Oekraïense poëzie Twee dichters uit Oekraïne met schijnbaar onverenigbare posities schrijven over een uitzichtloze oorlog. Het levert aangrijpende bundels op over aspecten die tot nu toe buiten beeld bleven.
Drie jaar geleden vulde de Tweede Wereldoorlog-herdenking de Oekraïense dichter Viktoria Amelina (1986-2023) met gemengde gevoelens. Nog geen drie maanden eerder was Rusland haar land binnengevallen, waarmee de oorlog, in feite al aan de gang sinds de annexatie van de Krim in 2014, escaleerde. Ze schreef op die achtste mei – Oekraïners herdenken een paar dagen later dan wij – dit gedichtje:
gefeliciteerd met de dag van herinnering en verzoening
luchtalarm
ga naar uw schuilplaatsen, Oekraïners
alle anderen kunnen doorgaan
met te zeggen
nooit meer
We zijn inmiddels jaren verder en nog altijd logenstraffen de Russische agressie, de regelmatige gang naar de Oekraïense schuilkelders en het uitblijven van vrede of dan toch een staakt-het-vuren het ‘nooit meer’ waaraan Amelina refereert. En niet te vergeten de dood van de dichter zelf, die in de zomer van 2023 het leven liet na een Russische raketaanval.
Meermaals dacht ik aan haar gedicht – vertaald door Sijmen Tol en Frouwkje Zwanenburg voor het Tijdschrift voor Slavische Literatuur – bij het lezen van twee andere dichters uit Oekraïne, Daria Lysenko (1992) en Igor Bobyrev (1985), wier poëzie recentelijk naar het Nederlands vertaald is en die elk een heel eigen geluid laat horen.
Daria Lysenko: Ik hoor dat je in Nederland bent… Vertaald door Arie van der Ent. Woord in blik, 120 blz € 20,00
Igor Bobyrev: Metro en mobilisatie. Vertaald door Pieter Boulogne. Leesmagazijn, 216 blz. € 27,95
Sterker nog: het bijzonder waardevolle licht dat zij met hun gedichten op de slepende oorlog werpen, komt voort uit de verschillende en mogelijk zelfs onverenigbare posities van waaruit ze schrijven (te beginnen met de taal: Lysenko schrijft in het Oekraïens, Bobyrev in het Russisch), want, in de woorden van laatstgenoemde: „Ik ben al veel mensen tegengekomen / die niet begrijpen / wat er gebeurt / of liever denken ze / dat ze er iets van begrijpen / maar eigenlijk / begrijpen ze er niets van.”
Het luchtalarm uit Amelina’s gedicht buldert ook in de poëzie van Lysenko. „Op dit moment wordt op het grondgebied van Oekraïne / het zoveelste luchtalarm afgegeven”, schrijft ze in ‘Sirenes’, afkomstig uit Ik hoor dat je in Nederland bent…, een tweetalige bundel over haar komst naar en verblijf in Nederland, waarin ze zich zo nu en dan even scherp uitlaat als Amelina.
In tegenstelling tot haar achtergebleven landgenoten hoeft zij zich niet te haasten naar een schuilkelder, want ze bevindt zich op veilige afstand van Oekraïne, in Den Haag, de stad ‘waarmee onze dromen van gerechtigheid en rechtvaardigheid zijn verbonden’. Het luchtalarm is niet meer dan een vlugge melding op haar telefoon, net als het bericht dat de kust weer veilig is: „Het valt mij telkens op hoe dat alarm / niet oplost in de kalmte van de zee.”
Nee, dan de Nederlandse sirene die Lysenko elke eerste maandag van de maand hoort: „De sirene loeit zachtjes en verstoort de rust niet, / ze loeit haast zoetgevooisd, / alsof ze zich verontschuldigt voor de geluidsoverlast.” Hier klinkt de sirene, merkt ze fijntjes op, zoals ze alleen maar kan klinken „in een stad / waarin het nooit oorlog lijkt te zijn geweest.”
Het land van aankomst geeft de dichter vaker die indruk. In ‘Kerstlied’ beweert ze dat Nederland geen verleden heeft, op de onvergetelijke Tweede Wereldoorlog na (‘nooit meer’), terwijl háár oorlog „al begint te vervagen / in de Hollandse werkelijkheid.” Nederland is „een hotelkamer, / zonder foto’s of boeken, / maar met al wat nodig is: / een bed en als ontbijt een boterham met kaas.” Wanneer ze tijdens het wandelen bij de mensen naar binnen kijkt, ziet ze „niets anders dan / het perfecte leven / uit een reclamefilmpje.”
Zo nu en dan ziet Lysenko een Oekraïense vlag voor de ramen hangen, al worden het er elk jaar minder: „De oorlog wordt iets gewoons, / als een chronische kwaal / die niet al te veel pijn doet.” En de zelfgemaakte posters uit solidariteit met het Oekraïense volk zijn aangetast door ‘het treurige nieuws, de tijd en het vocht’, waardoor het woord ‘Ukraine’ veranderd is in ‘rain’: „Wij staan achter de regen / krijg ik nu vanuit het Nederlandse raam te horen.”
Het brengt haar tot de volgende conclusie over Nederland: „De omgeving zelf wist de objecten uit die er vreemd aan zijn / en maakt er dingen van die er wel in passen, / herschept ‘Ukraine’ in aanhoudende regenval.” Op z’n Nederlands gezegd: het moet wel gezellig blijven. De mensen om haar heen doen verwoede pogingen, maar een heel goede indruk maken ze niet: ondanks hun interesse in en medeleven met de dichter springt toch vooral hun wereldvreemdheid eruit.
Ze voelen geen schroom het ene na het andere stereotype te debiteren, bijvoorbeeld dat Lysenko er inderdaad als een Balkanmeisje of, na correctie, Oekraïense uitziet, waarna een spervuur aan vragen volgt: „Trouwens, klopt het dat het daar nog oorlog is? / Trouwens, is het daar echt zo verschrikkelijk? / Trouwens, ben je niet van plan om terug te gaan?”
In het voormalige gebouw van het ministerie van Sociale Zaken in Den Haag worden eind 2026 asielzoekers opgevangen.
Inmiddels woont Lysenko al jaren in Nederland en is ze zo goed geïntegreerd dat ze even recht voor haar raap is en zich bijna autochtoon voelt: „Ik voel me een autochtoon / als ik in juni mijn jas uitdoe / en de verbaasde blikken opvang van toeristen in donsjacks.” Maar – en hier schuilt de wrange ironie – in Nederland zal ze altijd een Oekraïense blijven, een vreemde, net zoals ze dat in haar thuisland is geworden, omdat „het nieuwe land waar iemand woont, / zijn spoor nalaat en iemand verandert.”
Dat achterblijven eveneens diepe sporen nalaat en iemand verandert bewijst Igor Bobyrev op indrukwekkende wijze met Metro en mobilisatie. Hij woont in Donetsk, de stad in het hart van de Donbas die al sinds 2014 in handen is van pro-Russische separatisten en regelmatig bestookt wordt door Oekraïne. Aan de andere kant van het front dus, waar de omstandigheden evengoed zeer veel te wensen overlaten. Er komt steeds minder water uit de kraan, terwijl het aantal luchtaanvallen toeneemt. Dan schuilt hij in het toilet, totdat het weer stil is:
enkele uren later
bleek de ingeslagen raket
een clusterbom te zijn geweest
die tientallen mijnen
rond had gestrooid
piepkleine mijntjes
die je in het gras niet ziet
Een van die mijnen trof men aan voor het raam van het appartement waar de dichter met kat Vasja en moeder woont. Hij noteert het koeltjes, want er is in feite niets nieuws onder de zon. In een sleutelgedicht op twee-derde van Metro en mobilisatie schrijft de dichter: „Ik leid me af als ze bombarderen / vind het heel spijtig / dat ik hier niet weg kan / ben wat getraumatiseerd.”
Het is de vraag waarom hij niet weg kan uit zijn geboortestad. Sinds 2014 hebben vele mensen het gebied verlaten, zeker toen Rusland steeds meer te zeggen kreeg, dus waarom hij niet? Hij vraagt het zich wel af, maar hij vindt het ook ‘rustgevend vertroebelend’ te weten dat hij in Donetsk dood zal gaan. Kon zijn moeder niet mee en wilde hij haar niet achterlaten? Of moet ik het in een andere hoek zoeken en identificeert hij zichzelf eigenlijk niet (meer) als Oekraïner?
Getraumatiseerd is hij in ieder geval wél, getuige ook de volgende cri de coeur: ,,Wat valt hier überhaupt / te zeggen / probeer me niet te doden / wat jullie al hebben geprobeerd.” In 2015 werd zijn appartement verwoest door een raketinslag, waarna zijn moeder en hij een andere woning betrokken: „Daar was het heel koud / aangezien er nergens werd verwarmd / ik zat thuis en uit mijn mond kwam damp.”
Bobyrev’s wereld is klein, de dagen verlopen monotoon en daarvan doet hij minutieus verslag in zijn gedichten, waarin het verduren centraal staat, het verduren van de oorlog, van de traag verglijdende tijd en van de angst of zijn werkende moeder weer heelhuids thuiskomt.
De enige uitweg uit deze malaise zijn herinneringen die hem vervullen met verdriet en nostalgie: ze „dwingen me om kwetsuren en pijn te voelen / heel vaak dwingen ze me daartoe / het is fijn die pijn te voelen.” Het zijn vooral de vanzelfsprekendheden die dat allang niet meer zijn die hem te binnen schieten, zoals het reizen met het openbaar vervoer, waarvan vooral het eerste deel van Metro en mobilisatie in het teken staat, en hoe misselijk hem dat maakte. Maar was het wagenziekte of boezemde het geruïneerde Donetsk hem afschuw in?
Of neem het koopjesjagen in de supermarkt, wanneer de niet-houdbare producten zijn afgeprijsd. Zelfs dan kan de dichter zich de koopwaar niet altijd veroorloven, waarna hij terugdenkt aan de keer dat hij wél kip of een salade kon kopen: „En toen ik dat alles opat / bedacht ik dat mijn poëzie / de poëzie was van iemand met honger.”
Je zou het ook de poëzie van een achterblijver of, specifieker gezegd, van een homoseksuele achterblijver noemen. Bobyrev schrijft onverbloemd en zeer ontroerend over het omkijken naar jongemannen, terwijl een tank van de separatisten hem op de hielen zit, over een ontmoeting die op een beroving uitloopt, over een pijpbeurt („ik zoog hem erg goed af / diepkeels en speels / en toen ljosja / klaarkwam / deed ik speciaal / mijn mond open”) en over zijn avontuurtjes in het park, die tot zijn gelukkigste herinneringen behoren.
De dichter doet er nuchter over: „Moet ik gehuld / in een regenboogvlag / door de stad rennen / en uitroepen / dat ik homo ben / waarom?” Voor hem is het de gewoonste zaak van de wereld en dat is het natuurlijk ook, maar toch verraste zijn openheid me, omdat dat niet voor iedereen geldt – en zeker niet dáár: in het park is hij al eens in elkaar geslagen (het is nu ‘een soort manie / om de vijand te zien / in wat je niet kan uitroeien’) en ook voelt hij de hete Russische adem. Zijn (in het Russisch geschreven!) ontboezemingen zouden gemakkelijk het stempel ‘homopropaganda’ opgedrukt kunnen krijgen, met alle gevolgen van dien.
In feite had Bobyrev allang opgepakt kunnen worden, omdat hij de afgelopen jaren ondergedoken heeft doorgebracht om de mobilisatie, eerst door de separatisten en later door de Russen zelf, te ontlopen: „Ik ben bang geworden / dat ze ook mij zouden komen halen.” In huis fluistert hij, loopt hij zachtjes rond en waakt hij ervoor dat het geluid van de film niet te hard staat, want wat als de buren hem verlinken?
Het gevaar komt met andere woorden van alle kanten en dat maakt de vraag waarom hij niet vertrokken is (of alsnog vertrekt) des te schrijnender. Bobyrev bevindt zich in een krankzinnige situatie, al suggereert de zakelijke toon van zijn babbelende regels dat hij het gelaten ondergaat. Maar dat is schijn, want het kolkt in zijn binnenwereld.
Hij bekent zelfs dat hij bijna het punt bereikt heeft „waarop de haat mij heeft uitgehold / en mij volledig beheerst” en hij mensen gaat doodwensen.
En ja, Bobyrev schijnt de laatste tijd op sociale media ruimer baan te geven aan de verbittering en zich in steeds radicalere bewoordingen uit te laten, iets wat hem niet in dank afgenomen wordt en hem naar eigen zeggen publicatiemogelijkheden heeft gekost. Maar deze gedichten stammen van een paar jaar eerder en daarin wordt de soep niet zo heet gegeten.
Bobyrev’s kritiek is niet eenzijdig, zoals blijkt uit het gedicht waarin hij zowel het anti-westerse Sovjet-sprookje als de idee van ‘het ideale westen’ (waar Oekraïne graag bij wil horen) ontmaskert als ‘volslagen / gestoord’. En deze eigengereide dichter vestigt de aandacht op de mensen om hem heen die er net als hij het beste van proberen te maken, maar het Oekraïens alleen kennen van televisie en radio:
dat ze hun identiteit en gewoonten
of toch op zijn minst hun taal
vergeten
zich inschrijven
in een andere wereld
die ze nooit echt hebben beleefd
In de beeldvorming is weinig plek voor zulke overwegingen, die direct worden weggezet als provocaties. Kritiek richt zich doorgaans alleen op de Russische agressor, alsof kritiek op Oekraïne uit den boze is en inhoudt dat je onverdroten de kant van Rusland kiest. De door en door doorleefde poëzie van Bobyrev laat zien dat die logica niet opgaat.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC