Florian Jansen (25) moest door een moeilijke thuissituatie snel opgroeien. Met een baan, nieuwe vrienden en na diepe introspectie heeft hij stabiliteit gevonden: ‘Ik ontdek een nieuwe wereld.’
Waar ben je opgegroeid?
‘Ik woonde tot mijn zevende met mijn ouders en broertje in Asenray, een dorp ten oosten van Roermond. Gelukkig kon ik mezelf goed vermaken, want het dorp ligt nogal geïsoleerd. De basisschool was zes kilometer verderop. Ik leefde een beetje in mijn eigen wereld, struinend van speeltuintje naar speeltuintje en door de bossen.
‘Thuis was het niet makkelijk. Een paar jaar na mijn geboorte ging het niet goed met mijn moeder. Inmiddels weten we dat ze schizofrenie heeft. Ze begon veel te drinken en werd catatonisch: ze staarde voor zich uit, waardoor contact maken onmogelijk was. Vaak lag ze op bed, of was ze drank halen. Mijn vader nam alle zorg op zich, maar door zijn baan als leraar klassieke talen aan de Universiteit Leiden kon hij er niet altijd zijn. Soms waren we een week alleen.
25 in ’25
In de serie 25 in ’25 vragen we jongeren geboren in 2000 hoe ze zijn geworden wie ze zijn en hoe ze hun toekomst zien. Meedoen? Mail een korte omschrijving (opleiding/woonplaats/bijzonderheden) naar: 25in25@volkskrant.nl
‘Hulp van buitenaf kregen we niet. Mijn vader was als de dood voor Jeugdzorg: kinderen die daarmee te maken krijgen, krijgen het vaak nog moeilijker, was zijn redenering. Hij wilde zorgen voor een zo stabiel mogelijke jeugd, en dus verhuisden we met het gezin naar Bergen, waar hij vandaan komt. Hij zei zijn baan op om zo goed mogelijk voor ons te zorgen. Achteraf kun je stellen dat mijn vader hulp had moeten inschakelen, maar hij was zo bang zijn gezin te verliezen, dat-ie dat nooit heeft gedaan.’
Ging het beter na de verhuizing?
‘In Bergen vond ik het fijner. Ik had meer aansluiting met de streek, maar voor onze thuissituatie maakte het geen verschil. Het drinken van mijn moeder werd erger. Niet gek, want om daar vanaf te komen heb je gewoon hulp nodig. Dat heeft nog een paar jaar op zich laten wachten, tot de juffen van de basisschool erachter kwamen dat er iets aan de hand was. Ik weet niet precies hoe dat is gegaan. Mijn broertje en ik gedroegen ons apart, denk ik. Je kunt waarschijnlijk wel aan een kind zien dat het niet goed gaat thuis. Zij hebben toen contact opgenomen met Jeugdzorg.
‘Mijn broertje en ik werden uit de klas gehaald en naar een kantoortje op school gebracht. Daar zaten twee mensen van de Kinderbescherming die vertelden dat we per direct uit huis gezet werden. Die bom is heel plotseling gebarsten. De eerste negen jaar niks, en ineens moet je vanuit school, zonder afscheid te nemen van je ouders, naar een pleeggezin.’
Hoe reageerde je daarop?
‘Redelijk emotieloos. Ik liet het over me heen komen, hoefde er niet om te huilen. Mijn broertje is heel zacht, dus voor hem was het heel pijnlijk. We werden bij een stel in Edam geplaatst. Best een logische plek. Het is heel afgelegen, aan het Markermeer, midden in een polder waar je niet zomaar weg kunt lopen als kind.’
Hoe was het in het pleeggezin?
‘De basis was er, maar meer ook niet. We kregen kleren en speelgoed, gingen naar school, speelden buiten, maar ik vond het vreselijk. Ik was er eenzaam. Vriendjes maken lukte niet. Na een half jaar besloot onze voogd van Jeugdzorg dat we beter naar een gesloten opvanggroep in Zandvoort konden. Dat was een hele verbetering. De begeleiding was goed, met de andere kinderen was het fijn.
‘Na een aantal maanden mochten we weer in contact komen met onze vader, tijdens bezoekmomenten. Uiteindelijk werd besloten dat we naar huis mochten, mits onze moeder niet meer thuis zou wonen. Zij kreeg inmiddels wel hulp, maar moest van instelling naar instelling. Ze had baat gehad bij een permanente plek, maar die was er niet. Met veel moeite zorgde mijn vader ervoor dat mijn moeder het huis uitging. Op mijn elfde mochten we terug.’
Ben je daar naar de middelbare school gegaan?
‘Ja. Ik kreeg havo-advies, maar deed vmbo-basis. Probeer maar om te leren, als je zoveel hebt meegemaakt. Ik zag het nut er niet van in. Wel was ik altijd mezelf, en als je dat uitstraalt, trek je mensen aan die bij je passen. Ik vond leuke vrienden, en de boel ging langzaam de goede kant op.
‘Ik haalde mijn diploma, maar vond geen goede vervolgopleiding. Na een extra jaar vmbo-kader kon ik wel iets doen wat ik graag wilde: machinist worden. Door wat ik heb meegemaakt, vind ik stabiliteit en voorspelbaarheid fijn. Dat beroep geeft je dat. Baangarantie, een goed salaris, duidelijke diensten. Het was een rationele overweging.
‘Na de opleiding begon ik in de trein en brak een stabielere periode aan. Ik werkte, en woonde nog bij mijn vader en broertje in Bergen. Over de dingen die ik had meegemaakt, praatte ik weinig. Ook thuis niet. Mijn vader had last van woedeproblemen. Hij kon heel boos worden, ook op ons. Daardoor durfde ik me niet te uiten bij hem.’
Hoe is de relatie met je familie nu?
‘Mijn moeder zie ik niet. Ik ben niet boos op haar, want ze is psychisch niet goed in orde, dus haar gedrag is niet haar schuld. Ik hoop dat ze goed opgevangen wordt, maar ik vind het te lastig om haar te zien. Ik heb er vrede mee, zo.
‘Mijn broertje en ik gaan heel goed samen, dat deden we al vanaf het allereerste moment. We hebben bijna een telepathische band, zeggen vaak dezelfde dingen tegelijkertijd. Misschien niet gek, na onze jeugd. Als ik hem opzoek zie ik mijn vader ook, en dat gaat goed. Maar mede door zijn boosheid praat ik weinig over mijn gevoelens. Het is wat het is, dacht ik. Maar trauma is voor mij als een stuwmeer. Af en toe moet er iets uit, anders stroomt het over. Of nog erger: dan breekt de dam. Daar kwam ik achter toen ik op mezelf ging wonen.’
Waarom wilde je dat graag?
‘Ik had stabiliteit gevonden en was klaar voor iets nieuws. Ik kwam in Den Helder terecht. Het voldeed aan al mijn eisen: betaalbaar, net gerenoveerd, in Noord-Holland en op 10 minuten fietsen van mijn werk. Aan de schaduwkant die ik met me meedroeg besteedde ik nog steeds geen aandacht. Toch uitte die zich: ik had last van hoofdpijn, stress, en werd heel snel verliefd op meisjes die ik nauwelijks kende.
‘Het was obsessief. Als ik een leuke meid tegenkwam, kon ik alleen nog maar aan haar denken. Ik lees veel Freud, dus nu weet ik dat ik door mijn jeugd extra op zoek ben naar warmte en geborgenheid. Ik woonde natuurlijk ook voor het eerst alleen. Het was nogal eenzaam.
‘Op Netflix zag ik Peter Pan, een film die ik ook als klein kind heb gezien. Dat maakte iets in me los. Het voelde alsof iets uit het verleden me greep. Nu moet ik het eruit sleuren, dacht ik. Voor het eerst in een hele lange tijd kon ik huilen. Eindelijk kon ik aan mezelf toegeven dat ik het anders wilde.’
Wat wilde je anders doen?
‘Ik wilde uit mijn bubbel, uit de stagnatie. Ik had nog twee vrienden van de middelbare school, en zag mijn broertje en vader, maar verder was ik eenzaam. Uiteindelijk durfde ik toe te geven aan mezelf dat ik behoefte had aan contact met nieuwe mensen. Dat was echt een omslag.’
Heb je die mensen gevonden?
‘Als je je zo lang hebt afgezonderd, kost het moeite om een sociale kring op te bouwen. Ik hou niet van uitgaan en ik drink niet, dus de kroeg is mijn plek niet. Ik dacht na over mijn hobby’s en interesses, en hoe ik via die weg gelijkgestemden kon vinden. In de bibliotheek van Alkmaar vond ik een leesclub voor twintigers. Daar moet ik heen, dacht ik. Sindsdien ben ik daar mijn plek aan het vinden, en kijk of ik daar vriendschappen kan vormen. Ik hou van filosofie en non-fictie, maar we lezen vooral romans. Ik ontdek dus een nieuwe wereld, zowel binnen de boeken als op sociaal gebied. We eten soms samen. Ze zijn lief, rustig en sociaal. Ik had geen betere groep mensen kunnen treffen.’
Florian Jansen (25)
Woonplaats: Den Helder
‘Een 8. Ik moest heel snel volwassen worden, zeker op het gebied van zelfredzaamheid. Ik kan heel goed voor mezelf zorgen. Qua sociale en emotionele vaardigheden scoor ik iets lager.’
‘Een beetje: ik werk parttime en ben heel tolerant. Alleen wat smaak betreft wijk ik af. Ik strijk iedere ochtend mijn overhemd, draag elke dag een pak met stropdas. Ik ben volwassen en stabiel, dat wil ik ook uitstralen. Qua maatschappelijk denken ben ik onderdeel van mijn generatie, qua smaak een oude ziel.’
‘Ik hoop dat ik kwetsbaar durf te zijn en fijne mensen heb verzameld. Wellicht ben ik dan ook aan het studeren, psychologie bijvoorbeeld.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant