Ik las een-op-een mijn eigen ervaringen terug, maar dan bij iemand uit een witte onderklasse.’
Twee van de dertien hoofdstukken in Vuistslagen zijn geschreven in briefvorm. Via een brief aan zijn vader en een (fictieve) brief van zijn vader aan diens vader, vertelt Elibol een intergenerationeel verhaal over een aanleg voor woede-uitbarstingen. Over deze opa, die Elibol nooit heeft gekend, schrijft hij: ‘Ik ben vernoemd naar de man door wie mijn vader bijna dagelijks werd afgetuigd.’
Je vader is een paar jaar geleden in therapie gegaan, na jaren van depressies en woedeaanvallen. Dat hoor je niet vaak, bij mannen van zijn generatie.
‘In het begin zei hij steeds: ik ga naar de dokter. Pas toen het wat beter met hem ging zei hij: de psycholoog.
‘Mijn vader kon om weinig ontploffen, hij worstelde met zichzelf. Boos zijn was gewoon zijn primaire emotie. Ook verdriet kwam eruit als boosheid. Toen hij een therapeut vond die Turks sprak, is hij uiteindelijk in behandeling gegaan.
‘Mijn opa bleek een tiran te zijn geweest. Het gezin moest zich elke dag bij de deur opstellen als hij thuiskwam. Hij sloeg mijn oma, zijn kinderen. Als kind wist ik dit allemaal niet. In de loop der jaren ontdekte ik steeds meer over de klappen die vielen.’
Heeft de therapie je vader goed gedaan?
‘Ik denk het wel ja, maar ik kan het hem niet meer goed vragen. M’n vader heeft een hersenbloeding gehad, hij kan geen normaal gesprek meer voeren. Hij is binnen een minuut vergeten waar we het over hebben. Hij is geraakt in een deel van zijn hersenen dat de spraak reguleert. Zijn Nederlands was nooit goed, maar nu is het helemaal weg.
‘Om een voorbeeld te geven: hij was bij de boekpresentatie. De volgende dag zei hij dat hij weet dat hij trots op me is, maar niet meer precies waarop.’
Je eindigt je boek met een brief aan je vader, waarin je vertelt dat je hem beter begrijpt. Die kun je hem niet voorlezen, dus.
‘Dat is verdrietig, maar ik weet ook niet of ik dat gedurfd zou hebben. We hebben veertig jaar lang de kans gehad om het wel te doen. En dat hebben we niet gedaan. Ook omdat we letterlijk niet dezelfde taal spreken. Mijn Turks was te slecht, zijn Nederlands was nog slechter.
‘Het schrijven van dit boek heeft me geholpen om hem beter te begrijpen. Ik merk dat ik het ook voor hem wil opnemen, door uit te leggen waarom hij is zoals hij is.
Je vader was al op jonge leeftijd fysiek afgekeurd, schrijf je.
‘Mijn eerste herinnering aan mijn vader is dat hij in een ziekenhuisbed ligt met allemaal slangen. Daar heeft hij maanden gelegen. M’n moeder had hem onder de douche gevonden terwijl hij bloed aan het spugen was. Hij heeft een gigantisch litteken van z’n buik tot op dezelfde plek op zijn rug: een deel van zijn longen is weggehaald.
‘Omdat mijn zus en ik klein waren en mijn ouders toen amper Nederlands spraken, weet eigenlijk nog altijd niemand wat hem nou precies mankeerde. Hij werkte in een verffabriek met chemische stoffen, hij rookte en hij had astma, dus het was waarschijnlijk een combinatie van al die dingen.
‘Ik ben opgegroeid met mijn vader als huisvader. Mijn moeder werkte. Mijn vader smeerde boterhammen en schonk glaasjes melk in. Als kind wil je zijn zoals iedereen. Ik schaamde me ervoor dat hij niet werkte. En heel erg voor het feit dat hij geen Nederlands sprak. Toen hij een jaar of 50 was, en ik 20, is hij weer gaan werken, als beheerder in een soort buurthuis.’
En nu schaam je je voor die schaamte.
Knikt. ‘Jezus, wat erg dat ik hem dit heb kwalijk genomen, hij kon niet anders.’
Heeft je zus je boek gelezen?
‘Ze belde me huilend op, toen ze het had gelezen. Zelf had ze het luikje met herinneringen nooit geopend, vertelde ze. Dus het was heel confronterend geweest. Maar ze zei dat ze onze vader nu beter begreep. Door wat ik schreef.
‘Ze is drie jaar ouder dan ik, ze was ergens ook mijn tegenpool. Ik was een problematische puber, zij ging juist werken om mijn ouders te helpen met geld en zo.’
En je moeder?
‘Haar heb ik het boek al voor publicatie laten lezen.’
Hoe reageerde zij?
‘Zoals je alleen maar kunt hopen dat je moeder reageert. Ze is trots en ze snapt waarom ik dit doe. Mijn moeder is een hele slimme vrouw. Zij heeft zich verder ontwikkeld, is op latere leeftijd gaan studeren, heeft hbo gedaan, ging werken als maatschappelijk werker.
‘Zij heeft het natuurlijk meegemaakt, dus zij heeft de analyses al veel eerder gemaakt. Zij zag mij worstelen als puber, ze vond dat niet gek omdat ik opgroeide in armoede en tussen twee culturen. Daar hebben we toen alleen nooit over gepraat.
‘Dat ik niet echt ben ontspoord, is absoluut te danken aan mijn ouders. Ik groeide op in een liefdevol gezin. Al mijn vrienden wilden bij ons thuis chillen omdat het altijd gezellig was.’
In je boek beschrijf je een aantal pijnlijke gebeurtenissen. Je stal bijvoorbeeld eens geld van je ouders om wiet te kopen, waardoor je moeder geen boodschappen kon doen. Hebben jullie daar nog over gepraat?
‘Ik kan het mezelf niet echt vergeven. Maar mijn moeder is lief, ze snapt hoe het zover kon komen, toont begrip. Ze voelde dat ik me nergens thuisvoelde. Dat ik dat ben gaan verdoven. Die verslavingsgevoeligheid zit echt in de familie. Alle mannen zijn aan de drank, alle tantes roken twee pakjes per dag. Ik ben ook onmatig. Toen ik paniekaanvallen kreeg van het blowen, ben ik gestopt. Het ging psychisch echt niet goed.
‘Mijn moeder zegt soms: het is wel goed dat je zo jong al ontdekt hebt dat je verslavingsgevoelig bent. Ik heb het vroeg uitgespeeld.’
Rasit Elibol: Vuistslagen – Over opklimmen en invechten. De Bezige Bij; 192 pagina’s; € 22,99.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant