Israël Europa moet het handelsverdrag met Israël opschorten, maar lidstaten kunnen dat ook individueel doen. Dat moeten ze ook doen, vinden Piet Eeckhout en David Reybrouck.
Mensen proberen gedoneerd voedsel te bemachtigen bij de gaarkeuken in Khan Younis in Gaza in mei dit jaar.
Europese lidstaten lijken tot machteloosheid veroordeeld. Terwijl bij de Algemene Vergadering van de VN in New York steeds meer landen overgingen tot een officiële erkenning van Palestina (de teller staat op 156 van de 193 lidstaten), sleept de Europese Unie met de voeten in het conflict in het Nabije Oosten. Rusland zag na de invasie in Oekraïne onmiddellijk sancties tegen zich uitgesproken worden, maar Israël wordt na twee jaar slachting in Gaza en nieuwe illegale bezettingen op de Westelijke Jordaanoever nog steeds geen strobreed in de weg gelegd, of toch nauwelijks.
Piet Eeckhout is hoogleraar Europees recht en academisch directeur van het European Institute aan het University College London.
David Van Reybrouck is schrijver en Denker der Nederlanden.
Zeker, Ursula von der Leyen kondigde begin september aan dat zij het handelsdeel van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël wil opschorten. De Commissie heeft dit besluit op 17 september ter stemming voorgelegd aan de lidstaten, die zich daarover moeten uitspreken met een gekwalificeerde meerderheid (15 lidstaten die 65 procent van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen).
Juridisch gezien is het handhaven van dit akkoord onhoudbaar. Artikel 2 van het akkoord stelt zwart op wit dat het berust op „de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen”. Sinds de jaren negentig is deze clausule een standaardbepaling in Europese verdragen geworden, nadat het moeilijk bleek het handelsakkoord met het voormalige Joegoslavië op te zeggen tijdens de gruwelijke burgeroorlog daar. Sindsdien neemt de Unie in alle akkoorden een mensenrechtenclausule op, zoals Artikel 2, om maatregelen te kunnen nemen bij systematische schendingen van de mensenrechten.
In de praktijk is dat tot nu toe enkel gebeurd in de relaties met Afrikaanse landen. Voor Israël maakt men steevast een uitzondering. Nochtans: reeds een jaar geleden heeft het Internationaal Gerechtshof in Den Haag onomwonden vastgesteld dat Israël in de bezette gebieden de mensenrechten schendt en de Palestijnen aan een apartheidsregime onderwerpt. Dat bindend advies ging nog niet eens over Gaza of genocide. Intussen is er formeel een hongersnood in Gaza uitgeroepen en heeft de Onafhankelijke Internationale Onderzoekscommissie van de VN er genocide vastgesteld.
Hoe kunnen beleidsmakers dan nog zeggen dat het opschorten van het handelsverdrag een politieke beslissing is die zorgvuldig moet worden afgewogen? Het recht is duidelijk en laat geen verdere ruimte. Als Artikel 2 van het associatieverdrag de mensenrechten als een essentiële voorwaarde vastlegt, dan hoeft daar niet opnieuw over gestemd te worden. De vastgestelde schendingen zijn zo duidelijk en zo officieel dat er geen beleidsruimte meer is.
De vraag is dus niet of er een gekwalificeerde meerderheid gevonden kan worden om het associatieverdrag met Israël op te schorten. De vraag is ook niet waarom grote lidstaten als Duitsland en Italië blijven dralen (antwoord: de ene uit historische schuld jegens het jodendom, de andere uit rechtse sympathie met het huidige Israël). De vraag is waarom Europa haar eigen principes zo selectief toepast, terwijl we dag na dag zien hoe een bevolking wordt uitgehongerd, een gemeenschap wordt gebombardeerd en een land wordt platgebulldozerd.
Opschorting van het associatieverdrag betekent overigens niet eens dat de handel met Israël stilvalt, enkel dat Israël de gangbare EU-importtarieven moet gaan betalen in plaats van de vrijstelling die ze nu geniet. Voor Israël is de EU verreweg de belangrijkste handelspartner. Opschorting van het gunstregime is noodzakelijk als signaal, drukmiddel en als weigering om Israël in deze omstandigheden te bevoorrechten.
De weigering van de Europese Unie om haar eigen artikel 2 toe te passen kan voor het Hof van Justitie worden aangevochten, maar dat is een lange weg. Is er dan geen andere, snellere optie? Toch wel, hoewel die mogelijkheid vrij onbekend is. Het associatieakkoord tussen de EU en Israël is een zogenoemd „gemengd” akkoord, dat niet alleen door de EU maar ook door elk van de lidstaten afzonderlijk is ondertekend. Dat is een bevoegdheidskwestie – sommige zaken in dat akkoord zijn Europees, andere vallen onder de nationale bevoegdheden. Maar waar nooit over gesproken wordt is dat elke lidstaat eenzijdig kan beslissen het akkoord op te schorten of te beëindigen.
Die mogelijkheid is niet theoretisch. De laatste jaren zijn tien lidstaten uit een ander gemengd akkoord gestapt, namelijk het Verdrag inzake het Energiehandvest. Hun redenen daarvoor waren divers, maar het belangrijkste is: dit juridische mechanisme is hier perfect van toepassing.
Elk land, ook Nederland, is vrij om de Europese consensus niet langer af te wachten en kan het associatieakkoord met Israël eigenstandig opschorten of beëindigen.
Sterker nog, wij menen dat Nederland en België daar internationaalrechtelijk zelfs toe verplicht zijn. De internationale verdragen die Israël schendt, zoals de Haagse verdragen inzake het humanitair recht en de mensenrechtenverdragen, binden ook onze landen, en zijn ouder dan het EU-lidmaatschap. De EU-verdragen bepalen dat een lidstaat altijd mag afwijken van het EU-recht om zulke oudere verbintenissen na te komen. De lidstaten kunnen dus zelfs eenzijdig het handelsgedeelte van het associatieakkoord, normaal een Europese bevoegdheid, opzeggen.
Natuurlijk is gezamenlijk optreden te verkiezen. Maar wanneer de EU niet in staat is om haar internationale verbintenissen na te komen, is het aan elk land om dat wel te doen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC