Home

Is met het gedrink en gerook ook een gevoel van saamhorigheid van de krantenredactie verdwenen?

Na 45 jaar zwaait Paul Onkenhout af als journalist. Hij blikt terug op zijn eigen loopbaan, waarin langzaam het gedrink, gerook en geouwehoer van de redactievloer verdween. Daarmee ging ook veel verloren, betoogt hij.

is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over media en muziek.

Bijna een halve eeuw geleden, op een zondagavond in 1980, maakte ik voor de eerste keer mijn opwachting op de redactie van een krant, de regionale reus Haarlems Dagblad. Het was onvergetelijk en ik was meteen om, niet alleen omdat er, vooral na het werk, veel gelachen en volop gerookt en gedronken (bier) werd en sappige anekdotes over de bureaus vlogen.

Er was hard gewerkt, het sportkatern van maandag was zo goed als klaar. In de loop van de middag waren sportredacteuren en medewerkers – mannen – samengestroomd nadat ze op zaterdag of zondag wedstrijden hadden bezocht. De bureaus waren bezaaid met kranten, tijdschriften, kopijpapier, lege bierblikjes, koffiebekers, asbakken en onbestemde troep. Aan de muren hingen posters, foto’s, kalenders en krantenpagina’s.

Stil was het geen moment. Telefoongesprekken waren voor iedereen hoorbaar, de telex ratelde. Om 19.00 uur zat iedereen klaar voor Studio Sport en toen alle stukken klaar waren, en geredigeerd, werden er sterke verhalen verteld (‘Dus toen zei Johan Cruijff...’), anekdotes uitgewisseld en roddels gedeeld over collega’s die er niet waren.

Rinkelende telefoons. Voeten op het bureau en veel flauwe grappen ook. Hiërarchische verhoudingen leken er niet veel toe te doen. Het was een overweldigend begin, in een kring van gelijkgestemden die na gedane arbeid de teugels flink lieten vieren en ondanks leeftijds- en andere verschillen een sfeer van saamhorigheid creëerden.

Vrouwen waren er nauwelijks. Ook op de andere redacties vormden ze een kleine minderheid. Ze keken wel linker uit. De overeenkomsten met de voetbalkleedkamer waren onmiskenbaar. Veel mannen met grote monden, en ego’s.

Het proefstukje, een bij elkaar gebeld overzicht van een paar handbalwedstrijden, werd na een vluchtige blik van de stevig rokende (Caballero zonder filter) coördinator van de sportredactie in orde bevonden. ‘KIC klopt Full Speed’, was de kop. Ik werd toegelaten tot de oerbron van de journalistiek en ik zou nooit meer vertrekken. In 1990 stapte ik als sportredacteur over naar de Volkskrant, deze maand ga ik met pensioen.

De redacties van het Haarlems Dagblad in de jaren tachtig en van de Volkskrant in de jaren negentig en – maar toen kwam de sleet er al op – de jaren nul, vertoonden een vrij grote gelijkenis met de decors van de Amerikaanse dramaserie Lou Grant (1977-1982) en de film All the President’s Men (1976). De tv-serie (met Ed Asner als hoofdredacteur Lou Grant) ging over het lief en leed en de sores op een krantenredactie, de film over het Watergate-schandaal.

‘Ik rookte en keek alleen maar om me heen’, schreef verslaggever Lidy Nicolasen in Adieu Wibautstraat – Kroniek van een krantengebouw over haar eerste werkdag (in 1986) bij de Volkskrant. En daar was ook de tv-held: ‘Ik wachtte op Lou Grant met sigaar. Hij zou in zijn slobberpak geen slecht figuur slaan tussen de in uitdragerskleren gestoken jongens en meisjes.’

De redactie van een krant was een typische, bruisende gemeenschap waar, zo leerde ik snel, de meest uiteenlopende types zich verzamelden en onophoudelijk werd geouwehoerd. Het gonsde.

Mijn punt: deze wereld is verdwenen, helaas. De vooruitgang is onmiskenbaar, maar niet in alle opzichten.

De unieke biotoop met een volle werkvloer en intensief onderling verkeer, soms met geschreeuw tot gevolg, bestaat niet meer. De prik is ervanaf, de redactie bruist nauwelijks nog. Dat is jammer en – ik kom er later op terug, ook op de keerzijde die er destijds wel degelijk was – nadelig voor het maken van de krant en de site.

Het is een romantische kijk, zeg ik er maar meteen bij. Wie er na 45 jaar uitstapt, kan niet ontsnappen aan een golf van melancholie, plus, in mijn geval, een verlangen naar het rumoer van de Volkskrant-redactie in een krakkemikkig gebouw waar het of te warm of te koud was. Maar het was wel óns gebouw, in de Amsterdamse Wibautstraat.

Getrouwd met de krant

Krantenredacties ontstonden in het laatste deel van de 19de eeuw. Dagbladen groeiden na de industriële revolutie uit tot massamedia. De papierproductie werd goedkoper, de voortschrijdende technologie leverde snelle drukpersen op. De medewerkers werden bijeengebracht op één plek, in stadscentra en dicht bij de drukkerij van de krant.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw waren redacties uitgeroeid uit tot een bonte broedplaats van ideeën, een platform van discussies waar de hoofdredacteur de eerste onder zijns gelijken was en tot in den treure de koers van de krant werd besproken. De hoofdredacteur toen ik in 1985 mijn studie had afgerond en in vaste dienst kwam van het Haarlems Dagblad: ‘Je bent getrouwd met de krant en je gaat vreemd met je vriendin of je vrouw.’ Het was geen grap, het was een eis.

Het is allemaal anders nu. Dat stemt weemoedig, het gevoel is niet te stoppen. Grotendeels instemmend las ik in 2023 een nostalgisch (en prikkelend) opiniestuk van Maureen Dowd (1952), een veteraan in de journalistiek die haar loopbaan begon bij The Washington Star. Ze werkte voor het tijdschrift Time en kwam in 1983 in dienst van The New York Times.

Vrolijke kost was het niet. ‘Requiem for the Newsroom’, had de krant boven haar stuk gezet. Het was volgens haar tijd om het ‘definitieve overlijdensbericht te schrijven van de Amerikaanse krantenredactie’. Tevens is het een ode aan wat ze de ‘oude, losbandige glamour’ noemt.

In het stuk maakt Dowd haar punt meteen duidelijk, met een zin waarin ze ook aangeeft dat er, net zoals in dít stuk trouwens, gevaren op de loer liggen: ‘Ik wil niet dat dit een van die stukken wordt waarin wordt gezeurd dat alles vroeger beter was en het nooit meer zo goed zal worden als toen.’ Haar tweede zin: ‘Maar als het om redacties gaat, is het toevallig wél waar.’ Touché.

Bruisende wirwar

Haar artikel is doordrenkt van een verlangen naar de tijd voor de digitale revolutie. Instemmend – ik knikte ook – citeert ze een collega met wie ze samenwerkte bij de The Washington Star. ‘Redacties waren een bruisende wirwar van roddels, grappen, zenuwen en excentrieke, hilarische types. Nu zitten we thuis in ons eentje naar onze computers te staren. Wat een afknapper.’

Het zoeken naar collega’s en oud-collega’s die haar stelling wilden bevestigden, verliep vlotjes. Citaten die haar punt onderstrepen, worden als een schot hagel op de lezers afgevuurd. Een collega bij The New York Times: ‘Hoe zou een krantenfilm er vandaag uitzien? Een stel individuen in hun appartement, omringd door zielige kamerplanten, communicerend op Slack?’

Ook een vriend van haar die bij The Atlantic werkt, Mark Leibovich, wijst op de films die zich afspelen op krantenredacties. ‘Ik kan me geen beroep voorstellen dat zo sterk afhankelijk is van kruisbestuiving, van gewoon in de buurt zijn van andere mensen, als de journalistiek. Er is een reden dat ze al die krantenfilms maakten: All the President’s Men, Spotlight, The Paper. En er is een reden dat mensen rondleidingen krijgen op redacties. Niemand wil een rondleiding bij een belastingkantoor.’

Leibovich beklaagt zich over een ontwikkeling die al eerder was ingezet, maar door corona een enorme impuls kreeg: thuiswerken, met de daarbij horende videogesprekken, vergaderingen incluis.

‘Aan het einde van een Zoom-gesprek zegt niemand: ‘Hee, zullen we een drankje doen?’ Het is gewoon een klik en het gesprek is voorbij. Er sijpelt niets na, terwijl je juist veel leert van de kleine gesprekjes ná de vergaderingen.’ Zijn overtuiging: ‘De beste journalistenschool bestaat uit meeluisteren met journalisten die hun werk doen.’

Op krantenredacties hing een ‘doordringende geur van ondeugd’, schrijft Dowd. Dat klopt misschien, maar waar het om gaat is of dit alles, deze unieke werksfeer, de redactie ten goede kwam, en daarmee de krant. Dowd denkt van wel, en ik ook. ‘Gesprekken en competitie maakten van redacties broedplaatsen van geweldige ideeën.’

Ook: ‘Verslaggevers kregen driftbuien en smeten hun typemachines of computerschermen op de grond.’ Plus: ‘Er hing een ongelooflijke kameraadschap en flair rond het hele avontuur, of we nu bezig waren met moordzaken, politiek of de fokproblemen van de panda’s in de National Zoo.’

Recht van de sterksten

De keerzijde van de toenmalige redactiecultuur laat Dowd onbesproken, evenals de flinke vooruitgang die sindsdien op een paar punten is geboekt. Misschien was het bij haar kranten anders, waarschijnlijk niet, maar op de Volkskrant-redactie was het tot diep in de jaren negentig niet voor iedereen even eenvoudig om te gedijen. In haar boek Dag in dag uit – Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant vanaf 1980 schetste Annet Mooij in 2011 een allesbehalve vrolijk beeld.

‘Vriendelijk of gemoedelijk was de redactie (...) zeker niet, eerder hard en uitdagend. Ze schiep een omgeving waarin de goedgebekte man als soort het best gedijde. De redactiecultuur werd gedomineerd door het recht van de sterksten. Agressie tegen de hoofdredactie vormde er een wezenlijk onderdeel van. Op de Volkskrant-redactie was men in principe tegen de leiding.’

Misschien wel de meest ontluisterende zin uit het boek van Mooij, zelfs voor wie erbij was in die jaren: ‘Nieuwelingen werden stelselmatig uitgetest, sommige collega-redacteuren aanhoudend afgezeken.’ ‘De haantjes van de Volkskrant’, was de kop boven een gniffelende recensie in Het Parool.

De eerste reactie in 1990 van een collega van die Amsterdamse krant, nadat hij had vernomen dat ik voor de Volkskrant zou gaan werken: ‘Gecondoleerd.’

Generatiewissel

Achteraf bleek dat ik was aangenomen in een overgangstijd. Het was een periode waarin het voortwoekerende cynisme mede dankzij de instroom van jonge redacteuren langzamerhand oploste, de legendarische zuurgraad van de krant (‘Wat krijg je als je een komkommer een nacht in een exemplaar van de Volkskrant bewaart? Een augurk’) fors inzakte, de koelkast niet meer werd bijgevuld met bier en een rookverbod werd ingesteld.

De krant had baat bij een generatiewissel, ook aan de top, waar Pieter Broertjes in 1995 aantrad als hoofdredacteur. Geleidelijk aan verdwenen onder zijn leiding ook de ‘excentrieke hilarische types’ van de redactie, om plaats te maken voor journalisten die qua afkomst en opleidingsniveau veel overeenkomsten hadden.

Tegelijkertijd nam het aantal vrouwen op de redactie toe. ‘De journalistiek als mannenbolwerk ging er ten slotte aan, al ging het langzaam’, aldus Mooij in Dag in dag uit.

‘Toen ik begon, werkten er tachtig mannen en drie vrouwen’, zei oud-redacteur (van 1968 tot 2001) Suzanne Baart vorig jaar tegen de Volkskrant. ‘Mijn chef hamerde erop dat er geen seksueel getinte grappen mochten worden gemaakt, maar dat gebeurde natuurlijk wel. Ook vond iemand het weleens leuk om aan je te zitten, maar daar bleef het bij.’

Wat Baart daarna zei, was misschien nog wel wezenlijker: het Volkskrant-gebouw in de Wibautstraat was vreselijk, volgens haar. ‘En de systemen waren vreselijk, de omgeving was vreselijk. Eigenlijk was alles vreselijk. Behalve de mensen, die waren geweldig.’

De aanleiding voor dat stuk was een verhuizing van de krant van het Init-gebouw in Amsterdam-Oost naar een bedrijventerrein in Duivendrecht, waar de Belgische eigenaar DPG Media een ‘mediahub’ genaamd Mediavaert heeft gebouwd voor al zijn Nederlandse ondernemingen.

In een mistroostige omgeving worden de redacties van kranten, tijdschriften en radiostations omringd door de Sligro en een gerenommeerde beton- en cementfabrikant. Na zessen is er geen mens meer te zien. In de verste verte is er geen café te bekennen.

DPG stuurt erop aan dat we één grote familie gaan vormen met andere ingezetenen van het pand. Alle redacties zijn vrij toegankelijk voor wie de sluizen is gepasseerd. Op het toegangspasje worden werknemers ‘mediamaker’ genoemd, op visitekaartjes staat groot het logo van DPG.

Afgelopen zomer ging er een petitie rond met een oproep van een collega-redactie om een einde te maken aan de muziek van de radiostations Qmusic en Joe op de toiletten. Gepleit werd voor een ‘inclusieve, toegankelijke werkomgeving’. Niet alle werknemers zouden bestand zijn tegen de prikkels van muziek.

Ik dacht alleen maar: werd ik maar méér geprikkeld.

Op dit punt aangekomen ligt cynisme op de loer. De Belgen hebben echt hun best gedaan, aan alles is gedacht. Er kan in Mediavaert worden gegeten, gedoucht en gesport. Het klimaat is in orde, er is voldoende parkeergelegenheid, de fietsenstalling is overdekt en in de toiletsectie staan altijd gevulde flacons met kwaliteitszeep klaar. Prima bureaustoelen ook.

Als klap op de vuurpijl is het dakterras voorzien van gevarieerde beplanting. Uit de presentatiegids Mediavaert – Een nieuw huis waar media tot leven komen: ‘Laat je handen zachtjes door de citroentijm dwarrelen.’

Non-descripte werkplek

Maar de ziel van een krantenredactie dan? De redactie is langzamerhand veranderd in een eilandenrijk waar meestentijds stilte heerst en redacteuren voor hun computerscherm in hun eigen bubbel zitten. Het zou, op het eerste gezicht, een afdeling van een willekeurig bedrijf kunnen zijn, een non-descripte werkplek, schoon en opgeruimd, met lege bureaus en nauwelijks wanddecoratie.

Intussen rukte het thuiswerken op, met de coronapandemie als grote aanjager. ‘Ik vrees dat de romantiek, de alchemie, verdwenen is’, aldus Maureen Dowd in The New York Times somber. Een spookschip, noemde ze de redactie. ‘Toen mensen eenmaal ontdekten dat je gewoon vanuit huis een geweldige krant kon maken, dachten ze: waarom niet altijd zo?’

De ontwikkeling lijkt niet meer te keren, ondanks pogingen van hoofdredacties om de loop er weer in te krijgen. Bij de Volkskrant werd vorig jaar een aanwezigheidsplicht van 80 procent ingevoerd. ‘Het zal (...) het gewenste leven in de brouwerij brengen op de zesde verdieping, waar het op sommige dagen echt zorgwekkend stil is’, aldus de hoofdredactie.

Maar de praktijk was weerbarstig. Toch waren de argumenten ijzersterk. Een halflege redactie werd in een vergadering bedreigend genoemd voor de identiteit van de krant en de saamhorigheid. ‘De norm is dat je in principe op de redactie bent, omdat het gezond is om elkaar tegen te komen. Dan is er reuring, de sfeer is beter, het komt de creativiteit ten goede.’

Het klinkt als een echo van een verdwenen wereld. Precies daarom is het verlangen naar andere tijden, naar de krantenredactie als een levendig en soms onvoorspelbaar beest, bij oudere journalisten zo sterk. Gelukkig geldt tegelijkertijd nog steeds wat onze collega al in de vorige eeuw vaststelde over de redactie van de Volkskrant: geweldige mensen, bijna allemaal.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next