Home

Kinderen vrezen niet alleen het geweld, maar vooral de leegte van onze antwoorden

is huisarts en columnist van de Volkskrant.

Haar knieën bungelend van de stoel, haar handen verfrommeld in haar mouwen. Ze heeft last van angsten en eindeloos piekeren, vertelt haar moeder. ‘Wat maakt je zo bang?’, vraag ik haar. Even rollen haar ogen geïrriteerd in hun kassen en zie ik een mengeling van irritatie en verlegenheid. Maar als ik de stilte laat bestaan, worden ze vochtig.

De woorden komen schokkerig en sommige blijven steken in haar keel. Het zijn geen monsters onder haar bed. Geen pestkoppen op het schoolplein. Het zijn berichten over meisjes die van hun fiets worden getrokken en slachtoffer worden van geweld. Beelden van bombardementen in Oekraïne. Kinderen in Gaza, huilend van de honger. Foto’s van leeftijdsgenoten met kogels in hun hoofd.

‘Ik begrijp het soms gewoon niet’, fluistert ze. ‘Waarom doet niemand iets?’

De vraag brengt me terug naar mijn eigen jeugd. Of beter: naar mijn vroege volwassenheid. Het was 2005. Ik was 23 en reisde tussen bachelor en master een aantal maanden met mijn zus door Zuidoost-Azië. Onze rugzakken waren te zwaar, ons budget te licht, en de Lonely Planet was onze bijbel. We dansten op full moon party’s, bezochten tempels die glansden in de zon en lieten ons in een schemerig straatje een broekpak aanmeten dat nergens goed zat behalve in onze verbeelding.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Tot we in Cambodja kwamen. Met een bont gezelschap backpackers uit heel Europa stapten we in een tuktuk naar de Killing Fields. We wisten vaag wat ons te wachten stond, maar toen we uitstapten leek het alsof er een doek werd weggetrokken. In de aarde onder onze voeten lagen nog tanden. Voor ons stond de boom waartegen baby’s waren doodgeslagen.

In de S21-gevangenis staarden meisjes van onze leeftijd ons op zwart-witfoto’s aan: gefolterd op manieren die ons voorstellingsvermogen ver te boven ging. Een Noors meisje in de groep gaf over. Een Duitse, de jongste van de groep, fluisterde opgelucht: wij waren dus niet de enigen die zulke wreedheden hebben begaan. Een Engelse die tot die tijd nog geen vijf minuten haar mond had gehouden, zei de rest van de dag geen woord meer.

De volgende dag belden we naar huis vanuit het internetcafé. We vertelden over Cambodja: overal mensen met missende ledematen, het gruwelijke verhaal van een land dat verscheurd leek te zijn. Mijn moeder zuchtte. ‘Ja’, zei ze, ‘Pol Pot, dat weten we.’ ‘Maar mam, dit was in de jaren zeventig’, zei ik verontwaardigd, ‘waarom deed niemand iets?’

En nu is het 2025. We hoeven niet meer te wachten op een documentaire die jaren later het echte verhaal onthult. Het nieuws dringt zich op in pushmeldingen en filmpjes. Geen wonder dat in het Unicef-jongerenadvies van 2025 veiligheid bovenaan de zorgenlijst van jongeren staat. We weten. We zien. Elke dag. En toch gaat het door.

Misschien is dat nog verwoestender voor kinderen dan de beelden zelf: de wetenschap dat onrecht gewoon mag blijven bestaan. Dat volwassenen kijken, scrollen, zuchten en vervolgens buienradar checken. Ook het gebrek aan daadkracht moet voor kinderen onbegrijpelijk zijn. We weigeren demonstratief deel te nemen aan het Eurovisiesongfestival, als moreel statement. Maar kinderen met kapotgeschoten benen of kanker brengen we niet naar onze ziekenhuizen. Dáár trekken we de grens. Wat zegt dat eigenlijk over wie wij zijn?

Het meisje in mijn spreekkamer, met haar grote ogen en slungelige lichaam, stelt de vraag die haar al die tijd bezighoudt, maar die ze niet eerder durfde uit te spreken uit angst egocentrisch te lijken: ‘Als niemand iets voor die kinderen doet, en de oorlog komt hier, zorgt er dan wel iemand voor mij?’ Haar woorden snijden door alle jargon van beleid en geopolitiek, door woorden als ‘soevereiniteit’ en ‘proportionaliteit’.

Ik wil iets wijs zeggen, iets dat geruststelt, relativeert, misschien troost biedt. Maar zij legt genadeloos de vinger op de zere plek: kinderen vrezen niet alleen het geweld, de bommen en de kogels, maar bovenal de leegte van onze antwoorden.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next