De verkiezingen naderen, en zoals altijd buitelen partijen over elkaar heen met stoere taal over veiligheid en orde. In de programma’s van VVD, PVV en JA21 klinkt daarbij telkens dezelfde roep: de invoering van minimumstraffen.
Wat op het eerste gezicht daadkrachtig lijkt, betekent in werkelijkheid een uitholling van de rechterlijke afwegingsruimte – symboolpolitiek die de samenleving uiteindelijk onveiliger maakt. Zo verliest de rechter de mogelijkheid om recht te doen aan het individuele geval en kan hij worden gedwongen straffen op te leggen die niet in verhouding staan tot het misdrijf.
Over de auteur
Jordi L’Homme is strafrechtadvocaat bij Kötter, L’Homme & Plasman Advocaten. In de maand september is hij gastcolumnist op volkskrant.nl/opinie.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier meer over ons beleid.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Tijdens de vorige verkiezingen liet een onderzoek van de Nederlandse Orde van Advocaten al zien hoe scheef dit debat ligt. Over sociale advocatuur, lagere griffierechten en betere toegang tot rechtspraak klonken mooie woorden. Maar zodra het ging over fundamentele rechten, een eerlijk proces en de rol van de onafhankelijke rechter, werd het beeld een stuk zorgwekkender. Ook toen was de roep om minimumstraffen een terugkerend thema.
JA21 wil zelfs nog een stap verder gaan, met het Amerikaanse principe three strikes and you’re out: drie keer de fout in betekent levenslang. Stel je een jongvolwassene voor die drie keer wordt gepakt voor relatief kleine feiten – een vechtpartij tijdens het uitgaan, een winkeldiefstal uit geldnood en het bezit van een paar gram drugs. In zo’n systeem verdwijnt hij voorgoed achter de tralies, zonder dat een rechter nog kan wegen of de omstandigheden, de ernst van de feiten of de mogelijkheden tot herstel een andere uitkomst rechtvaardigen.
Het contrast met de doorgewinterde crimineel die doelbewust en stelselmatig geweld gebruikt, maakt de absurditeit zichtbaar: beiden zouden dezelfde draconische straf krijgen.
Eerdere pogingen voor minimumstraffen liepen op niets uit – en niet zonder reden. In 2011 kwam toenmalig minister Ivo Opstelten met een voorstel om zware misdrijven standaard te bestraffen met minstens de helft van het maximum. De Raad van State maakte korte metten met dit wetsvoorstel; de kern van de kritiek was dat het wetsvoorstel buitenproportioneel was, in strijd met het evenredigheidsbeginsel en neerkwam op een aantasting van de rechterlijke afwegingsruimte.
Zes jaar later probeerde PVV’er Gidi Markuszower het nog eens, dit keer met vaste minimumstraffen voor gewelds- en zedendelicten. Wéér trok de Raad van State aan de noodrem. De conclusie bleef dezelfde: zulke voorstellen leveren onrechtvaardige en onaanvaardbare straffen op, snijden de rechter af van de concrete omstandigheden van de zaak en rusten bovendien op wankele motieven.
Deze kritiek raakt aan een fundamenteler punt: de straftoemetingsvrijheid van de rechter. Het is een van de sterke kanten van ons strafrecht en vormt geen overbodige luxe, maar een wezenlijk onderdeel van de rechtsstaat. De wetgever stelt algemene regels vast, de rechter past die toe in het concrete geval. Minimumstraffen doorbreken dit evenwicht en wekken bovendien ten onrechte de indruk dat rechters hun werk niet goed doen.
Het doel van straf is vergelding én het voorkomen van nieuwe delicten. Dat vraagt om proportionaliteit: de straf moet passen bij de ernst van het feit, de schuld, de gevolgen voor maatschappij en slachtoffer en de persoon van de dader. Die afweging is de kern van behoorlijke rechtspraak, zoals verankerd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Alleen zo kan recht worden gedaan aan álle belangen die spelen. Minimumstraffen snijden die mogelijkheid af en kunnen leiden tot disproportionele uitkomsten.
De aantrekkingskracht van minimumstraffen ligt vooral in de electorale belofte van daadkracht. Politici presenteren het als antwoord op het vermeende probleem van ‘softe rechters’. Maar wie de feiten bekijkt, ziet dat Nederlandse straffen in internationaal perspectief allesbehalve mild zijn. Het beeld van de ‘softe rechter’ is een karikatuur – en een gevaarlijke ook. Het is juist de rechter die oog moet houden voor de werkelijkheid van de zaak, niet de politicus met een verkiezingsleus.
En de gevolgen zijn niet alleen juridisch, maar ook maatschappelijk. Te zware straffen vergroten de kans op recidive en leiden tot ontwrichting: wie te lang vastzit, verliest werk, relaties en perspectief. Dat maakt de samenleving niet veiliger, maar juist onveiliger.
Die spanning werd afgelopen dinsdag pijnlijk zichtbaar, toen veertien relschoppers zich na de recente geweldsuitbarsting in Den Haag voor de rechter moesten verantwoorden. Het is vrijwel zeker dat onder hen mensen zaten die normaal gesproken pleiten voor hardere straffen, maar nu zelf de rechter vroegen hun persoonlijke omstandigheden mee te wegen bij het bepalen van de straf. Precies dat laat zien waarom de vrijheid van de rechter om maatwerk te leveren onmisbaar is.
Daarom moeten we blijven vasthouden aan de kern: strafrecht gaat niet alleen over vergelding, maar ook over rechtvaardigheid, proportie en perspectief. Minimumstraffen wissen die nuance uit en maken ons land niet veiliger, maar harder en onrechtvaardiger. Met de verkiezingen in aantocht is het aan ons om die koers te keren – en de rechtsstaat te verdedigen tegen politieke spierballentaal voor de bühne.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant