Religieuze symbolen toelaten bij de politie is geen goed idee. Neutraliteit is geen belemmering voor gastvrijheid of inclusie, maar diens randvoorwaarde, schrijft Shermin Amiri.
We leven in een tijd waarin gezag langzaam maar zeker afbrokkelt. Agenten worden bespuugd, burgemeesters beveiligd, rechters bedreigd en gewantrouwd. De instituties die ooit vanzelfsprekend boven de partijen stonden, worden steeds vaker doelwit van woede en minachting. In diezelfde tijd duikt een andere gedachte op, vooral in progressieve kringen: dat ook de politie een spiegel moet zijn van de samenleving, herkenbaar in al haar diversiteit. Het lijkt een nobel gebaar van inclusie. Maar juist op dit punt gaat die gedachte mis. Want een samenleving van vele overtuigingen en belangen kan alleen bestaan wanneer de macht die haar samenbindt neutraal blijft.
Neutraliteit is geen kil restbegrip. Zij is het fundament dat maakt dat de staat van niemand in het bijzonder is, en daardoor van ons allen. Het uniform van de politie is geen doek voor persoonlijke expressie, maar het symbool dat het geweldsmonopolie nooit namens een groep wordt uitgeoefend, maar namens de wet. Het idee dat dit uniform moet worden geopend voor religieuze of ideologische tekens onthult een verwarring: de overtuiging dat inclusie betekent dat ieder zijn identiteit overal zichtbaar mag maken.
Die verwarring is niet toevallig. De sociologen Oliver Nachtwey en Carolin Amlinger laten in hun boek Offended Freedom over het ‘libertair autoritarisme’ zien hoe vrijheid steeds vaker wordt opgevat als individueel bezit dat telkens opnieuw moet worden opgeëist en verdedigd: elke grens wordt ervaren als krenking. Uit die logica ontstaat expressiedwang: de drang om jezelf altijd en overal zichtbaar te maken. Maar juist het uniform van de staat moet weerstand bieden aan die logica. Want daar gaat het niet om het ik, maar om het grotere geheel. Dat grotere geheel is de rechtsstaat, die alleen kan functioneren wanneer zij zichtbaar van niemand is.
Hier ligt het onderscheid dat vaak verloren gaat: neutraliteit staat niet tegenover diversiteit, maar beschermt haar. Een staat die zich tooit met religieuze of ideologische symbolen wordt onvermijdelijk partij en verliest het vertrouwen van wie zich daar niet in herkent. Neutraliteit daarentegen opent een publieke ruimte waarin burgers weten dat hun overtuiging geen rol speelt bij de bescherming die zij ontvangen.
De waarden van de Verlichting zijn geen historische curiositeit, maar actuele noodzaak. De filosoof John Locke schreef dat religie vrij moet zijn, maar nooit een zaak van de overheid. Montesquieu benadrukte dat vrijheid alleen kan bestaan wanneer macht wordt beteugeld door neutrale instituties, zodat zij niet ten prooi valt aan willekeur. Later herinnerde Hannah Arendt ons eraan dat vrijheid slechts kan gedijen in een publieke ruimte die openblijft voor allen, en niet wordt gedomineerd door één overtuiging. Samen wijzen deze inzichten op hetzelfde fundament: scheiding van kerk en staat, vrijheid van geweten en neutraliteit van de overheid. Ze zijn geen belemmering voor gastvrijheid of inclusie, maar de randvoorwaarden ervan.
Juist daarom schuurt het dat progressieve partijen neutraliteit steeds vaker wegzetten als kil of repressief. Die houding komt voort uit een begrijpelijke reflex: het verlangen naar herkenning, naar een samenleving waarin niemand zich buitengesloten voelt. Maar bij het geweldsmonopolie van de staat werkt die logica niet. Daar draait het niet om herkenning, maar om vertrouwen. En dat vertrouwen kan alleen bestaan zolang de macht niet optreedt als moslim, christen, jood, atheïst of iets anders, maar uitsluitend als vertegenwoordiger van de wet.
De context waarin dit debat plaatsvindt, maakt het nog urgenter. Radicaliserende ideologieën – islamisme, christelijk nationalisme, complotdenken – vechten om de ziel van het publieke domein. Burgers worden opgeroepen hun loyaliteit niet aan de wet te geven, maar aan de gemeenschap, het geloof, de stam. Juist in zo’n tijd is neutraliteit geen formaliteit, maar de grenssteen die voorkomt dat de staat zelf door een van die stromingen wordt toegeëigend.
Ik schrijf dit niet als Iraanse dissident die zijn eigen leven als bewijs inzet, maar als iemand die als rechtsfilosoof naar dit land kijkt. Ik zie hoe broos de ruimte is geworden waarin wij met al onze verschillen kunnen samenleven. Ik zie hoe een nobel verlangen naar inclusie dreigt te botsen met de voorwaarden die inclusie überhaupt mogelijk maken. En ik zie hoe gemakkelijk wordt vergeten dat de waarden van de Verlichting geen luxe zijn, maar de laatste waarborg tegen de verwarring van macht en overtuiging.
Wie neutraliteit opgeeft, wint misschien kortstondig de bevrijding van expressieve vrijheid, maar verliest het fundament waarop vrijheid voor allen rust. De staat verandert dan van een huis dat ons beschermt in een podium waar groepen strijden om hun symbolen te tonen. Het gaat niet om gastvrijheid versus kilte, maar om de vraag of er nog een publieke ruimte bestaat die niet geclaimd wordt. Dáár schuilt de ware bedreiging voor inclusiviteit: niet in de afwezigheid van expressie, maar in de aanwezigheid van een staat die partij wordt. Neutraliteit verdedigen is daarom geen luxe, maar een plicht. Want zonder die lege ruimte blijft er geen plaats over waar burgers elkaar als gelijken kunnen ontmoeten.
Shermin Amiri is publicist en senior adviseur bij RadarAdvies.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC