‘Het was heel moeilijk om bij hem weg te gaan. Weinig vrouwen zouden dat durven’
Muthoni Likimani ontvangt in haar huis in een buitenwijk van Nairobi dat ze ruim een halve eeuw geleden zelf kocht, als alleenstaande moeder die werkte als radiopresentator voor onder meer de BBC. Ze doet haar verhaal in perfect Engels, de taal waarmee ze opgroeide.
In haar jeugd was Kenia een Britse kolonie. Likimani werd geboren op een missiepost van de Anglicaanse Kerk. Op een tafeltje voor de schouw liggen haar autobiografie en haar andere boeken uitgestald. Ze is het meest trots op My Blood Not for Sale, de roman die ze schreef toen ze al in de negentig was, over meisjes die de prostitutie in worden gelokt. ‘In werkelijkheid gebeurt dat helaas volop: meisjes die als slaven worden verhandeld.’
Wat heeft u tot nu toe gedaan vandaag?
‘Ik werd om vier uur vanmorgen wakker. Dan ga ik lezen over actualiteiten. Niet alleen wat er in Kenia gebeurt, maar het hele wereldnieuws. De dokter zegt dat ik mezelf overwerk. Vandaag las ik in The Standard (een Keniaanse krant, red.) een artikel over meisjes die onder valse voorwendselen als dienstmeisje naar Arabische landen worden gelokt. Ze worden seksueel misbruikt door hun werkgevers. Dat maakt me zo kwaad.’
Hoe was uw jeugd?
‘Ik kan zeggen dat ik veel geluk heb gehad. Mijn familie was christelijk en goed opgeleid. Mijn vader was een van de allereerste Afrikanen in Kenia die tot priester werden gewijd in de Anglicaanse Kerk. Ik groeide op tussen de Britse missionarissen. Ons huis was vlak bij de kerk. Als we thuis het hek door gingen, waren we bij de school, waar ik van jongs af aan naartoe mocht.’
‘Ik was hecht met mijn acht broers en zussen. Wij moesten onderling wel, want mijn vader was streng. En ik was ondeugend. Ik ben trouwens nog steeds ondeugend, zelfs nu, op mijn 100ste. Ons huis keek uit op een vallei. Aan de overkant lag een dorp. Ik was nieuwsgierig en wilde weten wat er in dat dorp gebeurde. Maar daar mochten wij niet naartoe.’
Waarom mocht u niet naar dat dorp?
‘De mensen die daar woonden, waren Kikuyu, dezelfde stam als wij, maar ze waren niet christelijk. Ze hadden traditionele gebruiken die mijn familie niet accepteerde. Het belangrijkste was: meisjesbesnijdenis. De meisjes waren blij dat ze besneden werden, want daarmee werden ze volwassen en mochten ze trouwen. Een besnijdenisceremonie was groot feest, met dans en zang. Bij een besnijdenis zongen ze speciale liederen. Als jong meisje wilde ik deze liederen ook leren. Maar ik mocht niet gaan kijken, omdat het zo verschilde van onze eigen normen.’
U mocht verder studeren aan de lerarenopleiding voor Afrikaanse meisjes in Nairobi. Hoe was dat?
‘Je kon niet zomaar naar die school. Je moest geselecteerd worden. Voor mij ging de wereld open. Ik heb daar veel geleerd. Schoolse zaken, maar ook over Kenia en het leven. Ik ging veel uit. Mijn moeder was bezorgd. Ik kwam uit dat beschermde milieu van missionarissen en ineens woonde ik in Nairobi!’
Hoe ontmoette u uw echtgenoot, dokter Jason Likimani?
‘Ik ben een Kikuyu. Mijn man is van een andere stam: hij was een Masai. Dokter Likimani was een van de eerste Afrikaanse artsen in Kenia. Als een witte dokter met vakantie ging, moest hij als waarnemer invallen. Hij woonde en werkte daarom overal. Op een gegeven moment werkte hij in het ziekenhuis van Murang’a, waar ik vandaan kom. Hij kende mijn broer. Ze hadden gestudeerd aan dezelfde universiteit. Hij kreeg belangstelling voor mij.’
Werd u verliefd?
‘Jawel. Langzaam. Bij mij kwam het later. Ik had vriendjes gehad. Maar een vrouw moet op een zekere leeftijd trouwen.’
Hoe veranderde uw leven na het huwelijk?
‘Het was niet makkelijk. Ik wist van huis uit alleen: je moet een goed meisje zijn, leven volgens de Bijbel. Maar ik werd blootgesteld aan zaken waarmee ik niet bekend was. Zoals dit: als een man getrouwd is, kan hij tegelijkertijd ook nog een vriendin hebben. Dus ik was een hinder voor mijn echtgenoot, ik stond in de weg.’
Medio jaren vijftig besloot u te scheiden van tafel en bed.
‘Mijn huwelijk pakte niet goed uit. Mijn echtgenoot had een relatie met een verpleegster uit Zuid-Afrika. Ik werd kwaad. Maar we zijn nooit gescheiden via de rechter. Eerst woonde ik een tijdje in een cottage vlak bij het huis van mijn man. Daarna vertrok ik naar Nairobi.’
Was dat een moeilijk besluit?
‘Het was heel moeilijk om weg te gaan. Het was gewaagd. Weinig vrouwen zouden durven wat ik heb gedaan. Maar ik heb lef. En ik kreeg steun van mijn schoonfamilie, vooral van mijn schoonvader. De Masai zijn goede mensen. Als ik nu, op mijn 100ste, opnieuw een Masai zou kunnen trouwen, dan zou ik dat doen.’
U ging werken als ambtenaar bij de spoorwegen. Rond 1958 werd u uitgekozen om in Londen te studeren. Hoe is dat gegaan?
‘Ik had erover gelezen in de krant. De Britten adverteerden met een programma om in het buitenland te studeren. Ik dacht: waarom zou ik dat niet kunnen? Ik had goede cijfers gehaald op school, ik wilde het proberen. Ik deed een aanvraag en geloof het of niet: ik was de enige vrouwelijke kandidaat. En ik werd gekozen. Ik kreeg die studiebeurs, als een van de allereerste vrouwen uit Kenia.’
Uw dochters konden niet mee. Zij bleven in Kenia, bij de familie van uw man. Hoe was dat voor u als moeder?
‘Ik deed het gewoon. Het was moeilijk. Het was pijnlijk. Maar ik heb mijn kinderen nooit in de steek gelaten. Tijdens de vakanties bezocht ik ze bij hun vader. Ik controleerde of het goed met ze ging. Later zijn mijn kinderen bij me teruggekomen.’
‘In de vakanties kwam ze niet over uit Londen, dat kon niet’, zegt haar dochter Jane, die bij het gesprek aanwezig is, achteraf. Wel waren de meisjes in goede handen bij de familie van hun vader. ‘Als kind weet je niet beter dan dat het zo gaat.’
Hoe was Londen?
‘Fantastisch. Als je nu een vliegticket voor me koopt, dan ga ik terug. Aan de London School of Hygiene and Tropical Medicine, waar ik studeerde, leerde ik veel over voeding: gierst en voedsel uit de Arabische wereld, voedsel uit Soedan.’
‘Mijn wereld opende zich verder. Ik ging dansen, ik leerde over andere culturen. Ik was nieuwsgierig. Als je je mond houdt en zelf niet over politiek praat, dan hoor je veel. Elke vrijdag ging ik naar East Africa House (toen een prominente social club, red.) Daar kwamen allerlei andere mensen uit Kenia, Oeganda, Tanzania en Zimbabwe. Ik las daar de krant en luisterde naar ideeën die rondgingen. Bij East Africa House ging het over iets nieuws: onafhankelijkheid. En dat we dit in Afrika kunnen bereiken.’
Hoe belandde u bij de BBC?
‘Ik spreek vloeiend Swahili (een van de belangrijkste talen in Kenia, red.). Sommige bezoekers van East Africa House werkten voor de BBC. Eentje zei tegen me: kom bij ons werken. Ik zei: maar ik kom uit Kenia. Dat kan geregeld worden, zei hij. Zo kwam ik bij de BBC als radiopresentator in het Swahili. Dat werd uitgezonden in Kenia. Ik ben een paar jaar in Londen gebleven.’
Wat herinnert u zich van de dag dat Kenia onafhankelijk werd, in 1963?
‘Ik werkte die dag. Ik was heel blij. De Keniaanse vlag ging omhoog, de Britse naar beneden. Ik geloofde niet dat het echt zou gaan gebeuren. Tot die tijd regeerden de witte mensen Kenia. Ze zaten in de overheid, hoge ambtenaren waren wit, op kantoren zaten witte mensen. Ik was erg voor de onafhankelijkheid. Maar ik heb tegelijkertijd veel aan de Britten te danken.’
Terug in Nairobi ging u werken bij de Keniaanse publieke omroep.
‘Ik vertelde mensen hoe ze hun kinderen moesten voeden. Dat had ik geleerd in Londen. Ik had mijn eigen radiostudio en reed door het land in een bus met opnameapparatuur. Ik ging naar alle gemeenschappen en nam interviews op. Vrouwen wisten toen niet altijd wat ze hun kinderen te eten moesten geven. Kinderen raakten ondervoed en werden ziek, dat wilde ik voorkomen.’
Waar bent u het meest trots op?
‘Dat ik radiopresentator was. Ik zou zo opnieuw solliciteren voor die baan.’
Na haar jaren bij de radio begon Likimani haar eigen uitgeverij. Ze gaf daarnaast lezingen over vrouwenrechten, vaak voor een internationaal gehoor. Haar visitekaartje omschrijft haar als ‘vredesambassadeur’. Ze ontmoette meerdere keren Golda Meir, premier van Israël tussen 1969 en 1974. Ze was politiek actief in de gemeenteraad van Nairobi en stelde zich – vergeefs – kandidaat als parlementslid.
Maar daar wil ze niet over praten, want in Kenia is het politiek onrustig. ‘Politiek houdt me niet langer bezig. Ik ben niet meer politiek betrokken.’
Waarom denkt u dat uw leven zo anders is gelopen dan dat van de meeste Keniaanse vrouwen van uw generatie?
‘Dankzij de Britse missionarissen. Van hen heb ik het zelfvertrouwen gekregen dat ik het kan.’
Haar dochter Jane interrumpeert. ‘Mam, het waren niet alleen de missionarissen, het is je persoonlijkheid.’
‘Ja, misschien is het ook wel wie ik zelf ben. Ik ben Muthoni. Ik ben nieuwsgierig en niet bang. Ik heb lef.’
Wat wilt u meegeven aan Keniaanse jonge vrouwen van nu?
‘Ze moeten het zelfvertrouwen krijgen dat ze het zelf kunnen. Zo’n man die je vertelt: ik ben zo goed in dit en dat, dat kan niet alleen hij, dat kun jij als vrouw zelf ook.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie