Literatuur Léés Max Havelaar, opnieuw, roept Tom Lanoye op. Stel je eens voor dat een auteur zich vandaag net zo zou uitspreken, over bijvoorbeeld de moedwillige traagheid en de medeplichtige lafheid van sommige van onze hoogwaardigheidsbekleders.
De controversieelste Nederlandstalige roman aller tijden is en blijft Max Havelaar van Multatuli. Dat meesterwerk verscheen in 1860 en was een literaire splinterbom. Met niets te vergelijken in binnen- of buitenland, onthutsend en aangrijpend van inhoud, nog altijd schokkend actueel qua analyse, tegelijk verbijsterend modern van vorm. Het mengt vele stemmingen en genres, en het bedrijft al die genres met evenveel gemak. Het Nederlands van Multatuli is vaak jaloersmakend grappig en superieur lichtvoetig. Dit in fel contrast met de taal van de meeste van zijn tijdgenoten, zowel politici als literaire collega’s, zowel in Nederland als in Vlaanderen.
Max Havelaar bevat bovendien meer citeerbare zinnen en beroemd geworden gezegdes dan alle andere romans uit dat tijdvak tezamen. Dat begint al bij het voorwoord, een toneelstukje („Barbertje moet hangen”). Meteen daarna volgt de legendarische openingszin, die nog vaak en steeds hilarischer op zal duiken. „Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, n° 37.” Deze woorden worden uitgesproken door Batavus Droogstoppel. Hij is even opgeblazen en zelfingenomen als Baas Gansendonck, de hoofdfiguur in een roman die amper tien jaar daarvoor werd geschreven door de stamvader van de Vlaamse Letteren, Hendrik Conscience. Maar zijn Gansendonck was van beroep nog herbergier, zoals eeuwenlang het meest komische personage in elk literair werk diende te zijn. Multatuli’s Droogstoppel daarentegen is makelaar, gezant van de moderne tijd. Niet langer een marktkramer van om de hoek, maar een internationale koopman die geen grenzen kent, behalve aan zijn eigen verbeelding en empathie.
Multatuli slaagt erin om van de karikatuur die Droogstoppel is, toch een mens van vlees en bloed te maken. Nog wel door hem uitgebreid zelf aan het woord te laten. Zodoende wordt de heraut van het Wereldwijde Ondernemerschap vaak onbedoeld komischer dan zijn familienaam doet vermoeden. Tegelijk blijft hij een perfect toonbeeld van zijn voornaam: dé geslaagde Nederlander, Bataaf avant toute chose. Krenterig, betweterig, protserig — en toch uitgebreid pronkend met zijn ‘gewoonheid’. Zijn ware, misschien wel enige ideologie bestaat uit openlijke duitenklieverij en doctrinair realisme. Buiten de Schrift, die hem staaft in zijn bestaan en in zijn recht om waar dan ook handel te drijven onder zíjn voorwaarden, heeft hij geen nood aan woorden met hoofdletters. Voor hem geen gedoe, behalve zijn Guldens en zijn God. Voor hem geen kunst, tenzij die van de direct waarneembare werkelijkheid: een duur staatsieportret van hemzelf, in de trappenhal van zijn afbetaald grachtenpand.
Het geniale is dat Multatuli deze mentaliteit via de literatuur zelf illustreert. „Ik heb niets tegen verzen”, beweert Batavus, tegelijk reeds zijn neus ophalend voor de duidelijk literaire ambities die hij heeft aangetroffen in een wanordelijk pak documenten en manuscripten. Het werd hem overhandigd door Sjaalman, een vroegere vage kennis, thans duidelijk aan lager wal — een lepralijder dus, in de wereld der elleboogwerkers en beentjelichters. „Wil men de woorden in het gelid zetten?” vervolgt Batavus. „Goed! Maar zeg niets wat niet waar is. ‘De lucht is guur en ’t is vier uur.’ Dit laat ik gelden als het werkelijk guur en vier uur is. Maar als het kwartier voor drieën is, kan ik — die mijn woorden niet in het gelid zet — enkel zeggen: de lucht is guur en ’t is kwartier voor drieën.”
Wie niet kan lachen om deze passage, mag het hele oeuvre van Multatuli overslaan. Alle anderen raad ik aan om gebruik te maken van het prangende scharniermoment waarin we leven om Multatuli’s magnum opus te herlezen. Het is zo actueel als de neten. Alleen al vanwege zijn ondertitel: Max Havelaar, of de koffieveilingen der Nederlandse Handelmaatschappij.
Er zijn beleggers die beweren een dreigende wereldcrisis af te kunnen lezen van de snel stijgende prijzen van goud, zilver, diamant en — jawel — koffie. Indien dat klopt hangt ons een ramp boven het hoofd. Zo exclusief als champagne? De tijd van goedkope koffie is voorbij. Dat kopte Het Financieele Dagblad op 6 juni van dit jaar. Naast onrust door Trump-tarieven werd een verklaring gesuggereerd die in veel zakenkringen nochtans graag wordt ontkend: ons klimaat is naar de kloten. Op 9 juli voert het FD echter een connaisseur op die weinigen durven tegenspreken. Giuseppe Lavazza, huidig president-commissaris van het gelijknamige Turijnse merk, tevens achterkleinzoon van de oprichter. Giuseppe is woedend. „De schuld van de hoge koffieprijs ligt bij hedgefondsen.” Tachtig procent van de prijsstijgingen wordt volgens Lavazza niet veroorzaakt door ons verkloot klimaat, maar door speculatie en vals getouwtrek op de wereldmarkt. Daar is inmiddels al één tektonische plaat krakend verschoven. Het aloude Nederlandse koffiehuis Douwe Egberts kwam eind vorige maand in handen van een Amerikaans bedrijf, genaamd Keurig Dr Pepper. Kostprijs? Vijftien komma zeven miljard euro. Om Herman Heijermans te parafraseren: „Het bakkie troost wordt duur betaald.” En ik durf te wedden dat de winst van ons bakkie nog altijd niet fair wordt doorbetaald aan kleine, lokale producenten. Ondanks het internationale keurmerk voor rechtvaardige koffie, niet toevallig Max Havelaar genaamd, is daar nog altijd bitter weinig aan veranderd.
Politiek is er, toegegeven, wel een en ander gewijzigd. Op 17 augustus jongstleden vierde Indonesië zijn tachtigjarige onafhankelijkheid, bloedig bevochten op kolonisator Nederland, dat in maart 2020 eindelijk excuses aanbood voor „de geweldsontsporingen” tijdens die strijd. Daarvóór werden de imperialistische strafexpedities, uitgevoerd vlak na de Tweede Wereldoorlog, decennialang aangeduid met eufemismen als ‘de Politionele Acties’. Bij deze ‘politieacties’ kwamen vele tienduizenden Indonesiërs om het leven, alsook een paar duizend Nederlandse militairen.
De excuses werden uitgesproken door koning Willem-Alexander I, de achter-achterkleinzoon van Willem III. Dat is de monarch tot wie Multatuli zich rechtstreeks richt aan het slot van zijn boek, alsof zijn krachttoer literair gesproken al niet hybride genoeg was. Niet alleen verhaaltechnisch, ook inhoudelijk vormt deze ingreep nog altijd een mokerslag. Je kunt je amper voorstellen wat het effect bij lezers toentertijd moet zijn geweest, gezien de stand van zowel de maatschappij als de literatuur. Vergeet ze — de voorafgaande en soms komische lijsten vol essayistische aanzetten in ‘het pak van Sjaalman’. Vergeet ze — het heerlijke gezeur van een mopperkont (Droogstoppel), de romantische inleving van een goedhartige collega (Stern) en de wanhopige getuigenissen van Sjaalman zelf. Vergeet ze — de beroemde donderpreek tot „de hoofden van Lebak”, de op zichzelf staande poëtische novelle over een tragisch liefdeskoppel (Saidjah en Adinda) en de rake natuurbeschrijvingen van een soms gewelddadig paradijs, dat te kleurrijk is om aan een Noordzee te kúnnen liggen. Hun auteur dankt ze allemaal af. Multatuli blaast de structuur en de personages van zijn boek op met een gebaar dat nog altijd schokt en ontroert, en waarvan in de wereldliteratuur geen gelijke bestaat. „Genoeg! Ik heb u geschapen, u kunt gaan. (…) Ik, Multatuli, ‘die veel gedragen heb’, ik neem de pen op.”
Nog later, als klapstuk van de vier woedende slotbladzijden, klinkt het zo: „Aan u draag ik mijn boek op, Willem de Derde, Koning, Groothertog, Prins… Keizer van ’t prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd. Aan u durf ik met vertrouwen vragen of ’t uw keizerlijke wil is: dat Havelaar wordt bespat met de modder van Slijmeringen en Droogstoppels? En dat daarginds uw meer dan dertig miljoen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in uw naam?’
Sta me toe dat ik als besluit van deze hommage ook kies voor een dissonant. Halt, lezer dezer prachtcourant! Genoeg nu, met mijn gekissebis over boekwerken uit een ver verleden! Vergeet ze en beeld u in dat vandaag de dag een auteur zijn hooggestemde roman zelf zou opblazen en afsluiten met een politiek pamflet! Dit keer niet ten behoeve van een middeleeuwse veldslag of een koloniaal schandaal van vlak vóór de belle époque. Wel over — ik noem maar wat — de genocide in het getto van Gaza, die zich al vele maanden langzaam maar onmiskenbaar voor onze ogen voltrekt, in al haar gore geuren en kleuren.
Stel dat zo’n activistische auteur zich daarbij beschuldigend zou uitlaten over de moedwillige traagheid en de medeplichtige lafheid van sommige van onze hoogwaardigheidsbekleders, onder wie dit keer juist níet de koning — enfin: de Belgische koning Filip 1 dan toch, hij sprak zowaar van „een schandvlek voor de mensheid”. Stel dat een van mijn dierbare collega’s, bijvoorbeeld Marente „Er-zijn-te-veel-activistische-schrijvers” De Moor, zowaar toch uitdrukkelijk kant zou kiezen? Door plots op het eind van haar roman het beleid van Netanyahu alsook de Nederlandse regering genadeloos te kapittelen? De spot en de afwijzing die Multatuli jarenlang ten deel vielen, zouden nu even hard weerklinken. Niet alleen in de literaire kritiek. (‘Moet dat echt? Zo onbeholpen expliciet?’) Ook toetsenbordridders als Wierd Duk, Leon de Winter en alle andere Telegraaf-columnisten zouden klaarstaan om zelf de onverlaat te kapittelen. Omdat die het aandurfde iets te schrijven als: ‘Ik zou messen-wettende krijgsgezangen willen slingeren in de gemoederen van de arme martelaren aan wie ik hulp heb toegezegd. Redding en hulp, op wettelijke weg, waar het kan… Op wettige weg van geweld waar het moet.’
Dit zou Geert Wilders en andere twittergrootheden extra moed geven om zich, totaal naast de eigenlijke kwestie, te roeren. Door zich eveneens te keren tegen activistische schrijvelaars. En via hen tegen de stamvader, niet alleen van zulke schriftuur maar zelfs, zullen ze zeggen, van muziekgroepen als die Bob Vylan en hun ‘oproepen tot geweld’. Eigenlijk, zullen ze zeggen, ‘is met Multatuli al dat modieuze gezeur over dekolonisatie begonnen’ — zowaar dus reeds in 1860. Hij, zullen ze zeggen, was de voorloper en inspirator van de softe en decadente ‘weg-met-ons-generatie’ die vandaag onze beginselvaste samenleving stelselmatig ondermijnt. Hij, zullen ze zeggen, was ook de eerste die van het Westen altijd en overal een dader maakt, terwijl onze westerse voortreffelijkheid op die manier steeds meer geslachtofferd wordt. Hij, zullen ze modieus besluiten, was ‘woke’ avant la lettre. De Vader Abraham van Antifa!
Aan al die trollen durf ik hier met vertrouwen te vragen: wacht niet op zo’n nieuwe roman. Herlees meteen Max Havelaar en ga daar alvast smalend tegen tekeer. Bewijs zodoende dat ze nog steeds bestaan: de Droogstoppels, de Bataven, de huichelaars en sjacheraars van en met ‘de westerse waarden’.
Ja, léés Multatuli — opnieuw. Verketter hem — opnieuw. Hij verdient dat. En u ook.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC