Leeft een rivier?, vraagt de Britse schrijver Robert Macfarlane zich provocerend af in zijn gelijknamige, en volgens hemzelf urgentste boek ooit. Is het een rare vraag, of de enige juiste als we onze relatie met de natuur willen verbeteren?
is boekenrecensent voor de Volkskrant.
De kans bestaat dat u (net als uw interviewer van dienst) lichtelijk opstandig wordt van mensen die beweren dat rivieren een persoonlijkheid hebben, net als een ziel, een geweten, een wil en een doel; dat je rivieren kunt kwetsen, omdat rivieren leven.
Mogelijk denkt u: wat een zweverige onzin. Rivieren leven helemaal niet. De vissen en de planten erin leven. De rivier zelf niet. Dat is een combinatie van H₂O en de zwaartekracht, meer niet.
‘Ik begrijp dat je zo redeneert’, zegt de Britse schrijver Robert Macfarlane (1976). ‘Ik werk aan de Universiteit van Cambridge, dus ik ken genoeg rationalisten. Maar als je het ongemakkelijk vindt de vraag te beantwoorden of rivieren leven, probeer voor jezelf dan in elk geval deze vraag te beantwoorden: kan een rivier dood zijn?’
Is een drooggevallen rivier gestorven? Is een rivier die groen is uitgeslagen van het industriële afval, waarin alle vissen met hun buik omhoog drijven, dood? En zo ja: wat was de rivier dan voordat hij stierf?
Leeft een rivier? Dat is de vraag die Macfarlane zichzelf op alle mogelijke manieren stelt in zijn gelijknamige en volgens hemzelf meest urgente boek ooit. Urgenter dus dan zijn debuut Hoogtekoorts (2003), dat gaat over de relatie tussen ‘het landschap en het menselijk hart’, waarmee hij direct drie prijzen won. Urgenter ook dan De laatste wildernis (2007), waarin hij onderzoekt hoeveel wildernis er nog over is in Groot-Brittannië, en urgenter dan Benedenwereld (2019), waarin hij afdaalt in het onderaardse van zowel de literatuur als de fysieke aarde.
Al sinds de publicatie van uw eerste boek wordt u een van de beste natuurschrijvers van uw generatie genoemd. Waarom besloot u…
Macfarlane trekt een grimas en begint nee te schudden.
Heb ik iets verkeerds gezegd?
‘Nou, ik wil natuurlijk niets vervelends zeggen over die lof, maar het gaat me om het woord ‘natuur’ in natuurschrijver. Daar hou ik niet van. Het is vaag en het is kitsch. Bovendien is het een tautologie, want alle teksten zijn natuurteksten. In elk boek komt natuur voor. Alle leven op aarde is op een veel te dramatische wijze met elkaar verstrengeld om alles zomaar onder te verdelen in aparte categorieën, en de natuur vervolgens te reduceren tot iets romantisch waar je doorheen kunt wandelen.
‘In mijn beleving is de natuur niet interessant omdat het iets losstaands is, maar juist omdat het in al zijn veelvoud en complexiteit raakt aan de woede, de liefde, het verdriet, het verlies en de hoop waarmee ook veel mensen leven. Het is prima dat er een lezerspubliek is dat vanuit een luie stoel geniet van een geromantiseerde versimpeling van de natuur, maar daar heb ik eerlijk gezegd geen tijd voor. Voor dat soort boeken voelt de afbrokkelende ecologische rand waarop we balanceren voor mij veel te urgent.’
Het gevolg: een boek waarin mens en natuur onmogelijk van elkaar te scheiden zijn, al was het maar omdat we rivierwater drinken, vrijwel al onze belangrijkste steden zijn gesticht op de oevers van rivieren, zowel onze hersenen als ons hart voor driekwart uit water bestaat en we bovendien al ‘zwommen voordat we liepen, ons als vrijduikers wentelend in de donkere flotatietank van de baarmoeder’.
Toch lijken we ons, ondanks die evidente, onlosmakelijke vervloeiing tussen water en mens, de afgelopen decennia steeds minder bewust van die ecologische en hydrologische oorsprong van onze maatschappijen, stelt Macfarlane in het begin van zijn boek. Water is in sommige landen zelfs helemaal ontdaan van zijn complexe sociale en metafysische inhoud en gereduceerd tot een schoonmaakvloeistof.
‘We zijn steeds meer ‘waterdicht’ geworden’, schrijft Macfarlane. Vanwege onze westerse ratio zijn we ‘conceptueel afgeschermd van subtiele, gevarieerde relaties met rivieren, zelfs al blijven ze ons lichaam, onze gedachten, liedjes en verhalen irrigeren’, met als gevolg dat steeds meer rivieren vervuild raken, worden ingedamd, opdrogen en ja: sterven.
Gelukkig is er een vraag die de relatie tussen mens en rivier kan verbeteren, namelijk: leeft een rivier? Om die vraag te beantwoorden bezoekt Macfarlane (voor wie het schrijven van dit boek zelfs zó’n levensveranderende ervaring bleek dat de binnenkant van zijn rechterpols sinds een jaar is opgeleukt met een tatoeage van het Soemerische symbool voor rivier) drie verschillende landschappen.
Het eerste is het mistige Ecuadoriaanse nevelwoud Los Cedros, waar het nooit stil is en de bron ontspringt van de Río Los Cedros. Het tweede zijn de gewonde, vergiftigde en met vuilnis bezaaide kreken, lagunes en riviermondingen van de waterstad Chennai, in het zuidoosten van India. En het derde is het wilde en woeste binnenland van Nitassinan in Canada, waar de onstuimige en oeroude Mutehekau Shipu stroomt.
Waarom koos u specifiek voor deze drie gebieden om te onderzoeken of rivieren leven?
‘Eigenlijk zijn het er vier, want ik begin bij de rivier waar ik meerdere keren per week langsloop, vlak bij mijn huis net buiten Cambridge. Ik vond het belangrijk een rivier in Azië te beschrijven, eentje in Zuid-Amerika, eentje in Noord-Amerika en dus een in Europa. Gaandeweg kwam ik er pas achter dat de drie belangrijkste rivieren in het boek twee dingen gemeen hebben: ze worden met de dood bedreigd – door mijnbouw in Ecuador, door vervuiling in India en door indamming in Nitassinan – en ze zijn de laatste jaren een radicaal nieuwe rol gaan spelen binnen de lokale wet.’
Macfarlane doelt daarbij op de mondiale trend om de natuur rechten toe te kennen. Dat onderwerp kwam vijftig jaar geleden voor het eerst op de agenda, maar raakte vooral de laatste jaren in een stroomversnelling. Zo worden inmiddels in de hele wereld, van Latijns-Amerika tot aan Europa, rivieren erkend als rechtspersoon, zodat vervuilende bedrijven en overheden voor de rechter kunnen worden gedaagd namens die rivieren.
Soms levert dat iets op, vaker stuit het op scepsis en tegenstand. Zo beschrijf Macfarlane hoe een inwoner van de Indiase stad Agra in 2017 aangifte deed van een poging tot ‘fluvicide’, rivierenmoord, van de plaatselijke rivier Yamuna, die net daarvoor immers door het hooggerechtshof was erkend als levende entiteit. De man werd hard uitgelachen op het politiebureau.
Had u ook een hoofdstuk kunnen schrijven over de vraag of de Rijn leeft, een rivier waarvan vrijwel elke centimeter wordt gebruikt om geld te verdienen? Of leven alleen de exotische, wilde rivieren die u in Canada, India en de Amazone trof?
‘Ik denk dat elke rivier die kan sterven, bijvoorbeeld wanneer de ecologische gezondheid ervan tot nul daalt, op dit moment leeft. Ook de Rijn, dus. Maar als ik daarover een hoofdstuk had geschreven, had ik die rivier wel een andere vraag gesteld dan de rivieren in de Amazone of in Canada. Nederland heeft namelijk te maken met een aantal heel bijzondere uitdagingen. Bij jullie wordt water strenger en drastischer – je zou ook kunnen zeggen: succesvoller – gemanipuleerd dan in welk ander land ter wereld ook.
‘Dat is een fascinerend gegeven. Welke gevolgen heeft dat voor jullie omgang met rivieren? Zijn jullie daardoor minder bereid rechten toe te kennen aan Nederlandse rivieren? Of is er vanwege jullie eeuwenlange en nationale gesprek met het water juist meer begrip voor dat soort ideeën?’
Wij Nederlanders ontlenen veel van onze nationale waarden aan de strijd tegen het water. Als onze rivieren zouden leven, zouden we ze denk ik vooral als vijand zien. Iemand die we moeten indammen, omdat hij anders ons land terugpakt.
‘Ik begrijp goed dat Nederland vanuit geohistorische redenen het water als tegenstander ziet. Daarvan hebben bovendien veel andere landen de vruchten geplukt. Jullie ingenieurs hebben ook hier in Cambridge geholpen met het droogleggen van de Fenlands, wat de groei van deze stad mogelijk maakte.
‘Toch denk ik dat de controlerende relaties die we de afgelopen eeuwen met rivieren zijn aangegaan op de lange termijn ook nadelig voor ons zullen zijn. Zonder rivieren hebben wij geen leven meer, en daarvoor zullen we moeten accepteren dat rivieren van nature eigenwijs zijn. Dat ze niet volledig te controleren zijn.’
Wat ik vooral bedoel te zeggen is dat we niet per se goed omgaan met iets dat leeft. Varkens in de bio-industrie behandelen we abominabel. Terwijl sommige bedrijven, die overduidelijk niet leven, veel meer rechten hebben dan mensen.
‘Er worden momenteel zelfs hele groepen mensen onderworpen aan massamoord en genocide. Dus het leven, zowel van mensen als van dieren, is absoluut geen garantie voor bescherming. Mijn boek is een poging te onderzoeken in hoeverre we rivieren anders gaan behandelen als we ze zien als wezens die leven, en dus kunnen sterven. Het is een gedachte-experiment.
‘Zoals je misschien weet, is ons rivierensysteem in Groot-Brittannië volledig ingestort. We hebben geen enkele rivier over die nog in een goede algehele gezondheid verkeert. Eerst waren ze niet langer drinkbaar, vervolgens niet langer bezwembaar en uiteindelijk niet eens meer aanraakbaar.
‘Je kunt dus best stellen dat het privatiseringsmodel dat we de afgelopen decennia hebben losgelaten op de Britse rivieren, waardoor rivieren een gebruiksvoorwerp zijn geworden, iets om te managen, aantoonbaar is mislukt. Door de vraag te stellen of rivieren leven – een vraag die in andere culturen en in andere rechtsgebieden wel openlijk wordt gesteld – hoop ik dus vooral te provoceren. Misschien is het wel hoog tijd om terug te keren naar die andere, oudere ideeën uit het animisme over de relaties tussen mensen en rivieren.’
U zei net dat van alle volkeren ter wereld Nederlanders het succesvolst, of meest vergevorderd, zijn in het beteugelen van het water. Tegelijkertijd bleek onlangs uit onderzoek dat alle 745 oppervlaktewateren in Nederland verontreinigd zijn. Misschien gaan mensen en rivieren helemaal niet goed samen.
‘Behalve dat ze hier in Noord-Europa al twaalfduizend jaar samen zijn opgetrokken. Sinds het smelten van de permafrost aan het einde van het pleistoceen, zijn de rivieren gaan stromen en brak ook de periode van menselijke bloei aan. Als de geschiedenis iets leert, is het wel dat de mensheid kon floreren dankzij rivieren. We bouwen onze steden naast ze, we reizen op ze, het zijn stuwende en krachtige actoren binnen de menselijke geschiedenis.
‘Alleen lijken we precies dat belangrijke gegeven – dat het lot van mensen en rivieren samenvloeit – te zijn vergeten. Europa heeft momenteel het meest gefragmenteerde riviersysteem ter wereld, in die zin dat er ongeveer een miljoen barrières zijn die de vrije stroming in onze rivieren belemmeren. Dat leidt tot allerlei ecologische rampen die ook gevolgen hebben voor de volksgezondheid. Er zijn daarom echt andere ideeën nodig.’
Want nieuwe ideeën zorgen voor verbetering?
‘Rivieren hebben gelukkig de eigenschap zich snel te herstellen. Kijk bijvoorbeeld naar Zwitserland. Dat was echt de vieze man van Europa – in de jaren zestig was er zelfs een tyfusuitbraak omdat het oppervlaktewater daar zo smerig was.
‘Maar vervolgens zijn ze gaan inzien dat water zorgt voor een sociale en creatieve kracht in hun steden en in hun levens, zijn ze gaan investeren, en inmiddels heeft Zwitserland zo ongeveer het schoonste water van heel Europa. Ze proberen hun rivieren wat minder te temmen, laten ze meanderen via uiterwaarden – rivieren zijn daar weer deel gaan uitmaken van de oorspronkelijke geografie. Ik hoop dat dit soort voorbeelden mensen laten zien wat rivieren kunnen zijn.
‘Wat ik in dit boek heb geprobeerd, is laten zien dat we de natuurlijke wereld niet hoeven dood te zwijgen. De crisis die we op ecologisch en politiek niveau doormaken en die een crisis van planetaire omvang is, is uiteindelijk ook een crisis van verbeeldingskracht.
‘Het is daarom belangrijk om revolutionair anders te kijken naar de grenzen die we ooit hebben getrokken tussen leven en dood, en dus tussen beschermen en niet beschermen. Wanneer we puur in financiële termen over rivieren blijven praten, blijft het veel te gemakkelijk om ze uit te buiten. Pas wanneer we over ze gaan spreken in termen van vriendschap, leven, of ja, zelfs van liefde, dan kunnen we beginnen met het verbeteren van onze onderlinge relatie.’
U twijfelde even bij het woord liefde. Schaamt u zich daarvoor?
‘Dat is precies de erfenis die ieder rationeel gevormd mens meetorst, want hoe kun je in hemelsnaam spreken van liefde voor een rivier? Dat is raar. Maar ik ben opgegroeid als bergbeklimmer – mijn grootouders beklommen de Ben Nevis nog met touwen en helmen toen ze al boven de 70 waren – en net zoals ik prima hardop kan zeggen dat ik van bergen hou, zo zeg ik inmiddels ook trots dat ik van rivieren hou.
‘De Amerikaanse schrijver Raymond Carver schreef vlak voor zijn dood een prachtig gedicht over rivieren dat eindigt met de zinnen: ‘It pleases me, loving rivers./ Loving them all the way back/ to their source./ Loving everything that increases me.’ Dat vat wat mij betreft alles samen: rivieren doen ons groeien. Rivieren vertellen verhalen, verbinden mensen met plaatsen, ze verbinden herinneringen met de tijd. Dus ja, het verdiepen van onze relaties met rivieren, onder meer via verhalen, voelt voor mij als belangrijk werk.’
Maar ook als moeilijk werk, zo geeft Macfarlane meermaals toe in zijn boek. ‘Ik vraag me af hoe ik in hemelsnaam over de anima van dit gebied moet schrijven; welke taal beantwoordt aan zijn krioelende, relationele wezen, uitdrukking kan geven aan dit smaragdgroene, epifytische pluriversum, waarin de verschillende gedaanten van levensvormen en manieren van leven niet van elkaar zijn te onderscheiden.’
‘Soms’, zegt hij, ‘heb je tijdens zo’n reis langs een rivier zulke prachtige, rijke en fundamenteel onuitspreekbare ervaringen, dat je als schrijver nieuwe manieren moet vinden om woorden te verdraaien, te roteren of in een vreemde relatie met elkaar te brengen om alles toch goed te kunnen uitdrukken.’
U schrijft in uw dankwoord dat dit toch is gelukt doordat de door u bezochte rivieren als coauteurs meeschreven aan dit boek. Bedoelt u dat letterlijk?
‘Jazeker. En dat zoiets raar klinkt, is weer een voorbeeld van de fundamenteel antropocentrische manier waarop we al onze instituties en systemen hebben ingericht. In het auteursrecht is er bijvoorbeeld geen plek voor een niet-menselijke entiteit. Dat gaat binnenkort vast veranderen vanwege de opkomst van AI, maar ook bij dit boek zijn die rivieren echt coauteurs. Ik had het niet kunnen schrijven als ik niet naar ze toe was gereisd, als ik niet door hen was beïnvloed en vervoerd.
‘Vooral bij het laatste hoofdstuk, over de Mutehekau Shipu in Canada, had ik echt het gevoel dat de woorden die door mij heen gingen van buitenaf kwamen. Het klinkt vast vreemd en zweverig, maar het voelde oprecht alsof ze werden geschreven door die grote rivier.’
Als de rivieren coauteurs zijn, waarom staan hun namen dan niet op de cover?
‘Dat is een zeer terechte vraag. Ik heb daar wel over nagedacht en ik noem de rivieren ook in het dankwoord, maar het voornaamste probleem was dat het meerdere rivieren zijn, vaak met lange namen bovendien, waardoor het nogal druk zou worden op de cover. Aan de andere kant: dat is natuurlijk precies hoe je vooroordelen verandert. Zou jij het raar vinden als ik de rivieren als coauteur had genoemd op de cover?’
Niet als ik me zou verdiepen in de gedachte erachter. Maar als ik nietsvermoedend een boekwinkel zou binnenlopen en daar een boek zou zien dat was geschreven door een rivier, zou mijn eerste gedachte helaas toch zijn: wat een esoterisch gelul.
‘Ja, dat snap ik volkomen. En ik denk ook dat het heel goed is om sceptisch te zijn tegenover bepaalde vormen van oppervlakkigheid en kitsch. Maar zoals ik zei: het bestrijdt wel het vooroordeel dat alleen mensen in staat zijn tot creativiteit.
‘In het boek beschrijf ik hoe we met de groep waarmee we door Los Cedros reizen een lied maken, The Song of the Cedars. Voor dat lied namen we geluiden uit het bos op – brullende apen, knisperende bladeren, de stromende rivier – en momenteel proberen we via een Ecuadoriaanse rechter of het mogelijk is Los Cedros zelf morele auteursrechten toe te kennen, aangezien het letterlijk een van de coauteurs is. De eerste rechtszaak hebben we verloren, op grond van het feit dat een bos levenloos is. Maar we gaan in hoger beroep en houden vol.
‘In het boek zegt een van de personages op een gegeven moment tegen mij: ‘Zo’n rivier kan goddomme een bérg splijten, een berg van het oudste, hardste gesteente op aarde. Wou jij beweren dat hij niet ook ideologische bouwwerken kapot kan maken, dat die god niet in de een of andere gedaante minstens een paar van de grote concepten uit de doodsstrijd van het kapitalisme kan slopen?’Ik denk dat daar veel waarheid in zit.’
1976 Geboren in Nottinghamshire. Zijn grootouders zijn fanatieke bergbeklimmers en brengen hem al vanaf jonge leeftijd een liefde voor de natuur bij.
2000 Begint aan een promotietraject over Britse literatuur aan de Universiteit van Cambridge, waar hij nog altijd werkt als Fellow.
2003 Publiceert zijn eerste boek, Mountains of the Mind (Hoogtekoorts). The Irish Times omschreef het boek als ‘een nieuwe vorm van natuurschrijven, wellicht zelfs de geboorte van een heel nieuw genre’.
2007 The Wild Places (De laatste wildernis), over zijn zoektocht naar de laatste wildernis in Groot-Brittannië, wordt een groot succes. Ook de boeken die hij daarna schrijft, waaronder The Old Ways (2012), Landmarks (2015) en Underworld (2019), worden bestsellers. In totaal wint Macfarlane negentien prijzen.
2017 Schrijft het scenario voor Mountains, de succesvolste Australische documentaire aller tijden, met een voice-over van Willem Dafoe.
Macfarlane is betrokken bij meerdere organisaties die zich inzetten voor natuurbeheer. Hij is getrouwd met de Britse hoogleraar sinologie Julia Lovell. Ze hebben samen drie kinderen.
Robert Macfarlane: Leeft een rivier? Uit het Engels vertaald door Nico Groen. Athenaeum; 416 pagina’s; € 29,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant