Home   2026-08-03 17:31:33

Rechters moeten niet meegaan in maatschappelijke verontwaardiging

Original article

Een jongeman brengt onder invloed van een psychose drie willekeurige mensen om het leven. Gedragsdeskundigen concluderen dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar was. Toch wordt hij veroordeeld tot 22 jaar gevangenisstraf én tbs.

Op het eerste gezicht lijkt dat niet onlogisch. In werkelijkheid raakt deze uitkomst aan het fundament van het Nederlandse strafrecht: straf behoort in verhouding te staan tot schuld.

‘Wat niet vermijdbaar is, is niet verwijtbaar’, schreef strafrechtsgeleerde Willem Petrus Joseph Pompe al. Decennialang was dat het kompas van het strafrecht. Maar in de schaduw van spraakmakende strafzaken voltrekt zich een stille verschuiving: de triomf van vergelding over schuld.

Psychose

De zaak-Thijs H. vormt daarvan de ongemakkelijkste illustratie. Voordat hij het land schokte, was hij een scriptieschrijvende student. Daarna werd hij overspoeld door een floride psychose: gedreven door paranoïde wanen, hallucinaties en katatonie bracht hij drie mensen om het leven. Twee onafhankelijke gedragskundige rapportages concludeerden dat hij ontoerekeningsvatbaar was. Toch liet het hof een derde deskundigenrapport opstellen dat geen uitsluitsel gaf. De opstellers van dit rapport werden later tuchtrechtelijk berispt wegens een gebrek aan inzichtelijke en navolgbare motivering. Uitgerekend hun rapport vormde de dragende pijler van de uiteindelijke sanctie.

Zo rijst de fundamentele vraag: hoeveel betekenis kent het schuldstrafrecht nog toe aan schuld wanneer zelfs een erkende psychose nauwelijks verschil maakt voor de straf? Wie door een psychose niet vrij kon handelen, behoort niet dezelfde morele afrekening te ondergaan als wie bewust handelde. Dat uitgangspunt beschermt niet de dader, maar de rechtsstaat: het voorkomt dat de ernst van het feit de straf bepaalt.

Daar wringt het. Waar de samenleving vanuit emotie mag reageren, wordt van de rechter juist verwacht dat hij maatschappelijke verontwaardiging niet weerspiegelt, maar begrenst. Alleen zo voorkomt hij dat strafrecht verwordt tot collectieve vergelding.

Veelzeggend is dat het hof steunde op nota bene het later gewraakte rapport. De deskundigenrapportages bleken overtuigend genoeg om tbs te rechtvaardigen, maar verloren hun gezag zodra zij strafvermindering impliceerden. Zichtbaar wordt dat gedragswetenschappelijke expertise niet consequent wordt gewogen. Wat resteert, is rechterlijke cherrypicking: een selectieve omgang met wetenschappelijke expertise die ruimte creëert voor maximale vergelding.

Stempel

Daarachter schuilt een structureel probleem. Het strafrecht kent in de kern slechts drie categorieën: volledig toerekeningsvatbaar, verminderd toerekeningsvatbaar en volledig ontoerekeningsvatbaar. De psychiatrische werkelijkheid laat zich echter niet in drie vakjes vangen. Ook een nagenoeg volledig ontoerekeningsvatbare verdachte kan juridisch worden aangemerkt als ‘verminderd toerekeningsvatbaar’: een stempel dat de ernst van de onderliggende stoornis maskeert.

Dezelfde psychose kan in de ene zaak tot substantiële strafvermindering leiden en in de andere nauwelijks doorwerken in de straftoemeting. Maximale vrijheidsbeneming volgt niet ondanks psychose, maar mede vanwege het gevaar dat eruit zou voortvloeien. Daarmee dreigt de psychische stoornis een argument voor langdurige uitsluiting te worden.

De vraag verschuift ongemerkt van de klassieke schuldvraag (in welke mate was deze dader verantwoordelijk?) naar een veiligheidsvraag: hoe lang durven wij het risico nog aan? Schuld maakt plaats voor risicodenken. De patiënt verdwijnt achter het gevaar dat hij belichaamt.

In dat licht valt moeilijk vol te houden dat deze sanctie een behandeldoel dient. De rechtbank zocht nog naar een evenwicht tussen vergelding en zorg. Daardoor kon de tbs-behandeling na zes jaar aanvangen. Het hof koos echter voor een fundamenteel andere koers.

Misleidend

Op papier is het verschil beperkt: 18 tegenover 22 jaar gevangenisstraf. Vier extra strafjaren lijken nauwelijks doorslaggevend. Dat is misleidend. De werkelijke consequentie ligt in het moment waarop behandeling begint. Waar de rechtbank nog uitging van een start na zes jaar, schoof het hof dat moment op naar twintig jaar. Wat oogt als vier jaar extra straf, vertaalt zich in de praktijk naar veertien jaar extra uitstel van psychiatrische zorg.

Daarmee verandert het karakter van de sanctie. Formeel blijft het een combinatie van straf en behandeling, maar materieel komt het zwaartepunt sterker te liggen op langdurige uitsluiting. Een zorgtraject dat pas na twintig jaar detentie begint, staat haaks op de gedachte waarop de tbs-maatregel berust. Behandeling is dan niet langer het uitgangspunt van de maatregel, maar het verlengstuk van een reeds langdurige vrijheidsbeneming.

De zaak-Thijs H. staat daarin niet op zichzelf. Tussen 2015 en 2019 werd tbs 21 keer
gecombineerd met een gevangenisstraf van tien jaar of meer. In de afgelopen vijf jaar
gebeurde dat 48 keer. Hoewel terughoudendheid geboden blijft, roept deze ontwikkeling een ongemakkelijke vraag op: is wat ooit gold als uiterste uitzondering, geruisloos bezig een nieuwe norm te worden?

Geen vrijbrief

Natuurlijk moet de samenleving worden beschermd tegen gevaarlijke daders. Daarover bestaat geen discussie. Maar bescherming is iets anders dan vergelding. Juist onder maatschappelijke druk wordt rechterlijke onafhankelijkheid op de proef gesteld. Zij mag geen vrijbrief worden om af te wijken van gedragswetenschappelijke consensus. Waar deskundigen spreken van een psychotische ontregeling, vraagt een afwijkend rechterlijk oordeel om meer dan semantische mist of juridische constructies waarmee alsnog een restje vrije wil wordt aangenomen.

Wanneer de rechter niet langer begrenst, maar volgt, dreigt hij te verworden tot een maatschappelijke windzak: reagerend in plaats van corrigerend. De stoel van de rechter blijft leeg voor de wetgever, maar kennelijk niet voor het publiek.

Een rechtsstaat bewijst haar beschaving niet in eenvoudige zaken, maar daar waar de druk tot vergelding het grootst is. Zodra zelfs een erkende psychose nauwelijks nog betekenis heeft voor de straf, moeten we ons afvragen of het schuldstrafrecht nog ons morele fundament vormt – of inmiddels vooral een formule is geworden die we blijven herhalen, terwijl we er steeds minder naar handelen.