Keuzevrijheid Na haar abortus voelde Anne Grietje Franssen vooral verdriet. Maar ze merkte als snel: je kan moeilijk voor het recht op abortus zijn én tegenstrijdige gevoelens hebben over je keuze.
De misoprostol begint op de veerpont van het eiland naar de haven zijn werk te doen: mijn baarmoeder trekt zich samen, de weeën golven door mijn lijf. De pijn is ondraaglijk, onbekend. Ik heb de neiging in het zeewater te springen, iets, om deze sensatie te doen stoppen. In plaats daarvan kruip ik tegen het raam, mijn benen opgetrokken, mijn capuchon over mijn hoofd. Pas als alle andere eilandbewoners de pont af zijn, sta ik op en loop ik onvast de trap af en naar buiten, de witte winterlucht in.
Het zit zo: ik woon als Scandinavië-correspondent op een eiland voor de Zweedse westkust als ik ontdek dat ik ongepland zwanger ben. Ik heb een kinderwens en ben aanvankelijk opgetogen, maar mijn vriend woont in Amsterdam, en geen van ons heeft een inkomen om van te spreken. Beide zijn we schrijvers zonder aanstelling en met een chronisch gebrek aan ondernemerstalent. Hij kan niet weg uit Nederland, ik niet per direct uit Zweden. Mijn leven is momenteel hier en ik weet niet hoe ik alles binnen een maand of acht kan kantelen: een baby, remigreren, een woonruimte, nieuw werk.
Tegelijk met de misselijkheid arriveert de neerslachtigheid. Het is januari aan de westkust: een voortdurende, striemende wind, mijn eiland naakt en verlaten. Gaandeweg raak ik verstrikt in een web van misère, van winterdepressie, hormonen, wezenlijke onzekerheid over een kind krijgen zonder een maandelijks salaris, zonder verlof, zonder familie in de buurt. Na weken van wikken, wegen en overgeven besluit ik tot een abortus – ik zie geen andere optie.
Op 7 maart reizen mijn vriend en ik in alle vroegte naar het ziekenhuis. De voorgaande keren dat ik de abortuspoli bezocht – eerst voor de echo, waarop bleek dat ik al veertien weken zwanger was en jij echt werd, al een gezichtje had, later voor de eerste abortuspil die het zwangerschapshormoon belemmert – nam ik vanaf de haven het openbaar vervoer, maar nu gebied ik mijn vriend een taxi te bellen.
We krijgen een kamer en verpleegkundige toegewezen. Met mijn winterjas aan kruip ik in bed. De verpleegkundige, Åsa, geeft me een middel tegen de misselijkheid en dient zonder mijn pijn in twijfel te trekken morfine toe. Vervolgens pelt ze mijn donsjas af en vertelt ze hoe de dag hoort te verlopen. Elke vier uur krijg ik een nieuwe portie misoprostol tot de abortus is volbracht. Bewegen helpt – dat ga ik mooi niet doen – en in mijn toilet bungelt een pan. Alles dat ik uitwerp, wordt opgevangen voor inspectie.
Door het raam zie ik een rechthoek blauwe hemel. Mijn vriend zit zwijgend op een stoel in de hoek van de kamer. Een onbepaalde tijd later word ik wakker met Åsa naast mijn bed. In de toiletpan ligt geen foetus, dus moet ik geloven aan een nieuwe ronde misoprostol. Na morfine staat lokale verdoving op de pijnbestrijdingslijst. Doe dat maar, zeg ik.
In een behandelruimte plant Åsa een naald in mijn baarmoederhals. Op het moment dat ze een tweede prik zet, zegt ze: je vliezen zijn gebroken. En dan: kijk maar even weg. Mijn vriend duwt mijn gezicht tegen zijn borst. Iets vloeit uit mijn lijf.
De leemte laat ruimte voor tranen. Ik druk mijn neus in de trui van mijn vriend, voel hoe Åsa het papier onder mijn kont afscheurt, hoe ze de bloederigheid opruimt en de scène toonbaar maakt. Op een rolstoel word ik de behandelkamer uitgereden. Ik heb het gevoel dat al het in crocs gestoken personeel ziet wat ik heb gedaan. Toekeek hoe ik zwanger de ruimte binnenging en er babyloos weer uitkwam.
De fysieke opluchting is groot, en nog geen vijf minuten na de aangewakkerde miskraam schreeuwt mijn lijf om voeding en om vocht. Tegen een uur of vijf word ik uit Östra Sjukhuset ontslagen. Hevig bloedend, dat wel, maar zolang ik niet vaker dan twee keer per uur mijn luiereske maandverband hoef te vervangen, geldt het niet als alarmerend. Ik zal nog weken bloeden, en twee keer in het ziekenhuis belanden, waar uiteindelijk zal blijken dat een deel van de placenta achtergebleven was.
Ik geloof niet in een god. Toch interpreteer ik dit bloeden als een straf in de vorm van zes weken gewezen worden op wat er niet meer is. Het is de straf voor het onderbreken van een natuurlijke gang van zaken, van het sublieme proces waar mijn lichaam en leven uiteindelijk toe dienen: het creëren van een nieuw lichaam en leven.
Achter een bord snelvoer in de stad, op weg naar huis, lijkt voor het eerst in te dalen: ik was drie maanden zwanger en nu ben ik leeg. Dan: het kindje dat ik op die echo heb gezien, dat met dat neusje en die vingers, zullen we nooit kennen. Wie was zij geworden? Wie was ik geworden als haar moeder? Dan: hoe heb ik haar tussen het blauwe papier als medisch afval achter kunnen laten? Paniek stijgt naar mijn hoofd. We moeten haar halen, denk ik. We moeten terug. Ik huil, maar zwijg, bang om over te komen als melodramatisch. Het is maar een abortus, iedereen heeft een abortus. Het was bovendien je eigen keuze.
Was het mijn keuze? Zeker, in de zin dat ik door niemand ben gedwongen. En ook niet, in de zin dat ik deze keuze, als de omstandigheden anders waren geweest, niet had gemaakt en nooit had willen hoeven maken. De keuze werd ingegeven door hormonen en lichamelijk afzien, door geld- en woningzorgen, door gebrek aan een dorp, als in: it takes a village. Mijn vrienden zouden helpen waar ze konden, maar hebben stuk voor stuk een vol leven, kinderen, een baan. Op momenten heb ik gebeden om een miskraam, niet om iets af te doen aan die ervaring – die moet verschrikkelijk zijn – maar om dat onmogelijke besluit zelf niet te hoeven nemen. Wie ben ik om het juiste te kiezen, ik, die niets van leven weet?
Laat me duidelijk zijn: ik sta vierkant achter het recht op abortus. De anti’s zullen op dit punt in het verhaal declameren: had die arme vrouw een doos luiers gegeven, dan was Gods kind gered. Maar dit is geen pleidooi tegen zelfbeschikking. Ik ben dankbaar dat ik in een land woon waar het abortusrecht verankerd ligt. Waar iedere zwangere tot 22 weken, zonder uitleg of externe toestemming, toegang heeft tot een kosteloze abortus. Ik pleit niet tegen abortus, wel tegen de eenzijdige afschildering ervan. Zoek naar abortusverhalen en je vindt welbeschouwd twee smaken: de luide anti-abortusstem onder de geuzennaam pro-lifers, alsof zij die zich niet tot die groep rekenen tegen leven zijn an sich. Deze vrolijke beweging mag u zelf googlen.
Kamp pro-choice is diffuser, maar evengoed eenzijdig. Ten eerste: het gaat er zelden over, terwijl mijn netwerk volgens de statistieken moet overlopen van vrouwen met een abortuservaring. In Nederland laten jaarlijks tussen de 30.000 tot 39.000 mensen met een baarmoeder een zwangerschap afbreken. Ongeveer een op drie zwangerschappen eindigt met een abortus. Niemand heeft de plicht over zoiets uit de school te klappen, maar de stilte maakt eenzaam: je hebt geen referentiekader, geen voorbeelden, niemand om je aan te spiegelen.
Dus zocht ik mijn toevlucht tot de kunsten, en vond daar verpakt in briljante en minder briljante vormen een vrijwel net zo eentonig narratief als van het kamp tégen: vrouw is ongewenst zwanger, ontmoet weerstand, krijgt de abortus die ze zocht, en begint opgelucht aan een kinderloze toekomst. Voorbeelden zijn het magnifieke Het voorval van Annie Ernaux; de Roemeense film 4 maanden, 3 weken & 2 dagen van Cristian Mungiu; het recente April, een Georgische filmhuisfilm over een illegale abortusarts op het misogyne platteland. De lichtvoetiger films Obvious Child van Gillian Robespierre en Never Rarely Sometimes Always van Eliza Hittman. De verhaallijn verbeeld in deze artistieke uitingen is even legitiem als belangrijk. En het is niet het verhaal van iedereen.
Mijn beleving is rommeliger, volgt niet een van de twee voorgeschreven scenario’s. Mag ik vóór het recht op abortus zijn, én na de aanvankelijke verlichting van misselijk-af zijn geen opluchting voelen? Nog controversiëler: mag ik rouwen om dit zelfverkozen verlies? Niet als ik de canon mag geloven. Je kan niet én pro-choice zijn, én tegenstrijdige gevoelens hebben. Toch onderga ik ze allemaal: niet per se mijn ratio met haar redelijke argumenten maar de soft animal of my body, zoals de poëet Mary Oliver dat treffend verwoordt. Mijn lijf voelt spijt, mist haar ongeboren kind en probeert de klok terug te draaien. Rouwt rode tranen.
Dit is geen verlies, spreek ik mezelf toe. Jij verloor niet, maar deed afstand van. Hoe meer ik hamer op mijn zelfbeschikking, op mijn individuele keuze, des te groter de paniek. Hoe heb ik jou af kunnen wijzen? Wie was je nu geweest? Een openlijk gesprek over de veelzijdigheid van de abortuservaring had zoveel zelfhaat, twijfel en eenzaamheid gescheeld. Niet de anti-abortuspropaganda die je eeuwige spijt en zelfmoordneigingen aansmeert, maar verhalen van een spectrum aan emoties, en van het ontbreken van een juiste keuze. Voor wie zich in dit stuk herkent: je bent niet gek, niet alleen, en het wordt beter, al neem ik haar elke dag nog mee. Het gemis wordt niet per se kleiner, het leven eromheen wel groter.
Daphne Latour-Oldenhof, beleidsmedewerker bij Fiom, een stichting die zich onder meer richt op ongewenste zwangerschappen en adoptie, beaamt dat ik „absoluut niet de enige ben die het zo ervaart”. Fiom probeert tegenwicht te bieden aan het dominante narratief. „Voor wie geen abortuservaring heeft, is een ongecompliceerd verhaal aantrekkelijker om te lezen”, aldus Latour-Oldenhof. Daarnaast heerst in sommige pro-choicekringen de opvatting dat elke kanttekening bij een abortus, elk ongemak, olie op het vuur is van de anti-abortusbeweging. Dat veroorzaakt, blijkbaar, zelfcensuur. „Veel vrouwen zijn opgelucht, maar we zien ook genoeg vrouwen met gemengde gevoelens. Die na hun abortus naar buiten stappen en óók geëmotioneerd zijn. Dat veroorzaakt verwarring: duidt verdriet op een verkeerd besluit?”
Voor mijn overtuiging dat ik geen recht heb op rouwen, is een ingeburgerde term: niet-erkende rouw. Latour-Oldenhof: „De keuze voor abortus is zelden honderd procent een ja, en vrijwel altijd een afweging. Veel vrouwen die voor de procedure kiezen, hebben desalniettemin nagedacht over het voldragen van de zwangerschap. Naast het verlies van het zwanger-zijn, verliezen ze vaak nog iets anders: hun vroegere zelfbeeld, soms hun relatie. Die verliezen brengen rouw teweeg.”
Hier neem ik de anti-abortussers de wind uit de zeilen. Ja, gemengde gevoelens. Nee, geen depressie en eeuwige spijt. Volgens het wetenschappelijk tijdschrift Social Science and Medicine vlakken de grote emoties gaandeweg af en staat vijf jaar na dato 99 procent van de vrouwen achter haar abortusbesluit. Ofwel: de aanvankelijke ambivalentie, nog gevoed door het proces van ontzwangeren, ebt in bijna alle gevallen weg. Verdriet na een abortus duidt niet op een verkeerde keuze. Het is, eenvoudigweg, een keuze die je liever niet had gemaakt.
Begin september verstrijkt de uitgerekende datum en ik vlucht naar de toendra. Ver weg wil ik zijn van waar ik doelloos zwanger was. Een lange winter later is het maart en sta ik stil bij de dag dat jij kwam en verdween. Ik heb niets tastbaars dat aan jou herinnert. Geen echo, geen voetafdruk, geen bloempotgraf. Ik voel de behoefte degene te spreken die weet dat jij bestond. Die weet dat ik, heel eventjes, moeder was.
Ik neem contact op met het ziekenhuis en een dag later word ik gebeld door Åsa, de verpleegkundige. Het telefoontje komt onverwacht en ik moet me herpakken. Kan zij zich iets herinneren? „Dat je partner Engels sprak”, zegt ze. Ze heeft duidelijk mijn medisch dossier voor haar neus. „Je kwam om acht uur binnen met koorts, pijn en weeën, ik heb morfine toegediend, en ’s middags, toen ik een verdoving plaatste, kwam de foetus. Alles ging zoals het gaan moet.”
„Kan je je herinneren hoe ik was?”, vraag ik dan. „Het is meer dan een jaar geleden”, antwoordt ze. Het is ontnuchterend: een voor mij traumatische gebeurtenis was voor haar een reguliere werkdag. Een geslaagde medische abortus met 14+2 weken, de placenta kwam erachteraan, de koorts zakte, de patiënt kreeg pannenkoeken en werd ontslagen. De normalisatie van het absurde, van drie maanden zwanger de afdeling oplopen en er zonder zwangerschap vertrekken.
„Voelen jullie enig moreel bezwaar?” Ik heb de foto’s van de anti-abortusbeweging gezien, de ontlede foetussen. Toen het ineens mijn zwangerschap betrof, zich iets in mijn lijf genesteld had, voelde het verkeerd; infanticide, zoals het nog in het Nederlandse wetboek van strafrecht staat. „Je lichaam probeert het te beschermen”, legt ze uit. Het dier in mij wilde koste wat kost dat nieuwe leven bij zich houden. Maar Åsa twijfelt geen moment. „Het is een belangrijk recht, niets meer en niets minder.”
Dan vraag ik of die echo nog bestaat, en ze zegt helaas. Een stilte. „Waar is ze nu?” Mijn stem slaat over. „We cremeren de foetussen en strooien ze uit op de begraafplaats van Kviberg, op het minneslund, het herinneringsveldje.” Dat raakt me: een genormaliseerd recht en een genormaliseerde procedure, maar toch een erkenning dat dit iets anders is dan het trekken van een kies. Dat als niet de foetus zelf, dan wel de mens die die foetus bij zich droeg een waardige afsluiting verdient. „Er is een plek om bloemen neer te leggen”, zegt ze. „Het is er mooi.”
Ik bedank haar, voor die dag, voor haar werk, voor de moeite die ze heeft genomen mij te bellen. Ik zal eens naar dat veldje gaan, op die begraafplaats in het noordoosten van de stad. Ik zal je daar eens opzoeken, meisje. Ik denk dat het goed is, zo. Ik hoop zo dat het goed is.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC