De Park Ranger die ons voorging door het wuivende gras van het slagveld wist er alles van. Waar hun kampement had gestaan, hier aan de rivier de Washita in Oklahoma, toen het onverhoeds werd aangevallen door de Amerikaanse cavalerie. Waar de vrouwen en kinderen dekking zochten. Waar de gevangenen werden afgevoerd. Hij had het zowaar niet over de ‘Cheyennes’, zoals deze ‘indianen’ lang zijn genoemd, maar over de tsitsistas („wij mensen”), zoals ze zichzelf noemden.
De genuanceerde toelichting van die ranger was een verademing, vergeleken bij de mythische propaganda die Hollywood decennialang uitrolde over het ‘Wilde Westen’, met indianen in een vernederende bijrol als barbaren.
Tegelijk was zijn uitleg ongetwijfeld ook het soort ‘woke’ praatje waar Trump en zijn rechts-revolutionairen van gruwen en dat ze in hun culturele revolutie met wortel en tak willen uitroeien. Trump eist dat nationale musea en diensten (waar Park Rangers onder vallen) weer onverkort „Amerika’s grootsheid” uitdragen. Het Witte Huis publiceerde een lijst bezwaarlijke objecten uit de musea van het roemruchte Smithsonian Institute: van feministische kunst tot een portret van Anthony Fauci, de corona-expert die bij de egomane president in ongenade is gevallen.
Dat lijstje wekt onweerstaanbaar associaties met het offensief tegen Entartete Kunst in nazi-Duitsland. Ook toen was het verwijt dat kunsten te negatief waren over de eigen cultuur, te bizar of ‘gestoord’. Iedere dictator, dus ook Trump, heeft bovendien de behoefte vooral zijn eigen tronie larger than life te zien prijken aan monumentale gevels.
Trumps offensief tegen de ‘zelfhaat’ die Amerikaanse universiteiten, musea en nationale parken zou bederven, past in zijn rancuneuze cultuuroorlog. In veel grote musea heeft het idee dat de Amerikaanse geschiedenis een triomfantelijke mars was van de (witte) beschaving plaatsgemaakt voor een evenwichtiger beeld van een natie die ook, of zelfs nog meer, is gebouwd op geweld, racisme en onderdrukking. Na de huifkarren, pioniers en astronauten hebben eindelijk ook vrouwen, zwarte en inheemse Amerikanen en Latino’s hun plaats gekregen.
Dat revisionisme was broodnodig, maar wekt uiteraard ergernis bij wie Amerika vooral wil zien als de idyllische natie van illustrator Norman Rockwell, vol vrijstaande huizen met een vlaggenstok en blije gezinnen rond de Thanksgiving-kalkoen. Kortom, het Trump-visioen.
Bovendien: zoals elk historisch revisionisme kan ook dit doorslaan in hypercorrectie. In The Museum of Other People (2023) waarschuwt antropoloog Adam Kuper voor het dogmatisch weren van ‘koloniale’ presentaties uit etnografische musea, ten gunste van het onkritische ‘eigen verhaal’ van inheemse volken. Dat kan leiden tot nieuwe eenzijdigheid en een herleving van aloude clichés over nobele maar simpele natuurmensen, weerloos tegenover een koloniale overmacht – een sjabloon dat door nieuwe generaties historici (ook inheemse) nu juist wordt aangevochten.
Wat hier schuurt, is het dilemma van nationale musea, die in tegenstelling tot particuliere een dubbele taak hebben. Ze moeten nieuwe generaties bezoekers historisch correct informeren over hun natie, de duistere kanten ervan niet verhullen of bagatelliseren, maar tegelijk hun band als staatsburgers ermee bestendigen of versterken.
Dat blijft lastig balanceren. Chauvinisme ligt altijd op de loer, maar zelfkastijding kan ook een valkuil zijn. Als je land voor eeuwig verpletterd ligt onder erfzonden, waarom zou je er nog je best voor doen? Weg ermee, dan.
Opvallend genoeg is dat zwartgallige idee van een compleet gedegenereerde natie juist te vinden bij Trump en zijn chauvinisten. Zij hunkeren naar een Umwertung aller Werte, een radicale breuk. Censuur en staatspropaganda horen daarbij. Op scholen, aan universiteiten – en in musea.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC