Home

‘O, wat heb ik spijt van gehad mijn huwelijk. Ik wilde voortaan vrij zijn’

José Leers-Ploumen is 100 jaar. Ze bidt elke dag om nog een paar jaar te mogen leven. Waarom had deze levensgenieter liever niet willen trouwen?

José Leers-Ploumen beleeft nu de gelukkigste jaren van haar leven, vertelt ze. Hoewel de 100-jarige niet meer gelooft in een almachtige God, bidt ze elke dag voor nog wat jaren erbij. De Limburgse vertelt openhartig over haar niet altijd even makkelijke leven.

Hoe ervaart u de ouderdom?

‘Ik wil nog lang niet weg, ik vind het leven zo mooi. Ik ben nieuwsgierig naar elke volgende dag. Dit zijn de gelukkigste jaren van mijn leven. Ik voel mij zo vrij. Ik geniet nog van lekker eten en bridgen. Als mijn maatje en ik winnen, kom ik vol adrenaline thuis van de bridgeclub. We staan vrij hoog in de B-klasse, eerder heb ik in de A gespeeld. Ik kook nog zelf, maar ga ook graag de deur uit om iets te nuttigen.

‘Ik wil niet weg omdat ik weet dat er na de dood niets meer is. Ik ben katholiek opgevoed met het verhaal dat er een hiernamaals is waar je elke dag warme pap krijgt met een gouden lepel. Maar in de oorlog ben ik mijn geloof kwijtgeraakt; waar was God toen kinderen naar de gaskamers werden gebracht? En waar is hij nu om Poetin en Trump een draai om hun oren te geven? Toch bid ik elke dag tot de heilige Antonius van Padua, voor kracht om nog een paar jaar te kunnen leven.’

Hoe kijkt u terug op uw jeugd?

‘Ik ben geboren op 14 juni 1925 in Scheulder, een gehucht in Zuid-Limburg. Ik ben braaf opgevoed, met bidden en werken. We woonden op een vrij grote boerderij met vier Belgische werkpaarden, die de ploeg en de mestkar moesten trekken, en veertig à vijftig koeien, dat was veel voor die tijd.

‘Ik had een jongere broer, na zijn geboorte kon mijn moeder geen kinderen meer krijgen. De boerderij was veel te groot voor mijn ouders, daarom hadden we twee knechten en een dienstmeisje. Zij aten aan een andere tafel en sliepen bij de paarden in de stal – dat moet verschrikkelijk voor ze zijn geweest. Mijn ouders betaalden ze wel goed.

‘Ik was bang voor onze paarden en koeien. Een keer zette een knecht mij op zo’n grote knol, ik was een jaar of 8, hield mij vast aan zijn manen en schrééuwde het uit van angst. Voor geen goud wilde ik een toekomst op een boerderij, dus ook niet trouwen met een boerenzoon. Dat wilden mijn ouders wel, er waren genoeg belangstellenden; omdat we een groot bedrijf hadden, was ik een aantrekkelijke partij.

‘Iedere schoolvakantie werd ik uit logeren gestuurd naar een neef en een nicht van mijn vader, een ongetrouwde pastoor en zijn zus die de huishouding voerde. Die neef was aardig en nam mij mee naar de wereldtentoonstelling in Brussel. Die tante was verschrikkelijk. Ze zat vol haat, omdat ze zich tekortgedaan voelde door haar ouders, die elk dubbeltje hadden omgekeerd voor haar broer, zodat hij kon studeren aan het seminarie, maar niet voor haar. Ik moest altijd bij haar in bed slapen, heel ongemakkelijk. Gelukkig stopten de logeerpartijen op mijn 15de, toen de oorlog uitbrak.

‘Rond 5 uur werd ik wakker van een hels kabaal. We renden net als iedereen in ons gehucht naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. Er vlogen vliegtuigen over, Duitse soldaten reden op motoren met zijspan voorbij. Sommige buurtbewoners riepen uit angst: ‘Heil Hitler’ en ‘Sieg Heil’. In onze buurt waren ongeveer 120 Nederlandse soldaten gelegerd. Die jongens vlogen het erf van de omliggende boerderijen op, twee zochten hun toevlucht bij ons. De Duitsers gingen ze achterna. Terwijl wij bij onze poort stonden te kijken, reden twee Duitse soldaten ons erf op, een mitrailleur in de hand. Eén pakte mij bij mijn middel, als een schild werd ik voor hen gezet. Met de handen omhoog kwamen de Nederlandse soldaten aangelopen. Wat ik nooit zal vergeten, is dat terwijl ik werd vastgehouden, niemand iets deed, zelfs mijn ouders zeiden niks. Ze stonden als bevroren.

‘Mijn ouders namen onderduikers in huis. Sjeuf Brouwers, verzetsleider in onze streek, was een goede vriend van mijn vader. Op een dag kwam ik thuis uit Heerlen, waar ik huishoudkunde studeerde, en zag Sjeuf bij ons aan tafel zitten. Mijn vader zei: ‘We hebben je opgegeven als koerierster.’ Ik vond het fijn iets te kunnen doen, maar als ik nog eens voor verzetswerk zou worden gevraagd, zou ik ‘nee’ zeggen! Het was zó gevaarlijk. Een keer moest ik een revolver afleveren. Onderweg op de fiets werd ik aangehouden, en dacht: nu pakken ze me. Maar die Duitse agenten waren alleen geïnteresseerd in mijn fiets, in mijn tas keken ze niet. Ik had hemelsbreed geluk, ook al moest ik 1,5 uur naar huis lopen. Thuis heb ik zitten brúllen: ‘Ze hebben mijn fiets afgepakt!’

‘In een park hier in de buurt liggen zes verzetslieden die zijn gefusilleerd, daar had ik ook bij kunnen liggen.’

Is het u gelukt om te ontsnappen aan het boerenleven?

‘Ik trouwde met een Leers, met André, de oudste zoon van de eigenaar van wasmachinefabriek Victoria, hier in Brunssum. Daar was mijn vader niet blij mee, zakenmensen vertrouwde hij niet. Op zijn advies ben ik op huwelijkse voorwaarden getrouwd. Dat heeft uiteindelijk nadelig voor mij uitgepakt, want nadat mijn man op zijn 40ste was gestorven aan de gevolgen van een noodlottig bedrijfsongeval, kreeg ik geen cent. Een dag na de begrafenis moest ik van mijn schoonvader onze auto inleveren. Ik leefde van een weduwepensioen en moest elk dubbeltje omdraaien.’

Was hij uw grote liefde?

‘Mijn grote liefde was Jules, zo’n mooie jongen en zo anders dan andere jongens. Hij leerde mij een arm om elkaar heen leggen en zoenen. Ik was 16 jaar toen hij het uitmaakte. De pijn in mijn hart is nooit weggegaan. Ik heb altijd gehoopt dat hij zou terugkomen. Hij leeft niet meer.

‘Met André ben ik 18 jaar getrouwd geweest – een verschrikkelijke tijd. Voor ons huwelijk werd ik in de watten gelegd door zijn ouders, ik kreeg de mooiste jurken en geschenken – ze waren duidelijk blij dat hij ging trouwen. Na de bruiloft trok ik bij zijn ouders in. Ze bleken hun dienstmeid te hebben weggestuurd en lieten mij het huishouden doen, 23 jaar lang. Terwijl ik huishoudkunde had gestudeerd en lerares had kunnen worden. Elke dag kookte ik voor de familie en bracht mijn schoonouders iedere ochtend beschuit en versgeperste sinaasappelsap op bed.

‘Van mijn man heb ik niet veel plezier gehad. Hij werkte in de fabriek van zijn vader en was alcoholist. Dat bleek hij al te zijn toen we trouwden, maar dat wist ik toen niet. Hij was een agressieve drinker, ik moest altijd op mijn hoede zijn. Na thuiskomst uit de kroeg heeft hij mij een keer ’s nachts zo geslagen dat ik een scheur in mijn hoofd had. Ik heb mij meerdere keren met mijn kinderen moeten opsluiten als hij dronken thuiskwam, anders zou hij ons hebben vermoord. De angst voor zijn alcoholisme was groter dan mijn angst als koerierster tijdens de oorlog.

‘Uit de kroeg had hij veel vrienden. Op zijn begrafenis lieten ze op het orgel Ich hatt einen Kameraden. Einen bessern findest du nit spelen. Dat vond ik verschrikkelijk.’

Hoe hield u zich staande?

‘Ja kind, hoe hield ik mij staande? Vooral door mezelf te blijven en mij de meerdere te voelen. Ik leefde met de dag, in een soort vacuüm. Twee keer ben ik weggelopen, naar mijn ouders. ‘De derde keer laten we je niet meer gaan’, zei mijn moeder. Dat was voordat we kinderen kregen, vier in vijf jaar, de pil was er nog niet.

‘André had ook goede kanten: onze kinderen nam hij geregeld mee uit kroketten eten en we gingen bosbessen plukken in de Ardennen. Onze drie oudsten zijn vanaf hun 12de jaar naar kostschool gegaan, een traditie van de familie Leers en mijn familie – ook mijn ouders zijn op kostschool geweest. Onze oudste begon te gillen als we na een bezoek eens per maand zonder hem wegreden. Een straat verderop hoorde ik hem nog. Die pijn voel ik nog. Gelukkig zijn al mijn kinderen goed terechtgekomen.

‘Ik denk dat mijn man zo veel dronk omdat hij zich dan meer mans voelde tegenover zijn vader en broer, die een lage dunk van hem hadden. Hij was niet de slimste. Als hij dronk, durfde hij meer. Na zijn dood heb ik nog vijf jaar bij mijn schoonouders ingewoond, tot ik met financiële hulp van mijn ouders een eigen huis kon kopen. Aan inkomsten kwam ik door de verhuur van een kamer aan een Amerikaan die werkte bij Afcent, het militaire hoofdkantoor van de Navo in Brunssum. We raakten goed bevriend, speelden bridge en maakten mooie reizen door Amerika. Raymond heeft 45 jaar bij mij ingewoond, elke dag kookte ik voor hem. Hij vroeg mij ten huwelijk, zoals ook een andere goede vriend deed, maar ik heb nooit meer willen trouwen, want o, wat heb ik spijt van gehad mijn huwelijk. Ik wilde voortaan vrij zijn.’

Stel dat u uw leven mocht overdoen, welke keuzen zou u dan maken?

‘Ik zou een sterrenkok zijn geworden, in een mooi hotel of restaurant, net zoals Margo Reuten (Limburgse chef-kok van restaurant Da Vinci in Maasbracht, red.). Ik heb nog steeds een goede smaak, ook al ben ik 100.’

José Leers-Ploumen

geboren: 14 juni 1925 in Scheulder

woont: zelfstandig, in Brunssum

beroep: huishoudkundige

familie: vier kinderen, drie kleinkinderen, vijf achterkleinkinderen

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next