De moeder van Maartje Martisan wilde eigenlijk nog maar één ding: humaan sterven. En dat is gelukt. ‘Ik wilde erbij zijn als ze stierf, maar ik kreeg er ook nachtmerries van.’
interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine
Maartje Martisan (44, therapeut en kunstenaar): ‘Toen ze 70 was, zei mijn moeder: ik wil dood. Ze was altijd al somber, en ik was daar als enig kind van gescheiden ouders erg bij betrokken, ik heb haar in de puberteit naar menig therapeut gebracht. Ik was 16 toen ik het huis uitging, dat was een goede zet. Maar het contact tussen mij en mijn moeder is altijd gebleven. Toen ze zei te willen sterven, begreep ik dat eigenlijk wel. Ze was eenzaam, boos op alles en iedereen, haar leven had weinig betekenis meer. Zes dagen per week zat ze alleen thuis, de zevende ging ze naar het winkelcentrum in Malden om boodschappen te doen. Naar de supermarkt, en af en toe naar de speelgoedwinkel voor een varkentjesknuffel, die ze spaarde. Of een cadeautje voor haar kleinkinderen, mijn dochters van 6, 9 en 12. Verder had ze weinig. Ze was chronisch vermoeid, leed aan trauma en reumatische pijnen, ik dacht: je hebt het nog lang volgehouden, mam.
‘Haar woorden waren altijd: ‘Ik wil naar het hiernamaals’. Daar was Theo, een man die ze van vroeger kende. Ze hadden nooit een relatie gehad, maar hij was wel belangrijk voor haar. Via een medium heeft ze contact met hem gezocht. En dat bleef: doordat er spullen in huis werden verplaatst of doordat hij andere signalen gaf, een blad van een appelboom op haar bed, voelde ze zijn aanwezigheid. Ik ben opgeleid als verpleegkundige en had volgens de oude stempel geleerd om dingen te zeggen als: ‘Jij ziet hem misschien, maar ik zie hem niet’. Ben ik mee gestopt. Dat werkte voor haar helemaal niet erkennend. Ik ben inmiddels systemisch therapeut en merk dat gewoon nieuwsgierig vragen stellen veel beter voor verbinding zorgt. Dus ik vroeg: ‘Is Theo nog geweest?’
‘Natuurlijk heb ik geprobeerd haar uit haar depressies te halen, op te monteren, in beweging te krijgen, mijn halve leven ben ik daarmee bezig geweest. Maar als therapeut akker je ook je eigen jeugd en levensloop eindeloos door en daarvan leerde ik: dat is, als dochter, niet mijn rol. En vanaf het moment dat ik haar helemaal accepteerde, niet meer tegen haar geklaag en gemopper inging, kwam er rust. Zo heb ik ook haar doodswens aanvaard.
‘Het was haar en mijn wens dat ik erbij kon zijn als ze stierf. Ze had het contact met al haar familie verbroken, ik was de enige die haar kon vasthouden en knuffelen als ze ging. Maar ik kreeg er ook nachtmerries van. Stel dat ze het met helium wilde doen, daar had ze over gelezen, en ik was daar bij aanwezig, zou ik dan, juist als ik knalhard in de rouw zat, door de politie worden gehaald? Ik wilde ook gewoon moeder kunnen zijn voor mijn kinderen en niet in een rechtszaak belanden.
‘Op een dag las mijn moeder over de Sarco in Zwitserland, de ‘zelfdodingcapsule’ waarin je humaan kunt sterven. Dat wilde ze. Ze had hier in Nederland al gesprekken gevoerd met de levenseindekliniek, maar de wachtlijst van twee jaar duurde haar te lang.
‘Ik deed inmiddels, naast mijn werk, de fotoacademie en daar had een docent gezegd: fotografeer de weg die je moeder aflegt als afstudeerproject. Ik aarzelde, maar ik ging mijn moeder toch volgen met mijn camera, en zij stemde daarmee in. Ze werd zelfs enthousiast voor het project. Toen ze met de Sarco bezig was, zei ze: ‘Dan fotografeer jij mij als Sneeuwwitje in haar glazen kist’. We hebben foto’s gemaakt waarop ze een kroontje uit de feestwinkel draagt. Ze had ook humor, hoor.
‘De Sarco is het niet geworden, maar we kwamen wel in Zwitserland terecht. Daar is hulp bij zelfdoding, anders dan in Nederland, legaal. Er zijn meerdere organisaties voor voluntary assisted dying. Mijn moeder koos voor Pegasos. Een psychiater heeft vastgesteld dat ze wilsbekwaam was, er zijn meerdere professionals bij betrokken. Dat gaf rust. Zo kon ik haar dochter zijn, en niet haar therapeut.
‘Met mijn auto zijn we samen naar Basel gereden. Daar hebben we een nachtje geslapen in een hotel vlakbij Pegasos. Best gek daar, want je weet dat er mensen aan het ontbijt zijn die ook die dag gaan sterven, terwijl er ook gewoon toeristen over de plattegrond gebogen zitten om iets leuks te gaan doen die dag.
’s Ochtends hebben we nog even naar huis gebeld. Mijn oudste dochter vroeg: ‘Vindt de dokter het goed, oma?’ Ja, de dokter vindt het goed. Ik heb mijn moeder een kaart gegeven en haar een mooi hiernamaals gewenst, als een soort afscheidsritueel. Daarna was het zover.
‘Mijn moeder mocht op bed gaan liggen, ze kreeg een infuus met Pentobarbital zur Sterbehilfe. Kijk, ik heb het gefotografeerd. Zij moest aan het wieltje draaien om het open te zetten, het is belangrijk dat je dat zelf doet. Nou, ze zette de vaart erin. Ze had een foto van Theo op bed, een foto van de kleinkinderen en een speakertje met haar eigen muziek. Ik ging naast haar liggen – ik kon haar in mijn armen nemen, zoals ik altijd had gehoopt – en binnen een paar minuten was het gepiept. Ik voelde haar huid veranderen. Ik aaide haar, herhaalde steeds: het is goed, mam, het is oké. Ze was heel snel weg.
‘Terug in het hotel heb ik erg gehuild. We hadden ’s ochtends nog samen onze tanden staan poetsen, nu was ik daar alleen, dat was heftig. Maar toen ik de volgende avond op een berg zat, in een Frans huisje dat ik voor de terugweg had geboekt, voelde ik me rustig. En dankbaar. Humaan sterven, dat wilde ze, en het was gelukt.
‘Mijn moeder is in Zwitserland achtergebleven, de mensen van Pegasos hebben voor de crematie gezorgd. Een uitvaart wilde ze niet, en voor mij was het ook geen noodzaak, ze had zo weinig contacten. Maar ze had wel een missie; mensen laten weten dat het kán, op een menswaardige manier sterven. Nu ben ik met een kunstproject bezig over haar dood. Voor mezelf als rouwverwerking, voor anderen die er iets in herkennen, maar dus ook voor haar.
‘Ik heb foto-exposities gemaakt en er komt ook een boek aan, en een documentaire. Bij de tentoonstelling die ik in haar eigen huis heb gemaakt, had ik een wand beschilderd met woorden van mijn moeder: ‘Wat een kutleven’, bijvoorbeeld, en ‘Mijn vader schreeuwde altijd naar me, nooit deed ik het goed’. Door haar jeugd is ook de mijne niet makkelijk geweest, met een depressieve moeder en later een complexe scheiding. Maar ik heb wel altijd liefde gevoeld en dat maakt alles uit, zie ik in mijn spreekkamer. Ook van mijn vader: hij gaat naar de expositie op elke locatie, terwijl die toch over zijn ex gaat. Om mij te steunen, dat is zo lief van hem.
‘Mijn boze moeder mis ik niet, maar ik mis wel de moeder die van me hield. En ik mis haar in omavorm: even een foto van de kinderen appen, het is zo gek dat dat niet meer kan. Maar verder is het goed zo. We hebben samen over mijn jeugd gesproken, en toen heeft ze gezegd dat ze het zo niet gewild had voor mij. Dat is belangrijk geweest. Ik ben er het levende bewijs van dat je intergenerationeel trauma kunt doorbreken.’
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant