Infantino wankelt, maar zijn val is niet vanzelfsprekend
Hij leek zeker van herverkiezing. Amper een maand geleden nog maar schaarden 200 van de 211 leden van voetbalbond FIFA zich, ondanks jaren van controverses, achter een derde termijn van Gianni Infantino als bondsvoorzitter. Tegenkandidaten hadden zich nog niet gemeld, maar zouden ook bij voorbaat kansloos geweest zijn. Het FIFA-congres volgend jaar februari zou een formaliteit worden.
Maar een week nadat Infantino een omstreden investeringsplan presenteerde vecht hij voor zijn politieke leven. Het plan, waarmee de FIFA twintig procent van de commerciële rechten van het WK wilde verkopen aan beleggers, trok Infantino na drie dagen van kritiek terug. Maar de machtsstrijd in het mondiale voetbal die met de aankondiging losbarstte is daarmee geenszins beëindigd.
De continentale voetbalbonden UEFA (Europa) en CONCACAF (Noord- en Midden-Amerika) zegden hun vertrouwen in Infantino op, nadat de UEFA eerder dreigde het WK te boycotten als het plan werd voortgezet. Onder meer de Engelse, Zweedse en Servische bond trokken hun eerdere steun voor een derde termijn in of gaan dat volgens internationale media doen. De Nederlandse KNVB had die steun nog niet gegeven en kondigde aan dat ook niet te gaan doen.
Ondertussen lieten meerdere hoge FIFA-medewerkers weten niet gekend te zijn in het plan, dreigt de UEFA met juridische stappen en zou Infantino volgens de New York Post steun gezocht hebben bij Marco Rubio, de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken (hoewel het ministerie en de FIFA dat ontkenden). Infantino wankelt, maar strijdt.
Vloog Infantino te dicht bij de zon als ware hij Icarus? Of weet de FIFA-voorzitter zich toch te handhaven als de machtigste man in het wereldvoetbal?
Tellen van de stemmen
Wie Infantino weg wil hebben als voorzitter van de FIFA moet goed kunnen tellen. De politiek binnen de voetbalbond komt in essentie namelijk daarop neer: het tellen van de stemmen. Alle 211 leden van de bond hebben één stem, ongeacht hun omvang en hun belang in het wereldvoetbal. Iets meer dan veertig leden zijn er nodig om een buitengewone vergadering uit te roepen. Een motie van wantrouwen die daar kan worden ingediend, zou van zeker 106 landen steun moeten krijgen.
Hoewel de westerse voetbalwereld Infantino onder vuur neemt, is niet te zeggen hoe groot de weerstand tegen hem precies is. Zeker is wel dat er (nog) geen motie van wantrouwen tegen hem is ingediend. Dat bonden als Engeland, Duitsland en Nederland zich tegen herverkiezing van Infantino keren is gezien hun soortelijke gewicht binnen het voetbal weliswaar relevant, maar voor de stemverhoudingen niet doorslaggevender dan wanneer Gibraltar of de Cook Eilanden dat hadden gedaan.
Zo is het ook relevant dat de UEFA, dat 55 FIFA-leden telt, en de CONCACAF (35 leden) hun vertrouwden opzegden, maar beslist dat op zichzelf niet Infantino’s lot. Allereerst omdat het geen gegeven is dat die negentig landen als één blok stemmen. Veel Europese en Amerikaanse bonden hebben zich de afgelopen dagen nog niet publiekelijk tegen (of voor) Infantino uitgesproken. Mexico en Tsjechië bleken bovendien voorstanders van het investeringsplan, ondanks de weerstand van de CONCACAF en UEFA.
Maar zelfs al zouden alle Europese en Noord- en Midden-Amerikaanse landen als een eenheid optrekken, dan komen ze alsnog stemmen te kort voor een meerderheid. Hoewel alle Europese landen, veelal meer schoorvoetend dan uit enthousiasme, in 2023 Infantino steunden, is zijn machtsbasis binnen het voetbal altijd vooral buiten de grote, westerse landen gebouwd.
De afgelopen dagen spraken veel van die landen zich juist vóór hem uit. Dat Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten dat deden was niet verrassend; hij onderhoudt nauwe banden met sjeiks uit beide landen. Ook de steun van Marokko viel te verwachten. Het land organiseert niet alleen het WK van 2030 (samen met Portugal en Spanje), maar ook vijf opeenvolgende wereldkampioenschappen voor vrouwen tot zeventien jaar. Vorig jaar opende de FIFA haar Afrikaanse hoofdkantoor in de Marokkaanse hoofdstad Rabat.
Belangrijker is de steun die Infantino kreeg van arme, kleine landen. Onder meer de bonden van Bhutan, Sri Lanka, Libanon, Koeweit, Djibouti en Mauritanië kwamen de afgelopen dagen voor hem op. Dat is om meerdere redenen relevant. Allereerst omdat de FIFA meer kleine landen telt dan grote landen. Maar vooral omdat het iets zegt over de diepere wijze waarop binnen de FIFA macht wordt gevormd en uitgeoefend.
Mondialisering van het voetbal
Achter de verdeeldheid tussen grote westerse voetballanden en kleine Afrikaanse en Aziatische bonden gaan namelijk bredere, mondiale machtsverhoudingen binnen het voetbal en de FIFA schuil. Die gaan terug tot het ontstaan van de bond begin vorige eeuw, toen zeven Europese landen, waaronder Nederland, de wereldvoetbalbond vormden.
In de decennia daarna ontwikkelde de FIFA zich tot een vehikel waarmee Europa, waaronder koloniale grootmachten, en Zuid-Amerika hun almacht over het wereldvoetbal bestendigden en vergrootten. Op die continenten werd het voetbal als eerste gespeeld en waren de grootste clubs met de beste voetballers actief in de aansprekendste competities. Alle wereldkampioenen komen tot de dag van vandaag van die twee continenten.
Maar met de dekolonisatie van de wereld werd vanaf de jaren vijftig ook het voetbal mondialer. Afrikaanse en Aziatische landen die net hun onafhankelijkheid hadden bevochten voegden zich bij de FIFA. In 1950 had de bond zestig leden, twee decennia later waren het er ruim twee keer zoveel. Die nieuwe bonden eisten een plek op aan tafel én op het veld; Afrika en Azië hadden tot dan toe amper vaste plekken op het WK.
João Havelange, een Braziliaanse voetbalbestuurder met Belgische wortels, wierp zich vanaf begin jaren zeventig op als een hervormer en stem van het mondiale zuiden. Waar de Engelse FIFA-voorzitter Stanley Rous de oude (koloniale) wereld vertegenwoordigde, beloofde Havelange de bond mondialer te maken, met meer plekken voor Afrikaanse en Aziatische landen op het WK.
Eenmaal verkozen (mede dankzij steekpenningen) kwam hij niet alleen die belofte na, maar legde hij ook de basis voor het moderne, hypercommerciële voetbal. Door voortaan alleen grote multinationals te binden als sponsoren van WK’s (in plaats van kleinere, lokale bedrijven) en door de media- en advertentierechten van toernooien in handen van de bond te houden, stroomde het geld bij de FIFA binnen. Daarmee gaf Havelange ook vorm aan de manier waarop macht binnen de FIFA tot de dag van vandaag wordt vergaard en uitgeoefend.
‘Stemmen kopen’
Want dat geld, zei Infantino zelf bij zijn verkiezing in 2016, „is van de leden”. Alle 211 lidstaten krijgen momenteel elke drie jaar zo’n acht miljoen dollar (6,95 miljoen euro) aan ‘ontwikkelingsgeld’. Voor grote bonden, met omzetten van honderden miljoenen euro’s per jaar, is het een fooi. Maar voor kleine landen is het geld doorslaggevend: het helpt bijvoorbeeld om trainers en spelers betere opleidingen te geven, om betere velden aan te leggen en om competities te professionaliseren.
De keerzijde is dat daarmee een patronagesysteem is ontstaan. FIFA-voorzitters ‘kopen’ als het ware steun – met geld dat dus ook daadwerkelijk het voetbal ontwikkelt. De kleine landen werd met het investeringsplan van Infantino fors meer geld in het vooruitzicht gesteld; de subsidies zouden het komende decennium oplopen tot 24 miljoen dollar per bond tussen 2035 en 2038.
Een „game changer”, zei de voorzitter van de voetbalbond van Bhutan tegen nieuwsbrief How Football Explains Asia. „We zijn afhankelijk van FIFA-geld. We hadden alle dingen kunnen doen die we nu wel willen maar niet kunnen betalen: investeren in trainers, scheidsrechtersprogramma’s, jeugdvoetbal, de competitie ontwikkelen, onze teams naar het buitenland sturen en veel meer.” Veel van de landen die Infantino nu verdedigen, konden de afgelopen jaren dankzij FIFA-gelden scholen, voetbalacademies en nationale stadions openen.
Die dynamiek verklaart ook waarom Infantino nu doorvecht: omdat het geenszins een vanzelfsprekendheid is dat hij de strijd zal verliezen. Omgekeerd weet elke voetbalbestuurder met de ambitie Infantino uit te dagen dat hij of zij zich aan dat systeem moet committeren; de financiële steun aan kleine landen is zowel goed voor het voetbal zelf als noodzakelijk om verkozen te worden.
In Angelsaksische media werd de afgelopen dagen veelvuldig de Canadees Victor Montagliani genoemd als mogelijke opvolger, nu voorzitter van de CONCACAF. Hij is niet zonder controverse. Zo keek hij als voorzitter van de Canadese bond weg toen een succesvolle bondstrainer jonge spelers aanrandde. En hij was betrokken bij een omstreden deal waarbij de media- en marketingrechten van het Canadese voetbal voor een schijntje werden verkocht – wat de bond later geldproblemen opleverde. Het principe van deze deal, zei Montagliani later, „is niet anders dan wat gangbaar is in de wereld”.
Of hij daadwerkelijk voldoende steun krijgt om Infantino uit te dagen moet de komende weken blijken. Vorige week, in het midden van de storm, kondigde de FIFA plots iets aan dat niet los gezien kan worden van de machtsstrijd: nog dit jaar wil de bond besluiten of er 64 landen mee gaan doen aan het volgende WK – een plan dat vooral kleine landen enthousiasmeert. Mocht dat Infantino helpen de strijd te winnen, dan zal de UEFA zich moeten beraden: bindt het in of brengt het met een WK-boycot een bom onder het mondiale voetbal tot ontploffing?
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.