Home

Bij ouderen met zingevingsvragen komt de geestelijk verzorger thuis langs. ‘Wat is mijn plaats nog, in de wereld?’

Geestelijk welzijn Sinds 2019 wordt thuisbezoek door geestelijk verzorgers vergoed. Zij spreken met ouderen die kampen met problemen als somberte en eenzaamheid. „Ik denk weleens: het zou goed zijn als we eerder dood zouden gaan.”

Geestelijk verzorger Michiel van Agt op huisbezoek.

Ze zijn er nog, mensen die geestelijk verzorgers zien als vertegenwoordigers van de kerk met wie ze praten over het geloof. „Ik ken twee dames”, zegt geestelijk verzorger Maurice van der Put (63), „dámes – voordat ik kom zijn ze naar de kapper geweest en hebben ze hun nagels gelakt want: meneer de pastoor komt op bezoek.” Maar zij behoren tot een „heel kleine groep”, zegt hij. Verreweg de meeste gesprekspartners van geestelijk verzorgers zitten met vragen die hun eenvoudigweg door het leven zijn opgedrongen. Een oudere man verlaat zijn huis alleen nog als hij naar de kapper moet: doe ik er nog toe? Of: de huisarts krijgt geen vat op de klachten van een patiënt en vermoedt dat er een taak is weggelegd voor iemand die is opgeleid om al luisterend en vragend de oorsprong van de malaise helder te krijgen.

Geen psycholoog met een behandelplan van acht sessies, goed te keuren door de zorgverzekeraar, maar een geestelijk verzorger zonder oordeel of agenda wiens basishouding neerkomt op simpelweg: er zijn.

In ziekenhuizen en verpleeghuizen werkten al langer geestelijk verzorgers, maar sinds enkele jaren komen daar vaker thuisbezoeken bij: in 2022 bezochten zij 6.600 mensen thuis, na de eerste helft van 2025 stond de teller al op 12.500. De toename hangt samen met een rijkssubsidie die thuisbezoek van eengeestelijk verzorger vergoedt aan „een brede groep ouderen”, onder meer vanwege eenzaamheid. De leeftijdsgrens ligt bij vijftig.

Sinds die regeling in 2019 van kracht ging (in 2025 à 8,3 miljoen euro) zijn ruim veertigduizend mensen thuis bezocht. Vaak mondt het contact uit in een gesprek of vijf, telkens van een uur of drie kwartier. Geestelijk verzorgers lobbyden al jaren voor subsidie, want zij merkten dat de ouderen in het verpleeghuis er steeds slechter aan toe waren: door aangescherpte toelatingscriteria woonden zij langer thuis en daar kampten zij al met problemen die geestelijk verzorgers tot hun werkveld rekenen. Somberte, eenzaamheid, gebrek aan perspectief. De subsidie van het Rijk loopt op 1 januari 2027 af. Na een evaluatie aankomende lente wordt duidelijk of de regeling wordt verlengd of, zo is de wens van de geestelijk verzorgers zelf, wordt uitgebreid. Want ook jongere mensen kloppen bij hen aan met existentiële vragen en voor hen is geen pot geld beschikbaar.

Moe

Hoe verloopt zo’n huisbezoek? Wat zegt een geestelijk verzorger, en de bewoner? NRC liep mee met geestelijk verzorger Michiel van Agt (33) tijdens zijn bezoek aan een vrouw van 84 uit Rotterdam. Zij wil anoniem blijven, haar naam is bekend bij de redactie. Het was al „enorm buiten haar comfortzone” om een journalist toe te laten en ook nog een fotograaf.

En als ze op een septemberdag opendoet voor haar bezoek zegt ze dat ze liever in bed lag nu, ze heeft een slechte dag. Eigenlijk heeft ze veel slechte dagen, want ze heeft veel pijn, vooral in haar rug. „Versleten wervels.” Ook brák ze een wervel, na een val hier thuis, in haar flat op drie hoog waar ze al decennia woont. Maar goed, afspraak is afspraak en bovendien ziet ze Van Agt graag komen. Vlak voor de zomer kwam hij voor het laatst, de vierde keer sinds februari.

Op zwarte pantoffels gaat ze voor de woonkamer in. Orchideeën op de vensterbank, droogboeket op tafel, aan de wanden veel kunst en in de boekenkast Maarten ’t Hart naast Doeschka Meijsing, Abdelkader Benali en Adriaan van Dis. „Ik heb als een gek gelezen, al sinds mijn zesde.” Nu leest ze geen boeken meer. „Ik ben er te moe voor.” Ze neemt plaats op haar bank bij het raam. Niet zittend, dat doet te veel pijn. Ze ligt, hand onder het hoofd, door het raam ziet ze de toppen van de bomen voor haar flat. Michiel van Agt zit op de fauteuil schuin naast de bank, benen over elkaar, enkelsokken in sneakers, warme blik. „U bent in de tussentijd een paar weken opgenomen geweest, in een zorgpension, klopt dat?”

„Ja”, zegt ze, „ik kon niet meer staan dus dat was een beetje lastig, om het zacht uit te drukken. En die wervel midden op m’n rug bleek dus gebroken. De specialist zei: ‘Mevrouw, u moet vreselijke pijn hebben.’ Ja: dat klopt.”

Geestelijk verzorger Michiel van Agt op huisbezoek.

„En”, zegt hij kalm, „hoe gaat u daarmee om?”

„Nou, ik kan er eigenlijk niks aan doen. Behalve dat ik pijnmedicijnen slik, hele zware. En nu ben ik bezig op het pad van…. hoe heten die mensen ook alweer, van die Chinese prikkers. En ik heb een nieuwe fysiotherapeut.” Ze praat vlot, de zinnen rijgen zich aaneen. „Los van die pijn”, zegt ze, „vind ik mezelf ook wel een bofkont.”

„Ja?”

„Al die mensen die bij mij over de vloer komen! M’n nichtje, goede bekenden, de thuiszorg… Allemaal mensen die dingen voor me willen doen. Want ik ben in feite grotendeels hulpeloos. Je zou het niet zeggen als ik zo op de praatstoel zit, zoals jij weet…”

„…nee, dan voelt u zich niet hulpeloos.”

„Nee, dat is de andere kant van mij die dan naar boven komt. Maar wat ik erg moeilijk blijf vinden: je plaats in de wereld als je voor die wereld niet erg veel betekenis meer hebt. Maar een vriendin zei vorige week: ‘Waar denk je dat al die mensen voor komen? Die zoeken iets bij jou.’ En dan denk ik: o ja, zo had ik er nooit over gedacht.”

„Ja”, zegt Michiel van Agt, „dat is ook een beetje waar we onze gesprekken mee gestart zijn. Wat is mijn plaats? Wat is mijn betekenis?”

Televisie

In haar jonge jaren werkte ze op de afdeling natuur voor de gemeente Rotterdam – „schooltuinen, kinderboerderijen en dat soort dingen”. Toen werd ze ziek. Ze was in de veertig en kreeg wat later het chronische vermoeidheidssyndroom ging heten. „Niemand wist wat er aan de hand was. Ik kon helemaal niks meer.” En ze deed altijd juist „heel veel”: ze leerde de ene taal na de andere en bezocht musea in binnen- en buitenland, want ze houdt van „alle mogelijke soorten kunst” en ook zéér van de natuur, planten zijn een „grote liefde”. Bovenop haar ziekte – die „verwoestend” was voor „allerlei ambities en dromen” – komt de pijn. Die straalt uit naar haar benen. Lopen lukt bijna niet. In juli kwam ze voor het laatst buiten.

Ze heeft geen partner, kinderen kreeg ze niet. Haar nichtje kookt voor haar en de televisie is haar „grootste vriend”. Mensen om haar heen vinden dat ze moet verhuizen, zegt ze. Er is één zorginstelling die ze ziet zitten, maar daar is een „enorme wachtlijst en bovendien moet je er toestemming voor krijgen dus daar zit geen enkel schot in”. De doorverwijzing naar de geestelijk verzorger kwam van een verpleegkundig specialist. Die onderzocht mevrouw thuis en bemerkte dat ze piekerde.

„Ik denk regelmatig: hoe moet ik nou verder? Want ik heb geen idee. Ik heb in elk geval geen énkele behoefte om 98 te worden. Sowieso: al die duizenden, tienduizenden oude mensen die allerlei hulp nodig hebben…Die hulp ís er niet. Ik denk weleens: het zou goed zijn als we eerder dood zouden gaan. Niet dat ik daar naar op zoek ben. Maar ik zit wel vaak in een diepe put hoor.”

„Ja”, zegt Michiel zacht.

„En een van de belangrijkste dingen”, zegt ze, „dat heeft ook met jouw werk te maken en dat deed ik vroeger niet, is dat ik het nu uitspreek. Dat het niet alleen maar in mij zit te rommelen.”

„U slikte vroeger veel gedachten in?”

„O ja tuurlijk”, zegt ze. „Er zijn ook nogal wat dingen in mijn leven die er fors hebben ingehakt.” Een paar seconden is het stil. „En als ik dan toch een voorzetje mag doen”, zegt hij, „zijn er constanten geweest in al die tijd? Hoe lang woont u hier al?”

„Vijftig jaar.”

„Vijfig jaar. En dan snap ik wel dat u het niet zomaar opgeeft. Dit plekje hier, met dit uitzicht.”

„Juist!”, zegt ze. „Dat uitzicht is voor mij dus heel belangrijk. Ik heb het weleens tegen je gezegd: door mijn raam kijk ik uit op zeventien verschillende boomsoorten.”

„Ik ben absoluut een leek op dat gebied. Je kunt me alles wijsmaken.”

„Het belangrijkste van alles is de klimaatverandering. Dat is het ergste. Van veel groter belang dan al onze kleine zorgen. Dat hangt boven ons hoofd. Het hangt ook erg boven míjn hoofd. De wereld is in een enorm tempo aan het veranderen.”

„En die zeventien soorten bomen die u hier vanuit het raam kunt aanwijzen: die zijn wel een soort van constante factor en een… een troost?”

„Zeker. Ik doe ook al heel lang wat nu heel erg in de mode komt: als ik op straat loop… of: líép… dan kijk ik ook naar alle plantjes tussen de stenen en kijk ik hoeveel soorten er staan in mijn grasveld. Dat heb ik sterk.”

Geestelijk verzorger Michiel van Agt op huisbezoek.

„Het troost u dat de natuur nog een weg vindt?”

„Ja dat vind ik zéér bewonderenswaardig.”

„Dat het ons uiteindelijk overleeft.”

„Of álles ons overleeft, dat weet ik niet. Als we hier ook nog een gezellig heet klimaat krijgen en overal branden…nee dat weet ik niet.”

Van Agt glimlacht, ze kijkt op. „Waarom lach jij nou?”

„Nou ik moet lachen omdat ik denk: goh, u heeft al zoveel zorgen van uzelf. En ik vind het een mooi iets dat u zich ook zorgen maakt om de wereld. Dat u daar ruimte voor heeft.”

„Dat heb ik altijd gehad”, zegt ze, „vooral de planten, het plantenrijk, dat is wat mij het meeste verrukt.”

Hij: „En dat is dan toch iets van trots en houvast, ook in deze tijd.”

Zij: „Zeker.”

Hij: „En zijn er nog meer dingen…”

Zij: „….die houvast geven?”

Hij: „Ik denk aan de mensen die u zo lang trouw zijn bijvoorbeeld?”

„Het meest verbazingwekkende”, zegt ze, „is dat het ook soms níéúwe mensen zijn want…en dit is geen bescheidendoenerij ofzo maar ik denk: wat zóéken ze dan bij mij? Dat vraag ik ze ook weleens. Wat is dat dan?”

„Ja. Dat u de maatschappij niet zoveel meer inkomt en toch een hoop te bieden, te vertellen heeft.”

„Ja ik heb natuurlijk altijd veel te vertellen”, zegt ze.. „Maar één van die kennissen zei: ik word heel rustig hier. Nou, dat is prettig. Ik weet niet hoe dat voor jou is?”

„Of ik rustig word… Nou: u inspireert mij wel met het verhaal over de bomen en dat u zegt: daar maak ik me misschien nog grotere zorgen over dan over al onze kleine leventjes.”

„Ja, ik kan eigenlijk niet zeggen dat ik onmisbaar ben voor de wereld, maar op dit kleine stukje betekent het nog wel wat”, zegt ze. „Alleen moet ik jou nou nog zover krijgen dat je goed op de bomen gaat letten.”

De client van geestelijk verzorger Michiel van Agt maakt een nieuwe afspraak tijdens het huisbezoek in Rotterdam.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Rotterdam

Het laatste nieuws en de beste stukken over de mooiste havenstad die er is

Source: NRC

Previous

Next