Home

‘Ik doe de was, de boodschappen en kook elke dag. Ook doe ik klusjes voor ouderen in de buurt’

Jan van der Laan is 100 jaar. Waarom heeft hij geen tijd voor een interview over zijn lange leven?

Jan van der Laan heeft geen tijd voor een interview. Na twee telefoongesprekken en een ‘duwtje’ van de pastoraal medewerker van de protestantse kerk die hij elke zondag bezoekt, stemt de 100-jarige toch in met een persoonlijke ontmoeting. ‘Maar het kan zijn dat ik niet thuis ben, hoor.’ Op de afgesproken middag zijn de luxaflex voor alle ramen van zijn woning neergelaten. De voordeur zit stevig in het slot. Zijn aarzeling om bellende onbekenden te ontvangen, blijkt het gevolg van nepagenten die onlangs met een onzinverhaal een goedgelovige hoogbejaarde buurtgenoot belden. Bij een huisbezoek dat erop volgde, beroofden ze haar van haar sieraden. Dat zal Jan van der Laan niet gebeuren.

U bent een druk bezet man.

‘Mijn huis houd ik grotendeels zelf schoon, ik heb maar 1,5 uur huishoudelijke hulp in de week. Ik doe de was, de boodschappen en kook elke dag – veel groenten. Ook heb ik een grote tuin om te onderhouden, en er valt altijd wel iets te klussen. Mijn badkamer en toilet heb ik na het overlijden van mijn vrouw, zes jaar geleden, vernieuwd. Ook de nieuwe leidingen heb ik zelf aangelegd. Mijn zoon die in de buurt woont, heeft een handje geholpen. Ook doe ik klusjes voor ouderen in de buurt.

‘Ik ben er niet de man naar om de hele dag achter het raam te zitten. Lezen doe ik weinig. Elke dag pak ik de fiets om een tocht te maken van vijftien kilometer, de natuur is prachtig hier in Drenthe. De mensen die ik onderweg tegenkom, wuiven naar me, ze kennen me allemaal.

‘Eens in de vijf weken rijd ik in mijn hybride auto ongeveer vijftig kilometer naar Duitsland om boodschappen te doen, die zijn daar veel goedkoper, vooral soorten zalf die ik gebruik tegen de pijn in mijn nek en schouder. Ik heb een klantenkaart bij Rossmann. Die heeft een veel groter assortiment dan drogisterijen in Nederland en maakt de zalven zelf. Ik maak er vaak een dagje uit van, ik ken veel dorpen en steden in Duitsland en eet graag een visje bij Uwe in de haven van Aschendorf. Mijn Duits is very good.

‘Mijn vrouw genoot ook altijd van die uitjes naar Duitsland. We hebben veel gereisd samen, onze laatste vakantie was in 1994 naar Rusland, met de Estonia. Twee weken later leed deze veerboot schipbreuk, waarbij vele honderden mensen verdronken. Daarvan heb ik nachtenlang wakker gelegen – voor hetzelfde geld was het ons overkomen.’

Op wat voor fiets maakt u uw tochten?

‘Kleine rondjes hier in de buurt, van zo’n negen kilometer, maak ik op de Gazelle. Die is nog van mijn vader geweest, en dus behoorlijk oud. Hij was een lieve man die altijd goed voor mij heeft gezorgd, dus zorg ik goed voor zijn fiets. Ik heb er pas een nieuwe koplamp op gezet. Langere tochten maak ik op de elektrische fiets – ook in Duitsland gekocht, want veel goedkoper. Ik zet hem altijd op stand 1, zodat ik nog spierkracht gebruik bij het trappen. Alleen in moeilijke omstandigheden, zoals hellingen en fikse tegenwind, zet ik hem op 2. Het stoort mij dat de meeste mensen op een elektrische fiets iedereen in loeiende vaart voorbij fietsen, in stand 2 of 3. Daar heb je toch niks aan, dan gebruik je je spieren helemaal niet en kun je net zo goed met de scooter of de auto gaan. Mijn vouwfietsje neem ik mee in de auto als ik naar Duitsland ga, voor als ik daar een tochtje wil maken.’

Hoe ervaart u de ouderdom, met zo veel pijn?

‘Zonder die pijn zou ik een gat in de lucht springen. Ik ga bijna nooit naar de dokter, ik weet zelf wel wat ik moet doen. Ik smeer die zalf van Rossmann, doe oefeningen en slik paracetamol. Eigenlijk voel ik mij heel jong. Van mijn fietstochten word ik nooit moe. Als mijn achterkleinkinderen komen, kruip ik met ze over de grond en doe ik net alsof ik een hond ben, en zeg: ‘Zal ik je pakken?’ Dat vinden ze prachtig!

‘Die pijn is alleen verschrikkelijk. Het slapen is hopeloos, elke nacht word ik er een paar keer wakker van. Als jonge vent, ik was 30 jaar, heb ik een whiplash opgelopen. Voor mijn werk als vertegenwoordiger van handelsmaatschappij R.S. Stokvis reed ik op een dag van Hoogeveen naar Emmen. Onderweg stond een dragline, waar je voor moest stoppen en wachten. Terwijl ik stopte, hoorde ik de piepende banden van een remmende auto achter mij – in volle vaart reed hij tegen mijn auto aan. Ik schoot naar voren en naar achteren, mijn stoel brak en uiteindelijk rolde ik met stoel en al naar achteren. Een arts zei dat ik een whiplash had. Dat is dus zeventig jaar geleden, en ik heb er nog steeds last van, vooral sinds mijn vrouw er niet meer is. Twee jaar lang heb ik thuis voor haar gezorgd, haar opgetild en in bed gelegd als ze uit bed viel. Dat was mooi om te doen, maar vergde veel, ze was tamelijk groot, 70 kilo.’

Hoe heeft u haar ontmoet?

‘Ik was 18, had net een NSU-motor gekocht en reed ermee van Nieuw Scheemda naar Appingedam, waar een gondelvaart was. Op straat stonden een paar meisjes te giebelen. Sophie was de vrolijkste van het stel. Ik vroeg waar ze vandaan kwam. ‘Uit Ten Boer’, zei ze. ‘Moet je daar straks helemaal naar toe fietsen? Weet je wat, leg je hand op mijn schouder, dan rijd ik je met de motor zo naar huis.’ En zo is het begonnen. Ik had nog nooit serieuze verkering gehad, wel een zoen van een meisje op de middelbare school, en een kalverliefde met een domineesdochter uit Sneek – ik maakte het uit omdat ik Sneek te ver weg vond van Groningen.’

Hoe kijkt u terug op uw jeugd?

‘We waren een hecht gezin en lachten heel wat af met elkaar. Ik had een oudere broer en een jongere zus. Armoede heb ik niet gekend. We hadden een grote tuin, waar mijn vader groente en fruit verbouwde, waar we het hele jaar van konden eten. Op een dag kocht mijn vader een biggetje dat hij in de schuurt hield. Het beestje werd natuurlijk groter en groter. De slager kwam om hem te slachten. Hij hing het beest aan zijn achterpoten aan een ladder tegen de muur van ons huis en sneed hem open. De ingewanden werden eruit gehaald, het vlees werd in stukken gesneden en aan haken in onze keuken te drogen gehangen. Mijn grootmoeder kwam om mijn moeder te leren hoe ze van de darmen en het bloed bloedworst kon maken. We hebben jaren van het varken gegeten, steeds een klein stukje.

‘Mijn vader had een manufacturenzaak, die hij helemaal zelf had opgebouwd. Hij moest hard werken om de lening af te betalen van het grote herenhuis dat hij had gekocht in Nieuw Scheemda, een dorp in Oost-Groningen, waar we woonden en hij werkte. Zijn klanten waren vooral rijke herenboeren in de provincie Groningen, zoals Knotnerus en Barlagen. Drie meisjes had hij in dienst om kleding voor ze te maken. Mijn vader nam de maat op, kocht mooie stoffen in en bezorgde de pakken en jassen aan huis. Hij was de enige in het dorp met een auto. Ik mocht naar de mulo, ook dat was bijzonder in die tijd. Het was elke dag twintig kilometer heen en twintig kilometer terug fietsen. Daar is dat fietsen van mij begonnen.’

Was werken voor u een plicht of heeft u er ook plezier in gehad?

‘Ik deed het met veel genoegen. Het was aanpakken, lanterfanten was er niet bij. Ik kan wel zeggen dat ik als vertegenwoordiger bij R.S. Stokvis veel succes had, vaak had ik de hoogste omzetcijfers. Ik verkocht geisers, radiatoren, gasleidingen en noem maar op. We kregen een cursus psychologie, om te leren zien of een klant eerlijk is of niet, of hij bijvoorbeeld een wanbetaler is. Dat zie je aan de oogopslag. Zo ben ik altijd naar mensen blijven kijken.

‘Na de oorlog werden er veel nieuwe woningen gebouwd. In de keukens moesten geisers voor warm water worden geïnstalleerd. Daar heb ik er duizenden van verkocht. Nadat eind jaren vijftig de gasbel in Groningen werd gevonden, gingen de huizen van het butagas af en werden leidingen aangelegd die geschikt waren voor aardgas. Ik reisde het hele land door, tot aan Zierikzee, om installateurs uit te leggen hoe ze dat moesten doen – ik was de enige die dat wist.’

Is er iets wat u verbaast aan de huidige tijd?

‘Op tv hoor je dat jongens van nog maar 11, 12 jaar buiten rondhangen, zuipen en rommel slikken – met van die ballonnetjes. Dan denk ik: wat is de tijd veranderd. Op die leeftijd was ik altijd aan het werk, als je vrij was, ging je je ouders helpen.’

Bij het afscheid loopt Jan van der Laan mee naar buiten, kaarsrecht. Hij laat het bloeiende deel van zijn tuin zien dat hij net winterklaar heeft gemaakt. Terwijl onze wegen zich scheiden, loopt de 100-jarige met zijn afvalcontainer van de stoep de achtertuin in, en roept nog na: ‘Als je hulp nodig hebt bij een klus, bel je maar.’

Jan van der Laan

geboren: 11 augustus 1925 in Nieuw Scheemda

woont: zelfstandig, in Tynaarlo

familie: twee kinderen, twee kleinkinderen, vier achterkleinkinderen

beroep: administrateur en vertegenwoordiger

weduwnaar sinds 2019

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next