Home

Met zijn camera als wapen toonde fotograaf Franco Zecchin de nietsontziende wreedheid van de maffia

Op het moment dat er in Palermo een heuse maffiaoorlog woedde, woonde en werkte Franco Zecchin (1953) daar. Op zijn indringende foto’s, nu te zien in Maastricht, legde hij de slachtoffers van de bloedbaden vast.

is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en de zakelijke kant van de kunstwereld.

In de eerste zaal van de tentoonstelling in het Maastrichtse Fotomuseum aan het Vrijthof hangt al meteen een heftige foto. Die is gemaakt in 1978 en heeft als titel: Giovanni Lo Nigro. Zijn lichaam, doorzeefd met 100 kogelgaten. Hierop zijn twee mannen te zien die een lijk onderzoeken, waarvan het ontblote bovenlijf is bezaaid met schotwonden.

Daarnaast hangt de afdruk van een gelovige die tijdens een processie een enorm houten kruis torst op zijn schouder. Deze opname is van vijftien jaar later, maar past bij het beeld van het door een kogelregen getroffen slachtoffer. Beide foto’s zijn gemaakt op Sicilië, dat sinds het midden van de 19de eeuw een zware last heeft te dragen: het Italiaanse eiland is de geboorteplaats van de machtige en gewelddadige maffia.

De Italiaanse fotograaf Franco Zecchin (1953), verantwoordelijk voor beide opnamen, woonde en werkte van 1975 tot 1994 in Palermo, de hoofdstad van Sicilië, waar toentertijd een heuse maffiaoorlog woedde. Maffiosi van verschillende groeperingen brachten elkaar om, maar vermoordden ook journalisten, politici en leden van de succesvolle ‘Antimafia Pool’ – onderzoeksrechters van het Italiaanse Openbaar Ministerie die honderden leden van de criminele organisatie achter de tralies hadden gekregen. Twee van die misdaadbestrijders, Giovanni Falcone en Paolo Borsellino, lieten in 1992 kort na elkaar het leven bij zware bomaanslagen, die wereldwijd nieuws werden en een opstand van de Siciliaanse bevolking tot gevolg hadden.

Camera als wapen

Zecchin was als 22-jarige naar Palermo gekomen vanwege een liefdesrelatie met de achttien jaar oudere Letizia Battaglia (1935-2022), een gescheiden moeder van drie kinderen die toen net was begonnen met fotograferen. Samen zetten ze hun camera’s in als wapen tegen de maffia. De twee werkten voor L’Ora, de kleine, plaatselijke krant die eigendom was van de communistische partij in Italië en die onthullende stukken bracht over de wijdverbreide corruptie en georganiseerde misdaad in Italië.

Zonder zelfcensuur legden Battaglia en Zecchin de slachtoffers van de bloedbaden vast. Die foto’s werden niet alleen afgedrukt in de krant, maar ook geëxposeerd in geïmproviseerde tentoonstellingen op pleinen. Daarmee wilden de fotografen inzichtelijk maken hoe ontwrichtend de maffia was voor de maatschappij.

Die organisatie pleegde meer dan duizend moorden in de negentien jaar dat Zecchin in Palermo woonde, zo schatte hij. Op de 48 zwart-witfoto’s van zijn hand die nu in de tentoonstelling Life in Sicily worden getoond, is menig gelukte afrekening te zien: de door het hoofd geschoten eigenaar van een delicatessenzaak met naast hem zijn huilende echtgenote, de herder die in een donkere nacht levenloos op straat ligt, het jongetje dat door de politie het lichaam van zijn omgebrachte vader wordt getoond.

Antimaffiaboodschap

Het beroemdst werd Zecchins foto van het bedekte lijk van Benedetto Grado met zijn familie daaromheen: zijn vrouw op een stoel, zijn dochter staand tegen een muur, zijn schoondochter knielend bij het levenloze lichaam. Het gezicht van de dochter wordt weerspiegeld in de bloedplas die zich heeft gevormd, iets dat de fotograaf pas opviel toen hij in de donkere kamer de negatieven ontwikkelde. De vrouwen dragen zwarte kleding. Zij waren nog in de rouw vanwege de eerdere moord op de zoon van Grado.

Het beeld zou het symbool worden van de nietsontziende wreedheid van de criminele organisatie. Negen jaar later kreeg de opname nog veel meer aandacht. Het Italiaanse modemerk Benetton gebruikte een kleurenversie van de opname in een reclamecampagne die veel ophef veroorzaakte: een reeks van shockerende nieuwsfoto’s waarop het logo van het bedrijf klein stond afgedrukt.

Zecchin had hiervoor toestemming gegeven in de hoop dat zijn antimaffiaboodschap een nog groter publiek zou bereiken. De dochter van Grado vroeg zich echter publiekelijk af wat de moord op haar vader te maken had met het verkopen van kleding.

Een andere foto van Zecchin werd ook heel bekend, zonder dat daarop een spoor van geweld is te zien. De kus, in 1978 in Palermo geschoten, toont twee mannen die elkaar op de wang zoenen, een veelgebruikte begroeting op Sicilië.

Zecchin wist niet, zo schrijft hij veel later in het essayboek Political Aesthetics – Culture, Critique and the Everyday (2016) of de afgebeelde personen daadwerkelijk tot de maffia behoorden. Niettemin werd zijn snapshot de verzinnebeelding van de hechtheid van de organisatie en haar omertà (zwijgcode).

Eerste vrouwelijke persfotograaf

Zijn partner Battaglia zou legendarisch worden vanwege haar strijd tegen de maffia. Ze viel op door haar ijzersterke werk (als eerste vrouwelijke persfotograaf in Italië), maar ook doordat ze zichzelf had vrijgevochten van een hoop conventies.

Drie jaar voor haar overlijden (ze werd veel bedreigd, maar stierf een natuurlijke dood) is er een indrukwekkende documentaire over haar gemaakt: Shooting the Mafia, gratis te zien op internet. Ook de minder extraverte Zecchin, die nucleaire fysica studeerde voordat hij zich bekeerde tot de fotografie, figureert daarin. Battaglia herinnert zich in de documentaire dat er op één dag zeven maffiamoorden werden gepleegd: ‘Het was een burgeroorlog in Palermo.’ Hun lange en bijzondere relatie overleefde uiteindelijk de zware werkomstandigheden niet.

In april is in Fotomuseum Den Haag een overzichtstentoonstelling van Battaglia’s oeuvre te zien, dat de laatste jaren bezig is met een opmars. Zecchins foto’s in Maastricht tonen al een deel van hun baanbrekende werk.

Life in Sicily – Franco Zecchin, Fotomuseum aan het Vrijthof, Maastricht, t/m 25/1.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next