Home

Met elke schrik is hij er weer

Als tiener zocht ik ooit een baantje met zoveel mogelijk frisse lucht en zo min mogelijk mensen en zo belandde ik op de plaatselijke begraafplaats. De laatste zomer van de twintigste eeuw bracht ik, gewapend met hark en grasmaaier, door tussen doden. Ik weet niet of het daardoor komt maar sindsdien moet ik altijd mee als een van mijn vrienden een graf gaat bezoeken en zo bevond ik me afgelopen week weer eens op de Nieuwe Ooster in Amsterdam, om samen met vriendin J. de laatste rustplaats van haar vader op te knappen. Terwijl we lustig mos schraapten klonk er in de verte ineens een harde knal. J. kromp meteen ineen.

„Rustig maar”, zei ik. „Het kwam van ver, het was vast een fietser met een klapband ofzo.”

J. knikte maar bleef rillen. Ik ken niemand die zo van onverwachts geluid kan schrikken als zij, wat ook niet zo gek is met een pa als de hare: een man die heel lief en zorgzaam kon zijn maar ook een tik had meegekregen van een jeugd in een internaat. Hij kon keihard met deuren slaan, opeens zijn stem verheffen en vanuit het niets met dingen gooien. Voor J. vormde een onverwachte knal of schreeuw vroeger vaak het begin van ellende.

„Vervelend dat je hier nog steeds zo’n last van hebt.”

„Eigenlijk is het maf”, mompelde ze, „mijn vader is al bijna vijf jaar dood maar met elk schrikmoment is hij er weer. En dat terwijl ik, toen hij stierf, ook stiekem dacht van hè hè, van al die onrust ben ik tenminste af. Niet dus.”

Even kwam het gedicht Immortality van de Amerikaanse dichter Clare Harner me voor de geest, dat begint met de beroemde regels ‘Do not stand by my grave and weep/ I am not there, I do not sleep’. De gestorvene sust de achterblijvers met de suggestie dat ze nog aanwezig is in zonlicht, de wind, of de zachte herfstregen. Een troostende gedachte, maar helaas voor J. keert haar vader telkens terug in wat minder harmonieuze verschijningsvormen: in een knalpijp, een schreeuwende man op straat of een balkondeur die door een windvlaag wordt dicht geramd. Haar vader zit niet in het fluiten van vogeltjes of het glinsteren van sneeuw, maar bevindt zich in al het kabaal dat de wereld aan de lopende band produceert, waardoor J.’s lichaam een soort spookhuis is geworden: de geest van haar vader sluimert nog in iedere vezel en schiet bij onvoorzien lawaai direct als een bliksemschicht door haar zenuwstelsel.

J. glimlachte wrang toen ik deze gedachte met haar deelde.

„Ergens leeft hij nog”, zei ze zacht, „Maar ik had niet gedacht dat dat zo naar zou zijn.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next