Prijs Violist Janine Jansen krijgt een Edison Klassiek voor haar hele oeuvre. „Wat is perfect spelen? Het kan niet zoiets banaals zijn als perfect zuiver.”
Ze wilde gaan lopen vanaf haar hotel, het nieuwe Rosewood Hotel aan de Prinsengracht in Amsterdam, maar het was zo druk in de stad en zo warm dat ze op het Leidseplein de tram heeft genomen, twee haltes tussen de toeristen, viool in de kist op haar rug. Nu zit ze aan een tafeltje in de verder lege Spiegelzaal van het Concertgebouw en drinkt een glas water. Ze blaast diep uit. Ze lacht.
Woensdagmiddag, half augustus. Donderdagavond zal ze met dirigent Klaus Mäkelä en het Concertgebouworkest Prokofjevs Eerste Vioolconcert spelen en daarna met hem doorreizen naar Wenen, maar daar gaat dit gesprek niet over. Het gaat over haar, Janine Jansen, sterviolist – net voor de zoveelste keer gelauwerd, nu met een Edison Klassiek voor haar hele oeuvre – en het begint bij Philippe Hirschhorn, die in 1946 werd geboren in Riga, toen nog Sovjet-Unie, en in 1967 het Koningin Elisabeth Concours won met het Eerste Vioolconcert van Paganini. Maar wie weet dat nog? Hij stierf in 1996 door een hersentumor. In de laatste twee jaren voor zijn dood was hij Janine Jansens leraar op het Utrechts conservatorium. Janine Jansen was daar op haar zestiende begonnen, na de vierde klas van het vwo.
„Wáánzinnig.”
Janine Jansen (Soest, 1978) is een wereldberoemde violist sinds haar optreden in 2002 met de Philharmonia in Londen onder leiding van Vladimir Asjkenazi. Ze speelt met de grote orkesten de grote viloolconcerten.
Daarnaast richtte ze in 2003 het Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht op. Sinds 2019 geeft ze ook les, voornamelijk in het Zwitserse Sion. Ze woont daar met haar man, de Zweedse cellist en dirigent Daniel Blendulf.
„Maar wát een klank, wát een expressie.”
Ze lacht, want ja, ze beweegt veel bij het spelen, ze staat erom bekend. Buigen, huppelen, dansen, springen. Zou je niet horen wat ze speelt, dan zou je het bijna kunnen zien aan haar gezicht – al die emoties.
„Hirschhorn? Nee, nee.”
„Het gekke is dat ik dat niet meer weet. Ik kan me de eerste les bij hem wel weer zo voor de geest halen. Ik speelde ‘Poème’ van Chausson…”
„En waar ik erg van hield.”
„In elk geval wilde ik iets doen waarvan ik vond dat ik er het beste van mezelf mee kon laten zien. Ik vond het zo ontzettend spannend” – ze haalt diep adem – „dat ik me niet eens kan herinneren wat hij ervan zei. In de tweede les speelde ik Prokofjevs eerste vioolsonate, mijn hele partij staat nog vol met zijn aantekeningen. Hij was heel erg van de rechterhand en rechterarm” – de arm waarmee gestreken wordt – „want daarin zit je expressie, daarmee maak je klank, diepte, articulatie. Zelf kon hij toen al niet meer spelen, zijn linkerhand was slap. Hij zat achter de piano” – ze plaatst haar vingers in verschillende posities op denkbeeldige toetsen – „en dan zei hij: zo en zo. We werkten die eerste maanden ook aan het Sibelius Vioolconcert en toen eh, toen moest hij weer geopereerd worden.”
„O, nee, later ging ik naar Brussel, waar hij woonde, en de zomer erna was ik nog bij een masterclass van hem in de buurt van Koblenz. Achteraf heb ik die week mijn allerlaatste les van hem gehad en nog denk ik: hoe kan het dat ik niet doorhad hoe ziek hij was. Ik reed met hem en Polina Leschenko” – pianiste, ook heel jong toen nog – „van Brussel naar Duitsland en hij was gefrustreerd over dingen die hij niet meer kon, veters strikken en zo. Later heb ik van vrienden gehoord dat hij niet nóg een keer geopereerd wilde worden.” Ze haalt weer diep adem. „Hij was vijftig, hè. Ik word in januari achtenveertig. Ik dacht toen dat hij aan de beterende hand was.”
„…heeft hij geen grote internationale carrière gehad. En waarom niet? Het is gewoon niet gebeurd. Ken je de documentaire die Paul Cohen over hem en andere winnaars van het Koningin Elisabeth Concours gemaakt heeft?” The Winners, uit 1996, te zien op YouTube. „Ze hebben bij wijze van spreken goud gewonnen op de Olympische Spelen en daarna – ze kregen niet de roem die je zou verwachten.”
„Hij heeft me nooit zijn wil opgelegd, nee. Een vriend van hem heeft later eens tegen me gezegd dat hij voorzichtig met me wilde zijn, dat hij me wilde laten zijn wie ik was. Niet dat hij niet héél kritisch kon zijn en kon blíjven hameren op een paar noten of één maat, en ik héb weleens meegemaakt, haha, dat hij eh, uit zijn slof schoot. Ik speelde het ‘Rondo Capriccioso’ van Saint-Saëns, hij vond dat ik het karakter helemaal fout had en toen zei hij…” Ze schudt nee.
Met een zware stem: „You play like a whore.” Je speelt als een hoer. „Op dat moment… ik was zeventien, hè… whoeh… De week erna bood hij me zijn verontschuldigingen aan. Hij was in een slechte bui. Hij voelde zich niet goed. Het had nooit mogen gebeuren. Toch snap ik wel wat hij bedoelde.”
„Dat zal wel. Dat moet wel. Op een gegeven moment heb je die passage, ram pam… pam pie pa… en hij vond dat die trots en verleidend en” – ze doet een tangodanser na – „sensueel gespeeld moest worden, maar niet eh…”
„Dat is het woord. Seksueel. Zo wilde ik het helemaal niet laten klinken, dat was helemaal niet waar ik aan dacht, dus het was best gemeen dat hij dat zei, you play like a whore, en ook wel kwetsend. Maar ik kan er nu wel om lachen. En toen eigenlijk ook wel.”
„Ja, natuurlijk, ik heb eindeloos vaak naar die documentaire gekeken. En dat fragment zit ook in de documentaire die Paul Cohen over mij heeft gemaakt.” Janine, in 2010. „Hirschhorn laat dan zo’n hoog lachje horen, hahaha. Hij zwaait met zijn vinger en zegt: very provocative.”
„En daar kijkt hij dan zo intens triest bij.” Ze zucht. „Hij was al erg ziek.”
„Ik? Perfect? Daar ga ik niet eens om lachen.” Ze lacht hard. „Wat is perfect spelen? Het kan niet zoiets banaals zijn als perfect zuiver, you hit the target. Ik hoor nog Hirschhorns stem: you are functioning on the level of a fróg and you are still content?” Je functioneert [met je perfecte zuiverheid] op het niveau van een kikker en toch ben je tevreden? „Dus wat is perfectie? Met opnames loop ik daar altijd tegenaan. Bij het terugluisteren hoor je alles. Je gaat door tot het perfect is, maar is het dan perfect? Leeft het dan nog? Of kan muziek alleen leven met publiek erbij? Als het communiceren is?”
„Je vergeet Coosje Wijzenbeek, bij wie ik vanaf mijn zevende ben geweest. Zij heeft mij leren vioolspelen. Dat zij er niet meer is” – Coosje Wijzenbeek stierf in 2021 – „vind ik nog lastiger om over te praten dan over de dood van Hirschhorn. Het gebeurde in de coronatijd, ik heb geen afscheid van haar kunnen nemen. Zij is zo ontzettend belangrijk voor mij geweest. Twee keer per week les, ensemble-les, concerten in het weekend…”
„Nee!”
„Ik besef hoe goed ik het heb gehad in mijn jeugd, met liefdevolle ouders die geen druk op me uitoefenden, die nuchter waren en me op de meest positieve wijze de liefde voor het spelen hebben bijgebracht. Mijn moeder” – Christine Jansen-Kooy – „is zangeres, ik hoorde Bach toen ik nog in de buik zat. We speelden thuis, in Soest, allemaal een instrument en met elkaar speelden we kamermuziek. Het was onze manier om met elkaar te praten.”
„Nee, ja, god, nou ja, ik ga nu niet zeggen dat ik getraumatiseerd ben. Nee! En toch, zonder ooit gepusht te zijn geweest ben ik tóch tegen die eh, burn-out aangelopen.”
Ze heeft het over 2010, toen ze uitgeput raakte door, ja, het zijn van een sterviolist. Het proces is pijnlijk goed te volgen in die documentaire van Paul Cohen (ook te zien op YouTube). Hij volgde haar drie jaar lang.
„Ja, absoluut! Dat heb ik ook altijd gezegd. Ik neem niemand iets kwalijk. Uiteindelijk heb ik het zelf in de hand of ik iets wel of niet doe, wat ik wel of niet zeg. Ik heb geleerd, of dat leer ik nog steeds, dat ik niet hoef te pleasen en dat ik… Maar ik wilde eigenlijk nog wat zeggen over jonge musici nu. Als je ziet hoe er soms met ze wordt omgegaan… Laat ze! Ik zou ze willen beschermen tegen eh…”
„Ik wilde zeggen: tegen pushende ouders, pushende leraren, pushend management. En dat moet ook, maar er is de laatste jaren nog wat bijgekomen en dat is het enorme hypen van jonge musici, heel vroeg al, en dan, als ze het even lastig hebben, even twijfelen, dan zijn ze meteen weg. Ze worden zo ingeruild voor de volgende hype.”
„Absoluut.”
„Ik heb vijf jaar een relatie met hem gehad, hè.”
„Nee, nee, nee, Julian heeft zelf ook een heel mooie carrière. Ik bedoel, ik heb… hoe moet ik het zeggen? Ik geloof niet dat ik ooit voor dé carrière ben gegaan. Ik kón niet anders. Ik hou zo van die muziek en van het spelen – dát wilde ik. En natuurlijk betaal je een prijs. Ik hou van mijn man” – de Zweedse cellist en dirigent Daniel Blendulf – „en van mijn familie, van thuis zijn, van niet altijd op reis zijn, van in het weekend bij mijn ouders in Soest zijn, zoals mijn broer David, die nog in Nederland woont, en ieder weekend met zijn gezin… Maar dat leven heb ik niet, niet meer.”
„En geen kinderen, nee. Maar dat is niet vrijwillig. En ja, god, hadden we ze wel gekregen, wat ik graag gewild had, dan had ik het leven dat ik nu heb moeten opgeven. Want zoveel reizen en kinderen hebben, dat is onmogelijk. We hebben een hond, een Gotlandsstövare. Ze heet Ronja. En ja, zij is wel ons baby’tje.”
„Ja. Ik geef daar les aan het conservatorium. En ik ben artistiek co-director van het jaarlijkse Sion Festival, met een vriend van me, de violist Pavel Vernikov. Dit jaar spelen we weer het Mendelssohn Kwartet in grote (dubbele) bezetting en de Vivaldi Vier Jaargetijden, met Daniel en met mijn vader.” Haar vader, Jan Jansen, is organist, klavecinist en pianist.
„Dat is zo.” Ze lacht. „En nu geef ik ook nog les aan de Kronberg Academy in Duitsland.”
„Dat was een van mijn grootste angsten, ja, dat ik te veel over dingen zou gaan nadenken. En dat is precies wat er nu gebeurt, haha. Ik moet nu over alles nadenken, ook over technische dingen, vooral over technische dingen.”
„Ja, wat dan. Weet je, leerlingen vragen heel specifiek wat ik doe, ze kijken naar hoe ik het doe, maar als ze me dan vragen hoe ik een bepaalde klank, een vríjheid in klank bereik, dan vind ik dat zo moeilijk om te verwoorden. Er zijn zo veel mogelijkheden. De diepte die je ingaat, de snelheid die je geeft, alles, álles, en dan moet ik dat dus op een of andere manier gaan analyseren, en voor ik het weet zit ik te veel in mijn hoofd. Voor mij is dit” – ze tilt haar rechterarm op – „mijn stem, en hoe ik daarmee omga, ik verbind dat compleet met de ademsteun die sprekers of zangers geven als ze spreken of zingen. Mijn rechterarm is de stem waarmee ik spreek, mijn alles. En dit” – ze tilt haar linkerhand op en laat haar vingers over denkbeeldige snaren razen – „ja, pfff, de leerlingen die ik heb kunnen dat allemaal al, soms zo goed dat ik denk: hallo, wat jij nu doet, dat krijg ik niet voor elkaar.”
„Eh…”
„Ik ben niet iemand die het Paganini Vioolconcert speelt, nee. Ik geloof dat ik kan sterven zonder ooit Paganini te hebben gespeeld. Er zijn zoveel stukken waar ik méér connectie mee heb. Al luister ik wel heel graag naar die opname van Hirschhorn bij het Koningin Elisabeth Concours. En ja, ik heb leerlingen die Paganini spelen. Ze raken álle noten, en toch zijn ze onzeker. En dat komt omdat ze er te veel met hun hoofd tussen zitten. Ik moet dat ook nog steeds tegen mezelf zeggen, bij alle loopjes… Sibelius… Prokofjev…: probeer het niet te controleren, het gaat veel te snel. Als je het toch probeert, dan gaat de rechterarm erachteraan lopen. Dan raak je misschien die topnoot wel, trldrl dám, trldrl, dám, maar links en rechts praten niet meer met elkaar.”
„Dat zeg ik wel tegen mijn leerlingen, ja. Sibelius, die octavenloopjes in het eerste deel… trdl trdl trdl trdl dá, trdl trdl trdl trdl dá… Ik raak bijna nooit alle noten, wat ik moeilijk vind, want ik zoek toch de perfectie, dat blijft een ding, maar het is niet érg. Laat het los!”
„O, dat weet ik niet. Zoals Coosje Wijzenbeek het deed, dat vond ik geweldig. Hoe ze je hielp zonder je te belemmeren, zonder je in een keurslijf te duwen. Ze was streng. Het was bij haar niet voor de lol. Elke les begonnen we met toonladders, alles werd overhoord, alles moest uit het hoofd. Maar er was ruimte om jezelf te zijn. Of ik een zevenjarige zou aannemen… Het lijkt me een enorme verantwoordelijkheid. Er is nu wel een Fins meisje, Lilja Haatainen heet ze, haar ga ik binnenkort ontmoeten. Maar zij is veertien. Ik ga haar lesgeven. Of lesgeven, wat is lesgeven? Of wérk je samen? Het voelt beter om het werken te noemen. Ik heb haar al gezien op Instagram. Een enorm talent. Ze kan alles.”
„Alles. Zoek haar maar op op YouTube. Technisch het hoogste niveau. En een heel mooi natuurlijk gevoel voor klank en expressie. Zo jong nog, en dan zo spelen, hoe kán dat?”
„Nou…” Ze schudt nee. „Dan had ik al eerder veel harder moeten studeren. Ik weet nog” – ze lacht – „dat ik de eerste prijs had gewonnen op de Iordens Viooldagen, ik was tien, en toen kwam er iemand van de Soester Courant bij ons thuis. Die vroeg hoeveel uur per dag ik oefende en ik zei: tweeënhalf uur, en dat stond toen in de krant. Maar ik wist dat andere leerlingen van Coosje wel vier uur per dag studeerden. Toen heb ik dat ‘tweeënhalf’ weggekrast. Daarna heb ik die krant pas aan Coosje laten zien.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC