Home

Weinig zo modieus als het herschrijven van klassiekers om ze diverser te maken. Maar waarom zouden we?

Moderne herschrijvingen van klassiekers als Moby-Dick maken de literatuur niet diverser, ze vlakken haar af. En bovendien: die diversiteit zit allang in de klassiekers. Je moet ze gewoon goed lezen.

‘Call me Ishmaelle.’

Het is de openingszin van Herman Melvilles Moby-Dick, niet toevallig een van de beroemdste uit de wereldliteratuur: de directheid, de geheimzinnige ondertoon (wie stelt zich nou zo voor, behalve iemand die iets te verbergen heeft?). Kortom: de onmiddellijke kennismaking met een hoofdpersonage in al zijn complexiteit, en dat in drie woorden.

Maar wacht, er klopt iets niet aan de zin: er staat geen Ishmael, maar Ishmaelle. De verteller is plotseling veranderd in een vrouw. Een vrouw in mannenkleren, want in het pas verschenen Call Me Ishmaelle van de Chinees-Britse Xiaolu Guo is alles nét even anders.

Deze nieuwe versie bevat dus een vrouwelijke protagonist, maar ook een zwarte kapitein Ahab en kritiek op giftige mannelijkheid. De witte walvis uit de titel wordt een symbool van de dominante witte cultuur, en ga zo maar door.

Gijs van Engelen is literatuurwetenschapper, historicus en presentator van de podcast Geschiedenis Inside.

Het is een trend: van Jeanette Wintersons Frankissstein tot Mrs Jekyll van Emma Glass, steeds meer moderne schrijvers ‘samplen’ de grote romans uit de wereldliteratuur, dagen die uit, trekken ze de 21ste eeuw in met een herschrijving. In NRC vatte Toef Jaeger het fenomeen samen als ‘nieuwe stemmen voor oude verhalen’.

Maar kijk eens beter naar Call Me Ishmaelle. Het boek bevat in de moderne versie meer ruimte voor ‘gemarginaliseerde stemmen’, aldus Jaeger. Dat zal hem leren, die oude witte Melville!

En toch komen de door Guo aangesneden thema’s – gender, diversiteit, masculiniteit – net zo progressief en veel interessanter naar voren in een ander boek.

Dat boek heet Moby-Dick en is geschreven door Herman Melville, in 1851.

Misschien kun je stellen dat de literatuur geen gebrek heeft aan herschrijvingen, maar wel aan goede lezers. De hardnekkige aanname dat de literaire canon in overweldigende mate wordt gedomineerd door een wit, chauvinistisch en masculien perspectief, overschreeuwt de doorgaans oneindig veel interessantere boeken zelf.

Moby-Dick is een 19de-eeuws boek over walvisjagen, dus uiteraard is dat een hypermasculien boek, toch? Bepaald niet, zie je wanneer je het eens rustig leest. Melvilles klassieker staat bol van de homo-erotische scènes, van nauwelijks verhulde man-op-man-fellatio tot een passage over scheepslieden die halfnaakt in het sperm (walschot) van de walvis werken.

Wat we in modern jargon ‘giftige mannelijkheid’ zouden noemen, is zelden grootser én kritischer verbeeld dan in kapitein Ahab, een personage dat volledig ten onder gaat aan zijn eigen driften en obsessies, en zo dood en verderf zaait onder zijn eigen manschappen.

De ‘gemarginaliseerde stemmen’ zijn al aan boord van Melvilles Pequod, vooral in de vorm van de Polynesische Queequeg, de beste vriend en soms bedpartner van hoofdpersoon Ishmael.

En die symbolische witheid van de walvis, die Guo zo slim koppelt aan raciale thema’s? Die wordt door critici als Toni Morrison al decennia opgemerkt in Moby-Dick zelf. Thematisch zegt Guo kortom eigenlijk niets nieuws.

Eenzamen, twijfelaars en dromers

Waarom doet dit ertoe? Omdat we zo de kern van de literatuur miskennen, en daarmee van een groot deel van het publieke discours en onze gedeelde culturele herinnering.

De romankunst is altijd een speelveld geweest voor eenzamen, voor twijfelaars en dromers, zeer zelden voor comfortabele conservatieven die het zeker wisten. In die laatste categorie valt misschien een reus als Lev Tolstoj, die zijn Anna Karenina opzette als een waarschuwing tegen modernisering, en de arme Anna opvoerde als voorbeeld van een moreel verdorven vrouw.

Maar ook Tolstoj bleek vooral een schrijver. Hij kende zo veel twijfels en empathie dat het eindresultaat eerder aanzet tot feminisme dan tot conservatisme. Om literatuurwetenschapper Harold Bloom te parafraseren: een klassieker vangt veel vaker angsten en twijfels dan zekerheden.

Vandaar dat herschrijvers steeds een punt lijken te maken dat al veel scherper in de bron zelf staat. Ik noem bewust witte mannen als voorbeeld, omdat ze het meest worden verdacht. Maar lees goed en zelfs de übermacho van de literatuur, Ernest Hemingway, onthult vooral het minderwaardigheidsgevoel waaruit zijn opgepompte masculiniteit voortkwam, en de schade die mannen zoals hij ermee aanrichtten.

Herschrijvingen hoeven zeker geen slechte boeken te zijn. De oerknal van de 20ste-eeuwse literatuur, James Joyces Ulysses, is min of meer een herschrijving van Homerus’ Odyssee. Maar ook recenter is er genoeg kwaliteit te vinden: Percival Everetts James, een herschrijving van Mark Twains Huckleberry Finn, werd afgelopen jaar universeel geprezen als een inventief, aangrijpend boek. In plaats van het witte jongetje Huck Finn kiest Everett voor Jim als ik-figuur, de zwarte, tot slaaf gemaakte man die met hem meereist in het verhaal.

Als roman is James geslaagd, daar is vrijwel iedereen het over eens, maar als hervertelling lokt het toch weer dezelfde, terloopse afservering van het origineel uit. De onvolprezen Hans Bouman beschreef Huck Finn in de Volkskrant als ‘de roman waarin Twain bekwaam de lachers op zijn hand krijgt, maar die voor de hedendaagse lezer (...) een duistere ondertoon heeft’.

Daar zit de crux: die duistere ondertoon zit dus al in de oorspronkelijke tekst!

Dat men die ondertoon er in de 19de eeuw minder uit wist te halen zegt veel over de 19de eeuw, maar minder over het boek. Mark Twain was een man vol nostalgie naar het Old South van de Verenigde Staten, waar hij opgroeide. Hij verlangde terug naar zijn jongensdromen, de schilderachtige Mississippi, de ongerepte natuur. Allemaal dingen die in Huck Finn worden gevierd.

Maar Twains herinneringen aan die jeugdige onschuld werden in de loop van zijn leven, ruim vóór het schrijven van zijn beroemdste boeken, aangetast door woede over het diepgewortelde racisme van het slavenhoudende zuiden. Kortom, schuld raakte vermengd met onschuld.

Precies die spanning is wat Huck Finn méér dan een leuke avonturenroman maakt. Zoals opnieuw Toni Morrison schreef: ‘Het boek is het probleem dat het beschrijft.’ Ze roemde ‘de combinatie van vreugde en angstige onrust, die als gekruiste vingers over de pagina’s verweven liggen’.

Wederom vangt de klassieker twijfel.

Subtiliteit is een noodzaak

Herschrijvingen hebben zelden oog voor die complexiteit. Neem F*ck Lolita, de monoloog van het Zuidelijk Toneel waarin Nabokovs romanklassieker op zijn kop wordt gezet: het misbruikte meisje van 12 is nu expliciet het slachtoffer, en haar ontvoerder Humbert Humbert de dader.

Net als in het boek zelf, dus. Humbert spreekt de lezer nota bene toe vanuit de cel. NRC-theaterrecensent Shira Keller erkent dat de pedofiele relatie door Nabokov wel wordt veroordeeld (nogal wiedes), maar ‘te subtiel voor veel lezers’.

Dat is precies het verschil tussen de genoemde meesterwerken en hun moderne bewerkingen: voor moderne herschrijvers is subtiliteit een zonde, voor een meesterwerk is het een noodzaak.

De herschrijver zegt niets wezenlijk nieuws, maar zegt het alleen duidelijker.

‘De canon’

We leven als cultuurduiders in het tijdperk van Michel Foucault (1926-1984), de Franse filosoof die geobsedeerd was door onzichtbare machtsstructuren. Hoewel zijn werk heeft bijgedragen aan ons begrip van onrecht in de wereld, heeft hij ons beeld van de klassieken alleen maar vertroebeld. We zijn ‘de canon’ vrij massaal als zo’n cynische, foucaultiaanse machtsstructuur gaan zien: het is een voorgeschreven smaak die onderdrukt, en niets anders.

Het is een wereldbeeld dat zo cynisch is dat het een tikje naïef wordt. De canon is geen monoliet, het is simpelweg de groep oudere werken die we in groten getale blijven lezen. Als instanties die aan ons lezers proberen op te leggen, is dat een kansloze exercitie.

Zeker, er staan te weinig vrouwen in en mensen van kleur, maar die achterstand wordt elk jaar verder ingelopen, omdat onze smaak altijd in beweging is. Daarbovenop bevestigt een klassieker zelden de heersende mores, hij daagt die net zozeer uit als Foucault zelf wilde doen.

De consequentie van deze manier van denken is dat we ons steeds meer bekommeren om wat we in de kunst níét hebben gelezen, gezien of gehoord.

Vergeet de canon: wat hebben we over het hoofd gezien?

Ik zou er zeker voor pleiten die vraag ook altijd te blijven stellen, maar als we de klassiekers weggooien, doen we hetzelfde met soms wel honderden jaren receptiegeschiedenis, die een onderdeel vormt van de geschiedenis van het menselijk denken.

Het helpt misschien om terug te grijpen naar een eerdere filosoof, Michail Bachtin (1895-1975). De Russische literatuurtheoreticus sprak van het ‘dialogisme in de taal’, waarin alles een reactie is op wat ervoor kwam, een eindeloos gesprek door de tijd heen. Zo werkt cultuur, betoogt hij. Klassiekers, zou ik zeggen, zijn simpelweg de ‘dialogen’ waarop we het meest doorgaan.

Die analyse is niet los te zien van Bachtins leefomgeving: de Sovjet-Unie. In zijn hele werkende leven waren onderdrukking en censuur aan de orde van de dag. Hij vond echter vrijheid in het werk van Fjodor Dostojevski, de meest uitgesproken conservatief in de moderne wereldliteratuur.

Bij de Russische schrijver worden altijd eindeloos veel verschillende standpunten besproken door een enorme diversiteit aan personages, hetgeen Bachtin tot een inzicht bracht: het is de aard van het literaire genre dat er altijd meerdere perspectieven door elkaar lopen, een inherent democratische situatie die hem, als onderdaan van achtereenvolgens Lenin, Stalin en Brezjnev, houvast gaf.

Dat is een situatie waarvan we wel wat kunnen leren, beïnvloed als we zijn door het cynische, foucaultiaanse perspectief. Opdat we niet vergeten hoe veelstemmig de grote romans zelf zijn, hoezeer de canon de geschiedenis is van het vrije, menselijke dwarsdenken.

Prettig voorgekauwd

Nu het autoritarisme wereldwijd een comeback maakt, is de literaire canon niet onze vijand, maar onze vriend. Vergeten we dat, en deponeren we Moby-Dick in de prullenbak voor een prettig voorgekauwde herinterpretatie, dan gooien we een hele hoop stemmen voorgoed weg, ook die van miljoenen lezers.

(Her)interpreteren is het kloppende hart van de literatuur. Lezers bewaken de belangrijkste cultus die we hebben door de eindeloze dialoog met onszelf levend te houden, oude en nieuwe boeken tot leven te brengen door zich er steeds opnieuw toe te verhouden. Wat dat betreft staan de herschrijvers in een mooie traditie van meerstemmigheid.

Maar klassiekers vervangen of verbeteren? ‘Een klassieker is een boek dat nooit ophoudt met zeggen wat het te zeggen heeft’, stelde Italo Calvino, en inderdaad blijven we de klassiekers lezen vanwege de veelheid aan stemmen die ze allang in zich dragen.

Elke lezer, elke generatie lezers, elke cultuur aan lezers, zal iets nieuws ontdekken in dezelfde tekst, en weeft zo mee aan een lappendeken van duidingen, van menselijk denken. Dat is de échte democratie van de literatuur.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next