Naroepen, intimidatie, betast worden en zonder toestemming gezoend worden op de mond: Vera van der Gaag (19) beschrijft hoe een avondje uit op een zaterdag in Utrecht eruit ziet.
Ik fiets weg. Nog geen twee seconden zit ik op mijn zadel of het begint al. ‘Meisje, meisje, mag ik je Snap?’ Ik negeer het. Boos klinkt het antwoord: ‘Je bent toch tering
lelijk.’
Ik fiets verder. Langs een groep mannen die zeker twintig jaar ouder zijn dan ik. ‘Zo, jij gaat zeker naar een feestje. Sexy hoor.’ Ik hou mijn ogen op de weg gericht. Trap harder.
Dan het stoplicht. Een auto rijdt langzaam naast me en stopt precies waar ik moet wachten. Twee mannen draaien hun raampje naar beneden. Ze zeggen niets. Staren alleen maar. Ongemakkelijk lang. Dan: ‘Ik zou jou wel eens willen neuken. Kom je mee naar huis?’ Gelukkig komt er een auto achter hen die toetert. Lachend rijden ze weg.
Over de auteur
Vera van der Gaag (19) is student.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Ik haal opgelucht adem en kom eindelijk aan in de stad. Ik zet mijn fiets in de stalling. De man die mijn kaartje scant zegt: ‘Mooi meisje.’ Ik lach ongemakkelijk.
Ik ben iets te vroeg en ga op een bankje zitten. Plotseling schuift er een man naast me. ‘Wacht je op iemand of ben je alleen?’
‘Ik wacht op iemand’, zeg ik. ‘Jammer’, antwoordt hij. ‘Anders mocht je met mij mee naar huis.’ Hij vraagt mijn nummer. Ik zeg nee. Zijn gezicht vertrekt. Boos. Ik voel de angst en loop weg, sneller dan normaal. Hij roept me nog iets na maar ik kijk niet achterom.
Even later fiets ik langs een groepje jongens. Ik hoor ze praten. Over mij. Of ze me zouden doen. Dan eindelijk: een appje van mijn vriendin. Ze is er. Opluchting.
We besluiten nog even een rondje te lopen om bij te praten. Ook samen worden we aangestaard. Nageroepen. Het zijn er zoveel dat ik niet eens meer kan horen wat ze precies zeggen. We negeren het, omdat we niet beter weten. Maar stiekem voel ik de angst. Zij ook, hoor ik later.
Een man fietst zwijgend naast ons mee. Hij zegt niets. Staart alleen. Tot hij ineens zijn fiets dwars voor de uitgang van het straatje zet. We staan stil. ‘Sorry, mogen we er langs?’ vraag ik voorzichtig. ‘In ruil voor je nummer’, zegt hij. Ik geef hem een nepnummer. Mijn handen trillen.
We komen aan bij de club. Twee jongens spreken ons meteen aan. We zeggen dat we geen interesse hebben. Ze druipen af. Ik adem diep uit, alsof ik al die tijd mijn adem had ingehouden.
We dansen. We lachen. We doen alsof het een normale avond is. Maar in de hoek zie ik een man die niet ophoudt met staren. Ik probeer hem te negeren.
Dan twee anderen. Eerst kijken ze. Dan zeggen ze iets. Ik schud mijn hoofd. Nog geen minuut later zijn ze terug. De een pakt mijn vriendin bij haar handen. De ander pakt mij vast bij mijn taille. Voor ik het weet drukt hij zijn mond op de mijne. Ik draai mijn hoofd weg. Hij houdt me vast. Zijn handen gaan naar mijn billen, mijn rok, mijn hals, mijn borsten. Hij schuurt tegen me aan.
Ik bevries. Het voelt alsof al mijn kracht weg is. Mijn hoofd zegt: doe iets. Maar mijn lijf blijft stijf staan. Paniek. Tranen die ik niet mag laten zien.
Ik zoek mijn vriendin. Ze is weg. Of nee – ik zie haar ineens weer. ‘Your friend is
fine’, zegt hij, terwijl ik mezelf los probeer te maken. Uiteindelijk vinden we elkaar terug. We wringen onszelf los en vluchten naar de wc. ‘Zullen we maar gaan?’, fluister ik. Ze knikt.
Buiten praten we na. We willen gewoon even zitten. Even lucht. Maar na een halve minuut schuiven er alweer mannen bij ons aan. ‘Hebben jullie gezelschap nodig?’ We glimlachen beleefd, te bang om bot te zijn. En lopen maar weer weg.
We gaan op een ander bankje zitten. Dan stopt er een auto. Vijf mannen kijken ons tegelijk aan door het open raam. Roepen dingen. We negeren ze. Gelukkig rijden ze weer door.
Nog meer mannen. Nog meer opmerkingen. Nog meer blikken.
We zijn er klaar mee. Dit is niet hoe de avond had moeten lopen. We geven elkaar een knuffel en gaan naar huis. Ik pak mijn fiets. ‘Leuk krat heb je’, zegt een man. ‘Dank je’, zeg ik zacht, ongemakkelijk. ‘Mag ik je zoenen?’, vraagt hij.
Ik fiets weg. Zo snel als ik kan. Ook nu nog roepen er mannen. Fluiten.
Eindelijk ben ik thuis. Ik voel me vies. Leeg. En het voelt vooral oneerlijk. Een avond waar ik zo naar had uitgekeken, werd stukje bij beetje van me afgepakt. Niet door één man. Niet door één opmerking. Maar door een eindeloze reeks van incidenten.
Dit is hoe mijn zaterdagavond eruitziet.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant