‘We pakken ’m op bij de ontsluiting zet traag door”, hoorde ik van achter uit de zaal de man van techniek brommen. Ik zit op een stoel in het donker en kijk naar het podium. Een vloer in abrikoos, licht hout, geel licht zwaait zacht in bundels heen en weer. De vrouw op het podium, Meral Polat, duwt een zwarte krul terug in de knot op haar hoofd, knikt en zet weer in.
Twee jaar geleden schreef ik de tekst van deze voorstelling, die we En ze maakte een kind doopten. Een monoloog over moederschap die afstand neemt van het lijdzame, het irrationele, dat we inherent verbinden aan degenen die kinderen krijgen. Pijn, extase, hypnose, verwildering, waanbeelden, grote waarheden die zich ontvouwen aan de rand van je bewustzijn: het hele universum trekt aan je voorbij tijdens het baren. De vrouw als schepper van haar leven, die van de bevalling kunst maakt.
Naast me zit regisseur Nina Kersten met haar mooie snoet en ronde brilletje. Ze rommelt wat door papieren, stroopt een mouw op. Ze lijkt op mijn oude zus, zoals de vrouw op het podium op mijn dochtertje lijkt.
Na twee jaar kwamen we de afgelopen weken weer met z’n drietjes bij elkaar in hetzelfde repetitielokaal, in droge lucht en wit licht. We bewonderden, net zoals toen, elkaars stem, ideeën, kleding, kracht, lippenstift, kinderen en onverzettelijkheid.
Een eigen rijk, waar we vrij konden praten. Twee jaar geleden nog hoopvol over onze kansen, de laatste keren bang voor de backlash, de straf, die altijd volgt op een bevrijdingsgolf. Andrew Tate. Femicide. Conservatieven.
„Ja, en dan graag even terug naar het stukje dat begint met mollige venusheuvel, wil je ’m daar even beginnen?” De technicus weer.
De vrouw op het podium zet in, ik luister, en weer moet ik bijna huilen. Zo raar, zo ijdel, waarom gebeurt dit me nou iedere keer?
Ik weet heus wel. Ik schrijf dit voor haar en zij zegt het voor mij. Ik heb zelden samen met andere vrouwen zoiets kwetsbaars gedragen. Meestal doe ik het in mijn eentje.
Tijdens deze voorstellingsperiodes, zowel in de eerste ronde als nu bij de reprise, is alles vrouw. Niet heel nadrukkelijk, we zijn gewoon aan het werk, maar geen man is de baas en de voorstelling gaat niet over mannen.
Een technicus legt een hand op de schouder van de regisseur. ‘Ga jij zo wel even eten?’ vraagt hij. Ze knikt. Het is in al deze weken nog nooit gebeurd dat een van de mannen achter in de zaal, die geluid en licht maken, lullig, lacherig of smalend deden over dit vrouwengeweld.
Dan denk ik aan alle mannen om ons heen. De echtgenoten die avond na avond de kinderen in bed leggen, terwijl wij in het theater zijn. Mannenvrienden die we kunnen bellen om te klagen. Zonen die trots zijn op hun moeders. Mannen die naar deze voorstelling komen kijken, met hun moeders of vrouwen. De jongen die voor ons ‘Welkom Meral & Friends’ op het schoolbord in de artiestenfoyer schreef.
Het kan in zware tijden verleidelijk zijn om in iedere man een potentieel monster te zien, maar het is óók kortzichtig en schadelijk. Er zijn heel veel mannen om van te houden. Er zijn heel veel mannen die we dicht bij ons moeten houden.
„Vanaf: Ik ben niet langer deze vrouw, ik ben iedereen”, zegt de technicus.
En daar gaat ze weer.
Sarah Sluimer schrijft elke week een column. Ze is de auteur van boeken, essays en toneelstukken.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC