Alejandro Zambra’s ‘Poeta chileno’ is een roman om in te verdwijnen, elke zomer weer
Toen ik Spaanse taal- en letterkunde studeerde, besefte ik dat ik het Spaans nooit onder de knie zou krijgen als ik de taal alleen in slecht geventileerde universiteitsaula’s zou oefenen. Daarom werkte ik enkele jaren op rij als animator op zomerkampen voor kinderen uit het Baskische Vitoria. Die context bleek ideaal om mijn spreekschroom te overwinnen: de kinderen bekeken me niet scheef wanneer ik een subjuntivo foutief vervoegde, en zelf vertelden ze honderduit, waardoor ik in snel tempo nieuwe woorden leerde.
Een van die kinderen was Eneko, een 11-jarige, verlegen jongen. Van de Spaanse animatoren die hem al langer kenden, hoorde ik dat hij het thuis niet gemakkelijk had; hij had een moeilijke verhouding met zijn vader en oudere broer. Toen we op een dag samen met alle kinderen en animatoren een berg op sjokten – op de top zouden we broodjes met jamón eten – kwam hij naast me lopen. Zijn ogen fonkelden onder zijn groene pet. ‘¿Te cuento una historia?’ Zal ik je een verhaal vertellen?
Van zijn stiefvader – met wie hij wél een goeie band had – had Eneko alle boeken van Geronimo Stilton gekregen. Die kende hij allemaal uit het hoofd en hij schepte er veel plezier in om ze in detail na te vertellen, wat hij dan ook de rest van het kamp zou blijven doen. Wanneer ik hem bij de afwas tegen het lijf liep en hem groette als señor cuentacuentos – meneer de verhalenverteller – glunderde hij en tikte tegen zijn pet. ¡Presente!
Ik moest aan die studentenzomers denken toen ik jaren later de roman Poeta chileno (2020) van Alejandro Zambra las. Ik had al eerder over de Chileense auteur en zijn zorgvuldig gecomponeerde novellen gehoord, maar wat me bovenal aantrok toen ik de roman in een boekhandel zag liggen, was de cover.
Daarop prijkte een zwarte kat die me met felgroene, hypnotiserende ogen aanstaarde. Op de Nederlandstalige uitgave werd die vervangen door een jongen met ballonnen in de hand die vragend in de camera kijkt. Ook de titel klinkt heel anders: Bijna een vader. Maar beide titels dekken de lading van het boek: het hoofdpersonage Gonzalo wil zielsgraag een Chileense dichter én een liefhebbende vader zijn. Geen van beide wensen blijkt gemakkelijk te vervullen.
Stuntelende dichters
In Chili worden dichters op handen gedragen; het leverde met Gabriela Mistral en Pablo Neruda twee Nobelprijswinnaars af, of zoals een personage het verwoordt: ‘We zijn dubbelkampioen poëzie, het is het enige waarin we aantoonbaar goed zijn.’ Maar hoe word je dichter in ‘een literair land waar poëzie op een eigenaardige, irrationele manier relevant is’? Het boek bulkt van de geestige passages waarin Gonzalo en andere aspirant-dichters stuntelend hun weg zoeken, afwijzingen door uitgevers verwerken en levensbepalende keuzes maken; zoals of ze het lettertype van hun Word-document zullen veranderen in de hoop hun matige gedichten naar een hoger niveau te tillen.
Ook zijn rol als vader vinden is niet eenvoudig voor Gonzalo. Wanneer hij een relatie aangaat met een jeugdliefde die een kind heeft uit een vorige relatie, wordt hij plotseling de stiefvader van de 6-jarige Vicente; een taak die hij na enige vertwijfeling – moet hij zich tot hem verhouden ‘als grote broer, leuke oom of huisclown’? – met verve vervult.
In een prachtige scène in een supermarkt wil de kassierster weten wat Gonzalo en Vicente precies bindt. Zijn ze soms broers? Nee? Wat dan wel? ‘We zijn vrienden’, stamelt Gonzalo. Het woord ‘stiefvader’ krijgt hij niet over zijn lippen, want padrastro heeft net als andere woorden die eindigen op -astro een negatieve connotatie in die ‘achterlijke Spaanse kuttaal’, aldus Gonzalo. Nog pijnlijker wordt het wanneer hij en Vicentes moeder uit elkaar gaan en hij na een hartverscheurend afscheid het contact met Vicente verliest en diens ex-padrastro wordt.
Poeta chileno is een boek om een zomer lang in te verdwijnen, een vuistdikke roman over dichters die romans haten: ‘Al die bladzijden. Alsof een gedicht niet genoeg is.’ In een lichtvoetige stijl vraagt Zambra zich af wat een familie tot een familie maakt en hoe lezers en schrijvers geboren worden.
Net als Gonzalo wordt Vicente een fervente lezer – en later ook een Chileense dichter – nadat hij een vers van Emily Dickinson heeft gelezen en verzucht: ‘Ik begrijp er niets van maar ik vind het prachtig.’ Het is ook een boek over mannelijkheid – naast suffige dichters en zoekende vaders dolen door de roman ook familiepatriarchen, mansplainers en jongens die hun weinige Engels van pornovideo’s hebben geleerd.
Heerlijke scènes
Tegelijkertijd gaat het boek over literaire stambomen en marktwerking in het boekenvak. Zo bevat het heerlijke scènes over een Amerikaanse journalist die een stuk over straathonden wil maken, maar na druk van haar redacteur (die dolgraag een nieuwe Bolaño wil ontdekken) een reportage over Chileense dichters schrijft en alle hoeken van de literaire scene te zien krijgt tijdens hilarische diepte-interviews met de vele kleurrijke dichters die het land rijk is.
Meer nog dan het verhaal zelf is het de toon van Poeta chileno die me steeds weer naar de roman doet terugkeren. Een boek van Zambra openslaan en de stem van een van zijn vertellers horen, voelt voor mij als afspreken met een gevoelige, grappige stiefvader die aan de andere kant van de wereld woont, maar in wiens gezelschap ik me thuis voel. Ondertussen heb ik Zambra’s hele oeuvre gelezen, maar Poeta chileno is mijn lievelingsboek gebleven. Ik herlees het elke zomer – al kan ik het verhaal lang niet zo goed navertellen als Eneko de avonturen van Geronimo Stilton.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie