Home

De dodo was een uit de kluiten gewassen duif die nu een tweede kans krijgt. Maar waarom?

Uitgestorven soorten Een Amerikaans biotechbedrijf wil de uitgestorven dodo weer tot leven wekken. Wat hebben zulke projecten voor nut? En moeten we dat wel willen?

Een uit de kluiten gewassen duif die niet kon vliegen – in die woorden klinkt hij wat banaal. Eeuwenlang was de uitgestorven dodo (Raphus cucullatus) dan ook een makkelijke prooi voor kunstenaars. In stripboeken, op schilderijen, in tekenfilms, als bronzen beeld: overal dook de vogel met dwaze blik en overmaatse snavel op. De dodo werd een karikatuur van zichzelf, concludeerden Nederlandse onderzoekers in 2021 in Historical Biology – niet voor niets was ooit de heersende opinie dat die walghvogel mede door zijn eigen sulligheid was uitgestorven.

Die gedachte is achterhaald; de dodo is bon ton. Zódanig zelfs dat het Amerikaanse Colossal Biosciences in 2023 verkondigde de soort weer tot leven te willen wekken. Afgelopen maand bereikte het biotechnologiebedrijf (dat ook de uitgestorven mammoet en reuzenwolf wil terugbrengen) een naar eigen zeggen eerste cruciale stap in dat proces. Het was de onderzoekers gelukt om primordiale kiemcellen van rotsduiven te kweken. Wat betekent dat? Krijgen we daarmee echt de dodo terug? En moeten we dat wel willen?

De-extinctie – het ‘ontuitsterven’ van soorten – spreekt tot de verbeelding, met als beroemde fictievoorbeeld Jurassic Park. Daarin worden dino’s tot leven gewekt dankzij dna uit met bloed volgezogen muggen, vereeuwigd in barnsteen. Realistischer zijn recente wetenschappelijke pogingen met bíjna uitgestorven dieren: in Italië probeert de fertiliteitsdeskundige Cesare Galli om de noordelijke witte neushoorn van de ondergang te redden. Van die ondersoort is het laatste mannetje al jaren geleden overleden, maar zijn sperma is bijtijds ingevroren in een rietje en daarmee insemineerde Galli met succes eicellen van twee nog levende vrouwtjes. Die liggen nu in een lab.

Het neushoornproject brengt de nodige discussies met zich mee en dat geldt ook voor échte de-extinctie. Dat geld kan beter naar het beschermen van levende soorten gaan, vinden tegenstanders. De Amerikaanse bioloog Rodrigo Béllo Carvalho waarschuwde recent in Biological Conservation dat de methode nu te veel wordt gezien als panacee, als wondermiddel dat biodiversiteitsverlies zou kunnen tegengaan, terwijl uitsterven nog altijd een onomkeerbaar proces is.

Bovendien is nog maar de vraag of er in onze huidige drukbevolkte wereld nog plaats is voor uitgestorven soorten”, zegt ethicus Franck Meijboom, hoogleraar sustainable animal stewardship aan de Universiteit Utrecht, in een telefoongesprek „Wat zo opvallend is aan al die de-extinictie-projecten is dat het altijd om iconische dieren gaat. De grote, knuffelbare soorten met een zielig verhaal. Dat verkoopt goed. Maar waarom zouden louter de dieren waar je het meest mee kunt verdienen het verdienen om weer tot leven te worden gewekt? Je hoort nooit over een project dat zich richt op de-extinctie van een uitgestorven kever- of bijensoort, terwijl die wellicht veel essentiëler is voor het ecosysteem.”

Embryo’s van kippen

Voorstanders benadrukken juist dat bedreigde soorten óók baat hebben bij de plannen. „Onze doorbraak met de kiemcellen is goed nieuws voor alle vogels”, zegt evolutionair bioloog Beth Shapiro, chief science officer bij Colossal, in een videogesprek. „Want met de nieuwe technieken kunnen we in de toekomst ook bijtijds voorkomen dat bedreigde soorten verdwijnen.” Om direct daarna te benadrukken: „Dit was een eerste belangrijke stap in het proces, maar er zullen er nog vele moeten volgen. Het terugbrengen van een vogel is nog veel ingewikkelder dan het terugbrengen van een zoogdier.”

Dat komt, vertelt ze, doordat vogels niet te klonen zijn: in de eieren die ze leggen is het embryo zich al aan het ontwikkelen. „Bij zoogdieren kunnen we de kern van een lichaamscel overbrengen naar een rijpe, nog onbevruchte eicel waaruit de kern is verwijderd. Die somatic cell nuclear transfer is toegepast bij Dolly het schaap. Maar bij vogels kan dat niet.”

Vandaar die primordiale kiemcellen, de voorlopers van de latere geslachtcellen: daaruit moeten, via genetisch gemodificeerde vader- en moedervogels, uiteindelijk dodokuikens worden geboren. „We hebben twee generaties nodig, dat maakt het een traag proces.”

Wat nu met de rotsduiven gelukt is, wordt in een volgende stap toegepast bij Nicobar pigeons ofwel manenduiven, de meest nauwe nog levende verwant van de dodo. De kiemcellen zullen vervolgens genetisch gemanipuleerd worden om er ‘dodo-genen’ aan toe te voegen, en worden geïnjecteerd in embryo’s van kippen, omdat die makkelijker te houden zijn dan duiven. (De kippen zijn op hun beurt ook genetisch gemodificeerd om geen eigen kiemcellen te produceren). De kuikentjes die vervolgens geboren worden zouden dan geslachtscellen bevatten met dodoachtig genetisch materiaal.

Hoe lang het precies duurt? „Uiteindelijk willen we een gezond dier en dus kijken we hoe we zo min mogelijk genetische edits hoeven te maken. Daardoor houden we het risico op een verkeerde interactie met het gastgenoom van de Nicobar zo laag mogelijk. Voorzichtigheid is belangrijker dan snelheid: we hebben al eeuwen op de dodo gewacht, we kunnen nog wel een paar jaar extra wachten.”

Een grote dodotatoeage

Het was Shapiro die in 2002, als promovendus in Oxford, aantoonde dat de dodo een verre verwant was van hedendaagse duiven. Later ontrafelde ze, met collega’s, op basis van museummateriaal het ‘volledige’ genoom van de soort – al waren ontbrekende delen aangevuld met informatie uit duiven-dna.

Iedereen in de wereld van ancient dna kent haar naam, op haar arm heeft ze een grote dodotatoeage. „De dodo was de eerste vogel die ik ooit bestudeerde, en nu is het als alles volgens plan verloopt de eerste uitgestorven vogel die we terug zullen brengen in het wild.” Want dat is het doel: dat er binnen afzienbare tijd weer een genetisch diverse populatie van duizenden dodo’s zal rondlopen op Mauritius, het eiland waar de vogels leefden tot ze eind zeventiende eeuw uitstierven.

„Uiteraard voeren we dit project uit in nauwe samenspraak met inwoners van Mauritius. We komen regelmatig samen met het dodo-adviescomité en hebben ecologisch onderzoek gedaan om te zien waar herintroductie plaats zou kunnen vinden; we hebben enkele locaties op het oog. Op het eiland krijgen we veel steun, mensen hopen dat dodo-toerisme de economie een boost geeft.”

De Nederlandse wetenschapper Leon Claessens, als hoogleraar vertebrate paleontologie en evolutie aan Maastricht University niet rechtstreeks bij het project betrokken, is terughoudender. Als dodokenner doet hij al decennialang veldwerk op Mauritius en hij benadrukt dat het eiland sinds de zeventiende eeuw ingrijpend is veranderd. „Van het originele landschap is weinig meer over, zeker sinds er in de achttiende en negentiende eeuw op grote schaal suikerplantages zijn aangelegd. Alles wat een beetje te bebouwen was is inmiddels wel bebouwd, de dodo is hoe dan ook zijn oorspronkelijke habitat kwijt. En de nu gemaakte dodo zal evenmin oorspronkelijk zijn – qua uiterlijk zal hij misschien als twee druppels lijken op z’n voorganger, maar genetisch gezien zijn er verschillen. En dan is er nog de vraag of je een dier waaraan zoveel geknutseld is zonder problemen in het wild kunt loslaten.”

De de-extiniction scientists vinden van wel. Of zoals hoogleraar Andrew Pask van het Australische Tigrr-lab, waar onder de vleugels van Colossal wordt gewerkt aan de terugkeer van de Tasmaanse tijger, het verwoordt in een interview in Nature: „Mijn motivatie is niet het creëren van een dierentuindier. We willen de Tasmaanse tijger terugplaatsen […] daar waar hij de disbalans in het ecosysteem kan oplossen.” Wat de dodo betreft vermoedt Shapiro dat de aanwezigheid van een „op de grond lopende, fruit etende reuzevogel” positieve gevolgen kan hebben voor het Mauritiaanse ecosysteem.

Vaak wordt als argument voor de-extinictie genoemd dat de mens er zijn eigen fouten mee kan goedmaken. Zo zegt Pask tegen Nature: „Mensen vragen waarom we voor god willen spelen met ons werk, maar dat deden we juist toen we de Tasmaanse tijger wegvaagden. Mijn onderzoek is erop gericht om de verloren biodiversiteit te helen.” Dat klinkt nobel, maar het risico is dat mensen blijven hangen in een „technofix”, waarschuwt Meijboom. „Als je weet dat soorten toch wel terug te brengen zijn, word je misschien lakser met de bescherming. Terwijl we het biodiversiteitsverlies alleen kunnen stoppen als we ook de oorzaken aanpakken. Het tegengaan van ontbossing, versnippering van natuurgebieden – dáár moeten we werk van maken.”

Claessens: „Over de dodo deed lang het verhaal de ronde dat de Nederlanders de laatste vogels eigenhandig hadden gedood. Dat ligt een stuk genuanceerder, vanuit hun nederzetting kwamen ze niet ver het ondoordringbare binnenlanden in, dus er was aanvankelijk genoeg schuilplek voor de vogels. Maar de echte nekslag kwam indirect mee, in de vorm van ratten, geiten en honden. Door de introductie van nieuwe soorten in een ecosysteem.”

Shapiro is juist van mening dat de „nieuwe gereedschapskist” die ze met hun technieken ontwikkelen uiteindelijk ook de nog levende soorten willen helpen. „We investeren hiermee ook in natuurbehoud. Niemand zegt dat we de oorlog tegen extinctie met alléén biotech kunnen winnen. Maar ik zie vaak dat mensen huiverig zijn om nieuwe technieken te omarmen. De soortenrijkdom gaat nu zo hard achteruit dat we vindingrijk moeten blijven.” In die zienswijze zouden bijvoorbeeld de genen van bedreigde soorten zodanig kunnen worden gewijzigd dat ze resistenter zijn tegen ziektes.

Eén ding heeft Colossal sowieso voor elkaar gekregen, benadrukt Claessens: „Er wordt volop over gepraat. Daarmee komt het gesprek ook op natuurbescherming en de biodiversiteitscrisis. Het vergroot de bewustwording.”

Tasmaanse tijger en mammoet

Bang dat het geld dat nu in biotech wordt geïnvesteerd – Colossal haalde voor de mammoet, de Tasmaanse tijger en de dodo al 200 miljoen dollar op – ten koste gaat van traditionele natuurbeschermingsprojecten is hij niet. „Het zijn private investeringen, Leonardo DiCaprio en Paris Hilton hebben geld gegeven aan dít project. Dat was anders niet automatisch naar het Wereld Natuur Fonds gegaan.”

„Dit is zeker niet dé oplossing voor ons biodiversiteitsprobleem”, zegt Meijboom. „En Mauritius kan prima zonder dodo. Maar vanuit cultuurhistorisch perspectief snap ik het wel. Vergelijk het met de Notre Dame in Parijs. Nu dat torentje er weer op zit lijkt het uit de as herrezen. Maar feitelijk kijken we natuurlijk gewoon naar een eenentwintigste-eeuws torentje. Het is niet het oorspronkelijke bouwwerk, maar toch doet het ons wat.”

Rest de vraag of we een genetisch bijeengesleutelde dodo straks als een échte dodo kunnen beschouwen. Eerder dit jaar zei Colossal twee reuzenwolfpuppy’s ter wereld te hebben gebracht. Met twintig ingrepen in de genetische code van de grijze wolf zouden ze de uitgestorven oersoort met grote kop en brede kaken weer tot leven hebben gebracht. Maar volgens critici ging het vooral om een genetische ‘facelift’.

Shapiro – die als volgende tatoeage de neus van een reuzenwolf overweegt – vindt het een irrelevante kwestie. „Ecosystemen zijn niet geïnteresseerd in naamgeving, ik ook niet.” Claessens zou opteren voor een naam als Colossal-dodo of dododuif. En als die dodo 2.0 rondloopt op Mauritius, zal hij zeker gaan kijken. „Zo’n uit de kluiten gewassen fruitduif die met zijn kolossale lichaam alle wetten van de zwaartekracht tart wil ik met eigen ogen zien.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next