Verkiezingen Goede bedoelingen van partijen alom, in aanloop naar de verkiezingen. Maar toch dreigt een kater na 29 oktober. En die kan zich bij de verkiezingen dáárop wreken, schrijven Léonie de Jonge en Tom van der Meer.
Demissionair premier Dick SchoofFoto Bart Maat
Na de monsterzeges van de BBB (Eerste Kamer) en de PVV (Tweede Kamer) in 2023 kreeg Nederland het meest rechtse kabinet in de naoorlogse geschiedenis. Wat begon als een politieke aardverschuiving, eindigde in een bestuurlijk zinkgat: geen extraparlementair kabinet vol expertise van buiten, maar een hyperparlementair kabinet vol onervaren ministers en een partijloze premier. Omdat het kabinet-Schoof van de ene naar de andere interne crisis strompelde, werd het in België passend ‘kreupelkabinet’ genoemd.
Léonie de Jonge is hoogleraar rechtsextremisme-onderzoek aan de Universiteit van Tübingen.
Grote dossiers als stikstof, migratie en woningbouw werden vooruitgeschoven, terwijl democratische en bestuurlijke normen werden opgerekt. Dat past in een breder patroon: tussen democratie en bestuur ligt een inherente spanning. Politicoloog Peter Mair wees al in 2009 op de steeds lastigere balans van partijen tussen responsiveness (meegaan met de publieke opinie) en responsibility (bestuurlijke verantwoordelijkheid). Het kabinet-Schoof koos nadrukkelijk voor het eerste. In 2024 waren drie van de vier coalitiepartijen zelfs bereid democratische normen opzij te schuiven om het noodrecht in te stellen, enkel omdat mensen een asielcrisis zouden ‘ervaren’. Ondertussen werden de structurele problemen niet aangepakt.
Tom van der Meer is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.
Toch kunnen we de bestuurlijke stilstand niet louter op het conto schrijven van de afgelopen twee jaar. Hardnekkige kwesties worden al jaren vooruitgeschoven. Denk aan de woningmarkt, het belastingstelsel, de energie- en klimaatdoelen en vooral de aanhoudende stikstofcrisis die de economie en samenleving al jaren klemzet. Uitstelgedrag maakte deze problemen groter, complexer en duurder.
De schade is groot na jaren van onvervulde beloftes, vervuilde politieke verhoudingen, de normalisering van extreemrechts gedachtegoed en, vooral, bestuurlijk onvermogen. Politiek vertrouwen drijft op een overheid die levert, een politiek die de achterban inhoudelijk vertegenwoordigt, en een bestuur dat professioneel is. Is dat vertrouwen laag, dan wijken kiezers eerder uit naar andere, nieuwe of radicale partijen.
Normaliter bieden verkiezingen een uitweg uit die impasse. Kiezers roepen politici ter verantwoording, en geven aan hoe zij het anders willen. Dat is ook de hoop voor 29 oktober. Nu al wordt gezinspeeld op een nieuwe coalitie van partijen die elkaar vinden in het belang van democratie, rechtsstaat, en goede bestuurlijke verhoudingen – en zo orde op zaken zal stellen.
Ondanks de goede bedoelingen dreigt na de verkiezingen een kater. En die kater zal zich bij de dááropvolgende verkiezingen kunnen wreken.
De eerste kater is de reeks complexe bestuurlijke problemen die jarenlang zijn blijven liggen en nu urgent opgelost moeten worden, van stikstof tot migratie, en van bestuurbaarheid tot wonen. De aanpak van die problemen vergt veel politiek kapitaal. De nieuwe coalitie ontkomt niet aan moeilijke keuzes binnen een beperkte begrotingsruimte.
De tweede kater betreft de bemoeilijkte politieke en bestuurlijke verhoudingen: tussen partijen onderling, tussen regering en parlement, tussen Tweede en Eerste Kamer, tussen politiek en adviesorganen, tussen Rijk en decentrale overheden. Bovendien zit de Nederlandse politiek ook na de verkiezingen met de erfenis van 2023: een grote BBB in de Eerste Kamer en waarschijnlijk een nog altijd invloedrijke PVV in de Tweede Kamer.
Het uiteengevallen politieke landschap leidt tot de derde kater: de bonte coalitie die mogelijk de volgende regering zal vormen, vindt elkaar vooral in hun roeping om de democratie en het bestuur te verdedigen. Maar juist zo’n coalitie zal het moeilijk eens worden hoe inhoudelijk richting te geven aan het land. Als dat niet lukt, dreigt zij symbool te worden van de status quo.
Een katerkabinet vergroot het risico dat de nieuwe coalitie electoraal wordt afgestraft, zoals in de VS en Polen gebeurde.
De regering van de Amerikaanse president Joe Biden was na dienst winst op Donald Trump in 2020 niet in staat de verstoorde democratische verhoudingen te herstellen. De Democraten profileerden zich in 2024 onder Kamala Harris als verdedigers van de Amerikaanse democratie tegen Trump, maar door hun gebrek aan een richtinggevende toekomstvisie positioneerden ze zich als partij van de status quo en verloren zij de verkiezingen. Inmiddels zijn we het punt voorbij dat we de VS nog als een liberale democratie kunnen beschouwen.
Polen gold de afgelopen jaren als schoolvoorbeeld hoe een democratie terugvecht, nadat deze tussen 2015 en 2023 jarenlang was ondermijnd onder de uiterst rechtse PiS-partij. In 2023 slaagde een brede prodemocratische coalitie erin een meerderheid te vormen. Maar het aanvankelijke optimisme bleek van korte duur. Pogingen van de regering-Tusk om de Poolse democratie en rechtsstaat te herstellen, boekten weinig resultaat, of slaagden uiteindelijk alleen door zelf autoritaire middelen in te zetten. De coalitie bleek intern te verdeeld om belangrijke verkiezingsbeloften waar te maken. Dat wreekte zich bij de presidentsverkiezingen van 2025, toen de PiS-kandidaat, de oud-voetbalhooligan Karol Nawrocki, won van de kandidaat van Tusk. De vooruitzichten voor de prodemocratische coalitie bij de volgende parlementsverkiezingen zijn niet rooskleurig.
De Democraten in de VS en de liberale coalitie in Polen stonden voor hetzelfde post-illiberale trilemma. Het herstel van de rechtsstaat en de aanpak van grote bestuurlijke problemen vereisten effectief, tijdig én legaal handelen. Die combinatie bleek in de praktijk onhaalbaar. Hooguit twee van deze drie doelen konden tegelijk worden gerealiseerd. Omdat de zittende regering werd vereenzelvigd met de status quo, trokken kiezers bij de volgende verkiezingen alsnog weer naar radicaal-rechts.
Democratische partijen staan dus voor een uitdaging: gezamenlijk bestuurlijke verantwoordelijkheid nemen voor zware besluiten op complexe dossiers zonder een electorale kateruit te lokken.
Dat vereist allereerst politieke leiders die de democratische kernwaarden herijken. Die dus een duidelijke grens trekken tegen anti-rechtstatelijke en extreemrechtse denkbeelden. Liberale democratieën hebben het vermogen om meerderheidsbesluitvorming te combineren met de rechtsstaat, waarbij politici zich binden aan de eigen wetten en procedures en gelijke rechten onderstrepen voor alle burgers. Dat vraagt om verantwoordelijke beslissingen, ook als die onpopulair zijn. Verwachtingsmanagement is essentieel: eerlijk zijn over wat wél en níét haalbaar is, voorkomt teleurstelling en cynisme. De oude boodschap van Balkenende, ‘eerst het zuur, dan het zoet’, is nog altijd relevant: duurzame oplossingen vergen soms offers op de korte termijn, juist om op de lange termijn stabiliteit te kunnen waarborgen.
Effectief en legitiem bestuur vraagt naast verantwoordelijkheid ook responsiviteit. Politieke leiders moeten burgers meenemen in het proces van lastige dilemma’s en gemotiveerde keuzes. Partijen kunnen bijvoorbeeld een stembusakkoord sluiten voor de verkiezingen, zodat de nieuwe regering een duidelijker kiezersmandaat heeft. Zij kunnen gezamenlijk aangeven welke problemen de hoogste prioriteit zullen krijgen, maar elkaar daarbuiten de ruimte geven. Een regeerakkoord op absolute hoofdlijnen kan bijdragen aan meer openheid, als partijen elkaar vertrouwen.
Ten derde zullen de coalitiepartijen kiezers ook een vergezicht moeten bieden voorbij de status quo. Technocratie in het politieke midden maakt vooral de flanken aantrekkelijker, omdat alleen zij dan alternatieven lijken te beloven. Middenpartijen doen er daarom goed aan om rivaliserende toekomstvisies te formuleren, die duidelijk maken waaróm op de korte termijn compromissen nodig zijn. Dat biedt een uitweg uit de langdurige spagaat tussen technocratie en populisme in Nederland.
Deze voorstellen beschouwen democratie als een voortdurende balanceeract. Tussen vertegenwoordiging, bestuur en rechtsstaat. Tussen macht en tegenmacht. Tussen responsiviteit en verantwoordelijkheid. In de komende jaren ligt er een moeilijke opgave: niet alleen grote bestuurlijke problemen aanpakken, maar ook het opnieuw vormgeven van democratisch pluralisme. Luisteren naar de zorgen van burgers zonder de kernwaarden van de democratische rechtsstaat uit het oog te verliezen. Dat vereist politiek leiderschap dat waarden durft te wegen, conflicten niet schuwt, maar betekenisvol maakt.
Persoonlijke aanvallen tussen politici dragen daar niet aan bij, maar technocratisch beleidsmanagement evenmin. Democratische politiek vraagt niet alleen de kunst van het compromis, maar ook de kunst van het principiële conflict dat legitimiteit en betekenis geeft áán dat compromis.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC