Rowin Jansen | universitair docent rechtswetenschap De discussie rond de ‘sleepwet’ is symbolisch voor wat vaker misgaat in Den Haag: sturen op basis van onderbuikgevoelens en mediadruk en dat vertalen naar onuitvoerbare eisen. Dat zegt Rowin Jansen, die promoveert op het toezicht op de inlichtingendiensten. „Politici willen schone handen houden op een inherent rommelig terrein.”
Rowin Jansen: „Het hele land zou onder tap van de diensten kunnen komen te liggen, was de vrees. Maar die wet reguleert alles wat de diensten doen.”
Sinds de invoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in 2017 strijden de Nederlandse geheime diensten en hun onafhankelijke toezichthouders – de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten – over de inzet van ingrijpende spionagemiddelen: onder welke voorwaarden mogen ze afluisteren, op grote schaal hacken of internetkabels aftappen?
In algemene zin functioneert het toezicht, maar op een paar essentiële gebieden niet, stelt jurist en universitair docent rechtswetenschap Rowin Jansen (Radboud Universiteit). Maandag 29 september promoveert hij op het toezicht op de Nederlandse inlichtingendiensten. Niet eerder werd het toezichtstelsel, op basis van open bronnen én gesprekken met ministers, de diensten en toezichthouders, zo doorgelicht.
Het kán overigens wel, zegt Jansen. Toezicht houden op het geheime werk van inlichtingendiensten binnen een rechtsstaat die gebaseerd is op transparantie en controleerbaarheid van de overheid, is niet per definitie tegenstrijdig. „Je moet die diensten zien als een schild voor diezelfde democratische rechtsorde. Ze opereren aan het randje van de rechtsstaat om die te kunnen beschermen. Onze geheime diensten hebben daarom vergaande bevoegdheden en daar moet je heel streng op toezien.”
De discussie over het toezicht spitst zich al jaren toe op het 'ongericht' en daarmee op grote schaal aftappen van internetkabels – de voornaamste reden om de verouderde inlichtingenwet in 2017 aan te passen. Jansen: „Dat debat over ontspoorde en is niet meer terug op de rails gekomen gekregen.” . Onder de nieuwe wet kunnen inlichtingendiensten voor het eerst op grote schaal bulkdata van internetkabels binnenslepen.
Dat leidde tot politiek geruzie en zelfs een raadgevend referendum in 2018. Politieke beloftes om het aftappen onder scherp toezicht te stellen, bleken technisch onhaalbaar en legden daarmee de kiem voor de huidige patstellingen, ziet Jansen. De inlichtingenwet is „een aanbouwproject” gebleven, schrijft hij in zijn proefschrift Toezicht op de AIVD en de MIVD.
„Grote delen van het toezicht werken wel”, zegt Jansen in gesprek met NRC. „Maar rond het aftappen van internetkabels is de wet te complex en onuitvoerbaar geworden.”
In het debat over de nieuwe wet, de ‘sleepwet’ genoemd, ging het uitsluitend over dat aftappen. Wat voor gevolgen had dat?
„Dat de discussie ontspoorde, omdat het alleen maar ging over het aftappen van de kabels, het dataverkeer van volledige buurten en wijken. Het hele land zou onder tap van de diensten kunnen komen te liggen, was de vrees. Maar die wet reguleert alles wat de diensten doen, zoals telefoontaps, hacken, een huis binnengaan, microfoons ophangen, volgen, et cetera.
„Bovendien is het aftappen veel minder eenvoudig dan werd gesuggereerd. Het is moeilijk, duur en gericht op actoren of doelwitten in het buitenland. Want als de diensten, even plat gezegd, iemand in Nederland willen volgen, dan bestaan daar makkelijkere methoden voor. Je kunt bij de gemeente informatie opvragen. Je kunt de telefoon afluisteren. Je kunt op de computer binnendringen.”
Is dat de reden dat de diensten zeven jaar later nog steeds nauwelijks de kabel aftappen?
„In de kern wel. Heel veel van wat nu misgaat in Den Haag, is terug te zien in dit dossier: sturen op basis van onderbuikgevoel, mediadruk en framing. En dat vervolgens proberen te vertalen in politieke eisen die niet goed uitvoerbaar zijn. Daar is voor gewaarschuwd, maar daar is niet naar geluisterd. Er is te weinig oog geweest voor die uitvoering – zowel bij de diensten als de toezichthouders.”
Bestaat er bij politici te veel wantrouwen over het geheime werk van de diensten?
„Politici hebben in toenemende mate de neiging om schone handen te willen houden op een inherent rommelig terrein. De discussie over deze huidige wet is in belangrijke mate vanuit wantrouwen gevoerd. En dat wantrouwen is vertaald in allerlei politieke eisen. Dat is niet werkbaar gebleken.”
De climax van de maatschappelijke discussie over de ‘sleepnetwet’ was het raadgevende referendum in maart 2018. Een nipte meerderheid (van minder dan 3 procentpunten) van de Nederlanders stemde tegen de invoering van de wet. Met politieke beloftes probeerden ministers die alsnog door de Kamers te krijgen.
Jansen: „Het kabinet zei én kabelinterceptie te willen én dat zo klein en gericht mogelijk te maken. Terwijl het gaat om bulkinterceptie: het ongericht binnenhalen van data. Je kan wel proberen om dat met politieke beloftes heel klein te maken, maar dat is het gewoon niet."
Om de wet erdoor te krijgen, beloofde het kabinet onder meer het toezicht te versterken – aanvullend op de CTIVD. Er kwam een toetsingscommissie bij. Als de diensten bijvoorbeeld een kabel willen aftappen, moeten ze dat voorleggen aan de TIB.
Bij het ‘gewone’ inlichtingenwerk, zoals afluisteren, DNA-onderzoek en woningen doorzoeken, keurt de TIB zo’n 95 procent van de aanvragen goed – in 2024 zo’n 4.500. Maar bij de kabelinterceptie, het ‘sleepnet’ dus, worden veel aanvragen afgekeurd.
Volgens Jansen beloofde het kabinet dat de TIB ieder verzoek voor een kabeltap aan „een volle toets" zou onderwerpen: niet alleen of het wettelijk klopt, maar ook of er geen alternatief mogelijk is. „Dus natuurlijk is de TIB dat gaan doen. Maar dat kan leiden tot micromanagement. Terwijl, om het scherp te stellen: een defensietoezichthouder bemoeit zich toch ook niet met het aantal kogels dat troepen meenemen achter vijandelijke linies?”
Zorgden die specifieke uitwerkingen van de wet niet voor de gewenste transparantie en helderheid?
„Die politieke toezeggingen waren heel erg aan techniek en aan een tijd gebonden. De diensten zouden bijvoorbeeld niet in data van streamingdiensten meekijken, maar wat als nu blijkt dat terroristen communiceren via YouTube-comments?
„Een andere uitzondering ging over het uitfilteren van Nederland-Nederland-verkeer, zeg maar: internetcommunicatie bínnen Nederland. Toen bleek later dat de Russische militaire geheime dienst Nederlandse routers had gehackt, en via die Nederlandse apparaten aanvallen uitvoerde.”
Wat moet er dan gebeuren?
„Ik denk dat overheidsinstanties altijd een zekere mate van vertrouwen verdienen. Natuurlijk moet je ze heel kritisch volgen. Maar een stelsel van wantrouwen tegen een eigen overheidsdienst opbouwen, dat lijkt me niet houdbaar.”
Het politieke wantrouwen resulteert in „dichtgemetselde en -gekitte wetten en onderliggende stukken met politieke toezeggingen”. Een risico, vindt Jansen, want de gedetailleerde afbakeningen van uitvoeringsbevoegdheden, ontnemen het zicht op waar inlichtingenwerk in de basis over gaat: de nationale veiligheid.
Wat precies onder die nationale veiligheid valt, is nooit gedefinieerd, dat is nu een volledig open norm. Je kunt er intuïtief van alles onder scharen waarvan iedereen zal zeggen: dat is evident nationale veiligheid. Zoals het beschermen van de staatsveiligheid, de staat zelf en staatsgeheimen. Daarna wordt het al wat vager. Neem terrorisme. Het is sterk afhankelijk van wat op dat moment terrorisme is.”
Zoals de vorige week aangenomen motie dat antifa een terroristische organisatie is?
„Ja. Je ziet dat vaak een containerbegrip wordt gekozen om iets onder te scharen, afhankelijk van wat de politiek op dat moment vindt. Enerzijds zie ik bij diensten zelf nog wel eenduidelijke afbakening: ze bewaken strak wat hun taken zijn. Juist door het toezicht op de diensten. Maar aan de andere kant kent het domein van de nationale veiligheid inmiddels veel meer spelers zonder dat heldere toezicht."
Bijvoorbeeld?
„De NCTV (Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid). Daar werkten bij de oprichting zestig mensen en inmiddels ruim driehonderd fte’s. Zij zeggen altijd: wij zijn geen inlichtingen- en veiligheidsdienst. Formeel zijn ze dat ook niet, maar ze zitten wel bij de geheime vergaderingen van de ‘commissie-Stiekem’, de Kamercommissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidheidsdiensten. Die komt bijna iedere week samen. Het toezicht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is afgebakend tot de AIVD en de MIVD. Op het moment dat informatie die twee diensten verlaat, bijvoorbeeld via ambtsberichten, stopt het toezicht. Daarvoor is veel minder aandacht vanuit de politiek – en tot mijn spijt ook vanuit de wetenschap.”
Volgens Jansen moet de wetgever „meer handvatten op papier zetten”. Niet over de technische uitvoering, maar over de principiële afbakening van het werkterrein van de diensten én van de organisaties daaromheen: „Waar stopt de openbare orde? Waar begint het strafrecht? Of: waar begint de nationale veiligheid?”
In 2028 moet weer een nieuwe inlichtingenwet van kracht worden. Wat moet daarin?
„Hoe dan ook moet het toezichtstelsel hervormd worden. We leven in een tijd die steeds meer van vrede naar oorlog kruipt. Die nieuwe wet zal ruimte moeten bieden voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om strategische informatieposities op te bouwen, zeker met betrekking tot het buitenland. Het zal altijd zoeken zijn naar een balans: tussen het veiligheidsstreven en de individuele grondrechtenbescherming.
„Ik denk dat je beide vormen van toezicht – vooraf én achteraf – in die nieuwe wet in één instantie moet onderbrengen. Met twee verschillende toezichthouders op hetzelfde domein organiseer je je eigen institutionele concurrentie. Die nieuwe enkele toezichthouder moet dan wel de bevoegdheid hebben om hard aan de rem te trekken en bindend te zeggen: tot hier en niet verder.”
Maar, voegt hij toe: „Wat mij echt zorgen baart, is dat onder het kabinet-Schoof is aangestuurd op flink bezuinigingen op het toezicht. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat de politiek via de budgettaire weg het toezicht probeert te beknotten.”
Moet die nieuwe wet straks weer in een referendum aan de bevolking voorgelegd worden?
„Het is niet aan mij om het instrument van een referendum te bediscussiëren. Maar in dit dossier komen grondrechtenbescherming en veiligheidsstreven samen in een complexe wet. Als je dat gaat reduceren tot een vraag – bent u voor of tegen? – dan mis je heel veel nuance.”
2013-2019
Studies geschiedenis en Nederlands recht
2019-2025
Promovendus rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit
2025
Deelnemer International Security and Intelligence Programme, University of Cambridge
Vanaf 2025
Universitair docent rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC