Ik stond in een aula van een middelbare school in het oosten van het land. De leerlingen hadden een roman van mij gelezen, over een migrantenkind dat naar het gymnasium ging. Ze hadden vragen voorbereid. De meeste gingen over hoe waarheidsgetrouw de roman was. Eén meisje vroeg: „Waarom schrijft u?” Ik dacht even na, en antwoordde: „Omdat ik de wereld wil begrijpen.”
Na het optreden reed ik naar huis. Ik dacht na over de leerlingen, over het land waarin ze opgroeien. Over het politieke klimaat waarin mijn eigen middelbareschooltijd zich afspeelde: de jaren negentig, de veroordeling van Janmaat. De volkswijk waarin ik opgroeide, het wantrouwen van de buren naar mensen zoals wij. Was het toen zoveel beter dan nu? Misschien niet. Maar er werd op zijn minst nog iets van fatsoen nagestreefd, zelfs in de mate waarin men zich racistisch uitte.
Ik schreef het al eerder op deze plek: de anti-migratieprotesten in Den Haag hebben mij diep geraakt. Het kwam binnen, zoals dat populair heet, op een plek in mij die ik niet bereikbaar achtte voor anderen. Sindsdien draag ik het met mij mee, en ik heb nog geen manier gevonden om het van me af te schudden. Een vriendin en ik hadden samen de beelden bekeken, ook die van het rechtsextremistische protest in Londen, een week eerder. Daar waren meer dan honderdduizend mensen op de been gebracht – een hoeveelheid die ons de adem benam. Ze hielden protestborden omhoog met teksten als ‘get them out’ en ‘save our kids’. We klikten door beeldfragmenten waarin mensen zeiden dat Groot-Brittannië traditioneel-Engels moest blijven, zonder invloeden van buitenaf. Het klonk als een echo van Nederland, van Amerika, van Duitsland.
‘Ze haten ons echt”, zei mijn vriendin zacht. Het was een ongerichte opmerking, maar daarom niet minder waar. Wij zijn het idee, de ideologie, de etniciteit waartegen de laatste jaren met succes is geageerd door politici, opiniemakers en multimiljonairs, die allemaal op hun eigen manier geen zin hebben om de koek met anderen te delen. Wij zijn de mensen die worden aangewezen als de oorzaak van elke denkbare ellende. „Het gaat niet om jou”, haastten vreemden en bekenden zich om mij gerust te stellen.
Vriendelijk bedoeld, ongetwijfeld. Maar het mist de essentie van de zaak. Namelijk dat fascistische overtuigingen steeds openlijker worden uitgedragen, en breed in onze samenleving worden gesteund. Het lijkt me dat we elkaar hierin juist niet moeten geruststellen. Bovendien gaat het wel degelijk over mij, en over mensen zoals ik: wij zijn de Ander, die tegenover het eigene wordt gesteld. Juist zij die niet de Ander zijn, zouden – in plaats van migranten te sussen met lege woorden – bij zichzelf moeten nagaan of dit ontluikende fascisme een plek zou moeten hebben in Nederland.
Ik heb in mijn literaire werk altijd gezocht naar de liefde, in de zin van een humanisme dat de menselijkheid centraal stelt. Ik weet dat het nog ergens verscholen is, ergens in de mens, en in de literatuur. Maar de uitdijende weerstand jegens alles wat anders is dan zuiver Nederlands, ontneemt mij het zicht. Dat mensen zoals ik voortdurend aangesproken worden, voortdurend worden gewogen en bekeken, beperkt de afstand die ik nodig heb om naar de wereld te kijken.
Al schrijvend begrijp ik steeds beter in wat voor omgeving ik leef. Maar in plaats dat het me houvast geeft, dooft het de hoop op iets beters. Daarom is dit voorlopig mijn laatste column. Ik ga twee boeken afschrijven, talloze boeken lezen, en ik hoop dat de literatuur me zal bieden wat ze altijd deed: een schuilplaats, een herinnering aan menselijke waarde, een idee van liefde.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC