Ramon Amaro is ervan overtuigd dat design een cruciale rol gaat spelen bij het redden van de planeet.
Ramon Amaro, directeur van de Design Academy
Het is eind augustus, een paar dagen voor hij officieel begint als directeur van de Design Academy. Ramon Amaro wordt door een groepje medewerkers van afspraak naar afspraak geloodst, terwijl hij links en rechts mensen groet. De medewerkers van de academie lijken onwenniger dan hijzelf. Amaro (48) vindt het prima als de secretaris van de academie wil aanschuiven bij het interview, maar als de interviewer dat liever niet heeft is dat wat hem betreft ook goed. „Fijn dat je zo goed aangeeft wat je wilt”, zegt hij.
Amaro, een dandyeske verschijning in een modieus pak met brede krijtstrepen en vilten muilen, is de opvolger van Joseph Grima, die acht jaar creatief directeur was van de opleiding waar bijna elke Nederlandse – en steeds meer niet-Nederlandse – productdesigner is opgeleid: Maarten Baas, bijvoorbeeld, Marcel Wanders, Piet Hein Eek, Hella Jongerius, Christien Meindertsma, Richard Hutten, en recenter Simone Post en modeontwerper Camiel Fortgens.
De Britse Grima is opgeleid tot architect en werkte daarna vooral als curator en docent in dat vakgebied. Amaro, een Amerikaan, is lastiger te plaatsen binnen de designwereld. Hij werkte als ingenieur in de auto-industrie, schreef voor websites, begon als dertiger aan een master sociologie – onderwerp: cultureel racisme binnen nieuwgevormde persoonlijke relaties – en promoveerde in filosofie en technologie aan Goldsmiths, waar hij ook een aantal jaar docent was.
Zijn vorige werkgever was het Nieuwe Instituut in Rotterdam, waar hij een onderzoekscentrum voor digitale cultuur opzette. Tegelijkertijd gaf hij het Critical Theory & Methods aan kunstacademie KABK in Den Haag. De Design Academy was niet nieuw voor hem; hij gaf er eerder al gastlessen. „Ik heb heel diep nagedacht toen deze baan voorbijkwam”, zegt hij. „Over mijn leven, de toestand van de aarde. En ik besefte dat ik hier impact kan hebben, dat ik een directe invloed heb op de toekomst. Ik ben ervan overtuigd dat design een cruciale rol gaat spelen bij het redden van de planeet.”
Ramon Amaro, directeur van de Design Academy
Amaro’s benoeming, naast creatief directeur is hij ook ‘vice chairman of the executive board’, past bij een van de belangrijke ontwikkelingen in de designwereld: het denken over design, het onderzoek, is zeker zo belangrijk als het eindresultaat – en dat resultaat is niet altijd meer iets tastbaars. „Zeker hier op de academie, waar we vooruit moeten kijken”, zegt hij. „En dat geldt ook voor de studenten die zich wel richten op materiële objecten. Een aantal is bezig met de vraag: hoe kunnen we in gebouwen biologisch afbreekbare materialen gebruiken? Hoe zorgen we ervoor dat steden geen relikwieën meer worden? Is dat design? Is het architectuur? Stedenbouw? Wetenschap? Ik vind dat geen interessante vragen. De traditionele regels gelden niet meer. Wat is design nu – dat is het gesprek dat ik wil voeren met de studenten, de docenten, de mensen op de administratie. Maken we ons ergens van los, gaan we ergens tegenin, of juist ergens naartoe? Hoe kunnen studenten reageren op behoeftes vanuit de maatschappij? Er zijn zoveel problemen en zorgen. Als je alleen al kijkt naar AI – als je niet uitkijkt, zijn we alleen maar bezig met nadenken over hoe er straks geen banen meer zijn, geen verbeelding. En voor een deel is dat al zo. Maar de studenten proberen tenminste iets. Ze denken voorbij grenzen. We komen alleen vooruit als je je kunt losmaken van vaststaande definities, van de dingen die je geacht wordt te doen. En ik denk dat je niet bang moet zijn om niet begrepen te worden. Bijna alles waarvan we houden werd in het begin niet begrepen. Stoplichten, een nieuw soort deur in de supermarkt, het levert eerst altijd een moment van ongemakkelijkheid op.”
Twee jaar geleden verscheen Amaro’s boek The Black Technical Object, dat beschrijft hoe onze vooroordelen worden weerspiegeld in AI en machine learning. Die presenteren een „overgesimplificeerd” begrip van wat het betekent mens te zijn, schrijft hij, waarbij Zwarte mensen worden bezien vanuit de verbeelding van witte mensen.
„Data en wiskunde hebben altijd al in relatie gestaan tot vooroordelen”, zegt hij. „De filosoof en wiskundige Leibniz was in de zeventiende eeuw de eerste die een volkstelling hield. Hij vroeg parochies in Pruisen naar de geboorte- en overlijdensgegevens. Daaruit destilleerde hij hoeveel meisjes en hoeveel jongens er geboren waren in een dorp. Vervolgens ging er meer voedsel en andere middelen naar de dorpen waar meer jongens woonden, omdat dat toekomstige soldaten waren. Cijfers en statistieken zijn nooit alleen dat. Ze bepalen de cultuur.
„Bij AI gaat iedereen ervan uit dat de input neutraal en allesomvattend is. Maar dat is niet zo, er is altijd een vooroordeel in verweven, dat je terugziet in de output. De techindustrie heeft dat altijd geweten, maar doet het af als een onbelangrijk probleem.”
„Mensen die vragen over mental health stellen aan ChatGPT of daarvoor speciale apps gebruiken, en dat zijn er steeds meer, denken dat die de hele reikwijdte van wat beschikbaar is beslaan, maar uit onderzoek blijkt dat die modellen worden getraind met één methode: Cognitive Bias Modification. In de echte wereld ben je je ervan bewust dat je deze vorm van therapie volgt, dus als het niet werkt, kun je besluiten een andere therapie te volgen. Maar het is niet alleen maar slecht: AI kan heel goed werken bij vroege kankerdiagnoses. En ja, misschien ben je ook beter voorbereid op een bezoek aan de huisarts als je eerst je symptomen met ChatGPT hebt besproken. Tegelijkertijd kost het veel energie om die vraag te stellen. Dus als je weet dat het dertig liter water kost, is het het dan nog waard? Zijn mensen belangrijker dan de planeet? Studenten zijn geïnteresseerd in dat soort dilemma’s.”
„Ik denk dat het belangrijk is om juist niet te veel te streven naar een oplossing. Ik heb het idee dat studenten, en docenten, het gevoel hebben dat ze daarmee moeten komen. Dat is dodelijk voor de creativiteit, en die ligt al zo onder druk, in dit politieke klimaat waarin alles maar duidelijk moet zijn: ‘Ik snap de geesteswetenschappen niet, dus we trekken de financiering terug.’ We moeten obscure momenten koesteren.”
„Het is devastating dat juist degenen die moeten kunnen experimenteren, die fouten moeten kunnen maken, het gevoel hebben dat ze de verantwoordelijkheid dragen voor een wereld waarin ze ook maar terechtgekomen zijn. Maar deze mensen proberen tenminste iets. Mijn taak is om te zorgen voor een omgeving waarin dat mogelijk is, er zijn, luisteren. Een belangrijke vraag voor mij is: hoe kunnen we ons bezighouden met grote zaken en tegelijkertijd voor onszelf zorgen? Ik heb mezelf heel vaak opgebrand, en niet eens toen ik in corporate Amerika werkte, waar je een, misschien twee weken vakantie per jaar had, maar juist in Europa, omdat ik het gevoel had dat ik mezelf moest bewijzen.”
„Als kind was ik geobsedeerd door auto’s, ik wilde niets liever dan auto’s ontwerpen. Familieleden hadden in Detroit aan de lopende band gestaan, dus iedereen vond het een goed idee dat ik daar autotechniek ging studeren en ingenieur zou worden. Ik was pas zeventien toen ik begon te werken bij General Motors: een semester werken, een semester studeren. Toen ik klaar was met zijn studie autotechniek heb ik twee jaar gewerkt bij de vestiging in Tennessee. Het was mijn taak om technische problemen op te lossen: een stoel die niet goed zat, een airbag die misschien niet zou werken. Ik moest dan het ontwerp aanpassen, of een heel ander ontwerp maken. Maar ik zag dat het probleem niet altijd lag aan het ontwerp of de techniek, maar soms een menselijke oorzaak had – iemand had een slechte dag en daarom een fout gemaakt. Ik had de taal nog niet om het te zo te benoemen, maar achteraf besef ik dat ik me toen begon te realiseren dat een object nooit alleen een object is.
„Een uiting. Een serie interacties. Soms komt daar een vaas uit, soms een auto, soms een interventie. Dat menselijke aspect is vergeten. Bij General Motors was er geen protocol om daarmee om te gaan, behalve bestraffend.”
Hij werkte een jaar bij de American Society of Mechanical Engineers in New York, waar hij zich bezig hield met nieuwe brandstoffen, toen hij een aanbod kreeg om voor een website van mediabedrijf IAC te schrijven; welke, wil hij niet zeggen. „Het was een kans die voorbijkwam, een mogelijkheid om niet vast te zitten aan een kantoor.”
Hij bleef enige tijd in New York wonen, ging naar Wenen, Slovenië en tenslotte Londen, waar hij, terwijl hij bleef schrijven, verder studeerde, en promoveerde. „Een reis om het gat te dichten”, zoals hij zegt – tussen product, tech in zijn geval, en mens.
„Een Brits-Nederlands initiatief, het staat nu even stil, om na te denken over queerness en programmeren. Wat het betekent een queer programmeur te zijn, maar ook: wat queerness is in termen van technologie, hoe afwijking wordt gedefinieerd en iemand tot ‘de ander’ wordt gemaakt.”
„Ik zat daar heel diep in de kast. Maar dat is niet de reden dat ik ben weggegaan, het was geen vlucht. Ik verwachtte niet dat mijn baan zich helemaal zou aanpassen aan mijn persoonlijke leven. Hoe je de ander bent hangt af van waar je bent. In Europa ik meestal niet op de eerste plaats Zwart, maar Amerikaans.
„Een klein jaar geleden ben ik verhuisd naar de Bijlmer, voor de liefde, daarvoor woonde ik twee jaar in Den Haag. Ik voel me er steeds meer opgenomen in de gemeenschap. Het is ons thuis. Ik vind het ook prettig om te forensen, en zo de Nederlandse cultuur te bestuderen, het alledaagse leven.”
„Als een oefening in dichtheid – die volle gebouwen, die concentratie. Dichtbevolkte wijken met achtergestelde groepen zie je overal ter wereld. Wat ik interessant vind, is hoe bewoners van de Bijlmer die dichtheid in hun voordeel gebruiken. De superkracht van de wijk is dat het onderdeel is van Amsterdam, en tegelijkertijd ook weer niet. Ik zie kleine bedrijfjes, festivals en andere initiatieven die zich specifiek richten op de eigen gemeenschap. Maar de hardnekkige problemen zijn nog niet verdwenen. Mijn hoop is dat dit straks niet alleen meer een buurt is waar je terechtkomt wanneer je geen andere optie hebt – ik ben daar natuurlijk zelf onderdeel van, en dat geeft me bepaalde privileges. De vraag is: hoe zorgen we ervoor dat gemeenschappen zichzelf kunnen redden, op een manier die een prettig leven mogelijk maakt? Ook dat is voor mij design.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Doorzie de wereld van technologie elke week met NRC-redacteuren
Source: NRC