Home

In Mannen beschrijft Annemarie Oster wat het betekent om als kind op te groeien met een rokkenjager

autobiografie Hoewel Annemarie Oster bewondering heeft voor haar vader, leest haar relaas over acteur en regisseur Guus Oster als een afrekening en onttroning.

Het Grand Gala du Disque Populaire in Congrescentrum in 1969. V.l.n.r: Willeke Alberti, Guus Oster, Annemarie Oster.

Het is voor de toneelliefhebber een onthullend boek, het autobiografische relaas Mannen door Annemarie Oster (1942), voormalig omroepster bij de VPRO, programmamaker en actrice, onder meer bij het satirische tv-programma Hadimassa (VARA, 1967-1972). Oster is de dochter van toneelgrootheden Guus Oster en Ank van der Moer, het „Amsterdamse koningspaar” in haar eigen woorden.

Vader Guus Oster (1915-1984) was een vooraanstaand acteur, regisseur en artistiek leider van de Nederlandse Comedie. Maar vooral was hij een onverbeterlijke charmeur en rokkenjager. Zijn huwelijk met Ank van der Moer (1912-1983) hield elf jaar stand, tussen 1942 en 1953, en eindigde in wederzijdse onmin en ontrouw. Hun enige kind Annemarie werd van jongs af aan op kostschool achtergelaten, logeerde bij pleeggezinnen, kreeg te maken met telkens nieuwe „tantes”, ofwel de nieuwe liefdes van haar vader. Via haar moeder kwamen er ook nieuwe „ooms”.

Hoewel de dochter bewondering voor haar vader heeft, leest haar relaas als een afrekening en onttroning, een Vatersuche met scherpe kantjes. Het aanzien dat Guus Oster genoot, onder meer bij ondergetekende, wordt door dit boek zwaar op de proef gesteld. Annemarie Oster leed haar leven lang onder zijn „extreme versierdrift” met als gevolg een diep gevoeld besef van verwaarlozing. Het zijn dan ook aangrijpende bladzijden die ze wijdt aan haar eenzame bustochten en treinreizen als jong meisje naar pleegouders of familie in verre oorden, onder meer Amersfoort, Eindhoven en Drenthe.

Flirten met de verpleegsters

Het is niet de eerste keer dat Annemarie Oster over haar toneelouders schrijft, eerder deed ze dat in Verder is er niet zoveel (1985), dat vooral over haar moeder gaat. Bij alles in Mannen draait het echter om die ene persoon, de „buitengaatse flierefluiter” vader Guus, ook wel door zijn Drentse schoonouders badinerend „ventje” genoemd. Meteen na de geboorte van Annemarie in de Scheveningse Emmakliniek (destijds was het echtpaar verbonden aan het Haagse Residentietoneel) „flirtte” hij met de verpleegsters en besteedde „nauwelijks aandacht” aan zijn dochter, aldus moeder Van der Moer. Met zo’n vader, die ook nog eens werkzaam was in een van de meest lustige en vrijpostige beroepen, ging de jonge Annemarie dan ook een lastige toekomst tegemoet. Zo komt ze terecht in complexe situaties door de nieuwe verhoudingen van zowel haar vader als moeder; dus telkens nieuwe ‘ooms’ en ‘tantes’ voor haar.

Annemarie Oster in Saint-Tropez. Foto privé collectie

Annemarie Oster in Saint-Tropez. Foto privé collectie

Voor Annemarie Osters eigen liefdesleven, van jonge tot latere leeftijd, blijkt het „falend vaderschap” reden te zijn om zich in tal van wisselende verhoudingen te begeven en vele onenightstands aan te gaan. Psychiaters en andere zieleknijpers, zoals ze stelt, wijzen die afwezige vader aan als oorzaak van haar grote behaagzucht en welwillendheid jegens mannen: „Bij gebrek aan een geïnteresseerde vader was mijn kinderhand, zodra iemand (bij voorkeur een man) aandacht aan mij besteedde, te gauw gevuld”. En: „Iemand van het mannelijk geslacht met een ondeugende kop en dito vocabulaire hoefde maar te zeggen dat ik er leuk uitzag en voor ik het wist lag ik op mijn rug naar een of ander slaapkamerplafond te kijken.” Dat klinkt vrijgevochten, toch noemt Oster zich een „onvrij meisje”.

Om in theatertermen te blijven: Osters relaas is een voorbeeld van het begrip dramatische paradox: enerzijds wil ze almaar alle mannen behagen uit vadergemis in haar jeugd, anderzijds heeft ze een hekel aan de meeste mannen die slechts op „vrouwenvlees” uit zijn. Dit laatste levert venijnige portretten op van schuinsmarcherende mannen, onder wie Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Kees van Kooten (de Haagse „geilneef”), Lodewijk de Boer, Godfried Bomans en natuurlijk haar vader zelf die de ene na de andere blondine uit de toneelwereld versiert, onder wie Marja H. (Habraken) en Yoka Berretty.

Woede en verveling

Niet elk mannenportret is even geslaagd, en naar het einde toe verzwakt het boek helaas en dan zijn het slechts oppervlakkige anekdotes. Alleen Ramses Shaffy en Willem Nijholt ontspringen haar vileine pen en aan hen wijdt ze de meest innige bladzijden; zij zijn de „leuke jongens” uit de ondertitel. Over twee van haar drie ex-mannen, Bram de Swaan en John Vis, denkt ze terug met enige wrok. In haar huwelijk met impresario en platenproducent Vis wisselden woede en verveling elkaar af. Het huwelijksleven valt haar zwaar, dat geeft ze als eerste toe. Ook zocht ze als jonge vrouw de schuld vaak bij zichzelf. Al die getuigenissen vol liefde en tegelijkertijd de onmogelijkheid een diepere relatie aan te gaan maken van Mannen een persoonlijk, soms onthutsend relaas over de altijd onvervulde liefde. De toneelwereld met al zijn vluchtige liaisons en snelle veroveringen biedt daartoe een uitgelezen decor. Vader Oster liet daar een verweesd kind achter.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next