‘Bloedeigen’ waagt zich aan een taboe van jewelste: de ouder die geen ouder meer wil zijn
Kinderen neem je niet, die krijg je. Ze zijn een gift, een gunst die je wordt verleend door het universum. Soms heb je geluk en soms niet. Zo werd het mij als kind verteld door mijn buurvrouw, wier zoon onvruchtbaar bleek. Het is geen gegeven, wilde ze maar zeggen, het is iets waarvoor je dankbaar moet zijn.
Soms kun je ze wel krijgen, maar wil je ze niet. Of misschien zou je ze wel willen, maar heb je de middelen niet om het kind op te voeden of vindt je omgeving dat je ze om andere redenen moet afstaan.
In Bloedeigen behandelt Margo Hoogenberk dit thema op een onconventionele en pijnlijke manier. De centrale figuur is Hebe, die als kind illegaal vanuit Griekenland werd geadopteerd door Floris en Marina, een welvarend Nederlands stel. Ze konden wel kinderen krijgen, maar Marina wilde haar lichaam graag intact houden, en Floris kende nog wel ergens een mannetje.
Dat is natuurlijk vragen om problemen, denk je meteen. Hebe kan zich op latere leeftijd moeilijk binden aan haar vriend Guido en zijn dochter Mila, die haar onwillekeurig als moederfiguur gaat zien. En dat is precies wat Hebe niet wil. Ze wil wel naar Mila’s schoolvoorstelling, maar dat ‘maakt [haar] geen moeder’, benadrukt ze met alle kracht.
Tot dusver niets wereldschokkends: iemand die geadopteerd is, heeft moeite om te aarden omdat haar eigen oorsprongsverhaal onduidelijk is. Kennen we.
Maar dan komt het plot op gang. Het verhaal wordt grimmiger: men kreeg lucht van de illegale adoptie en Marina en Floris probeerden Hebe als 6-jarige af te staan aan een welgesteld Grieks gezin, maar dat mislukte. Floris draaide de bak in, Hebe bracht de rest van haar jeugd door in pleeggezinnen en bleef worstelen met de vraag waar ze thuishoorde.
Hoogenberk heeft een interessant thema te pakken: de herziene kinderwens. Een taboe van heb ik jou daar. Stiekem zal iedere ouder het wel – ver weg – in het achterhoofd hebben gehoord, dat stemmetje: als ik dit geweten had.
Maar je zegt het niet hardop, nooit, ondenkbaar, onmogelijk. Extra wrang dus dat Hebes adoptieouders haar wilden afstaan: ‘Mijn adoptie was geen goede daad, maar het toppunt van [Floris’] consumentisme.’
Verschillende perspectieven
Bloedeigen is een mozaïekvertelling: de hoofdstukken worden afwisselend verteld vanuit Hebe, haar adoptiemoeder Marina, haar latere partner Guido en haar biologische moeder Agnes.
Een logische vertelvorm, omdat die verschillende perspectieven het mogelijk maken om recht te doen aan de veelzijdigheid, de contradicties en de spraakverwarringen. Bij een sensitief thema als dat van Bloedeigen kan het bijna niet anders. Je mist zo veel als je alleen Hebes kant van het verhaal zou horen.
Toch is er iets aan de hand met de compositie van het verhaal. Iets wat ik niet helemaal begrijp. Hoogenberk brengt namelijk een duidelijke hiërarchie aan tussen de vier perspectieven. Zes van de hoofdstukken gaan over Hebe, drie over Guido, twee over Marina en één over Agnes.
De suggestie: het is vooral Hebes verhaal, die van de andere personages staan in dienst van dat van haar. Die indruk wordt verder versterkt doordat alleen Hebes hoofdstukken in de eerste persoon worden verteld en de andere hoofdstukken in de derde persoon. Peter Buwalda doet ook zoiets in Bonita Avenue: alleen Joni’s hoofdstukken zijn in de eerste persoon geschreven, die van Sigerius en Aaron in de derde persoon. Het gewicht ligt dan toch bij Joni.
Dat is allemaal prima, als het een duidelijke functie heeft. In het geval van Bloedeigen twijfel ik daarover, ik denk er in ieder geval nog steeds over na.
Onsympathieke personages
Wie de meeste indruk op me maakte was Marina, die de prijs wint voor het minst sympathieke personage. Al was het een nek-aan-nekrace. Floris kan er ook wat van met zijn connecties, zijn optimisme en zijn criminaliteit. Van Hebe ging ik langzaamaan wel houden – ik zag de hoopvolle ogen van dat 6-jarige meisje voor me – maar haar bindingsangst maakt haar ook onhebbelijk, met name in haar reacties op Mila: ‘Kinderen. Ze leiden je af van waar je mee bezig bent, eisen met hun schattige kinderogen dat zíj het middelpunt van je leven worden.’
Maar Marina spant de kroon. Haar hoofdstukken lezen als een trage film met Isabelle Huppert in de hoofdrol, wat deels te maken heeft met het decor: een luxe appartement in Parijs, inclusief bediende.
Haar verhaal staat in scherp contrast met dat van biologische moeder Agnes, die om economische redenen afstand blijkt te hebben gedaan van haar dochter, maar altijd aan haar is blijven denken. Voor Marina is Hebe een voetnoot geworden onder aan een zwarte bladzijde van haar levensverhaal: ‘Soms dacht ze aan wat er van Hebe was geworden, al kon ze zich niets voorstellen bij een volwassen versie van dat onhandelbare meisje.’
Sterk om zo iemand een podium te geven. Die luiheid, die achteloosheid, de vanzelfsprekendheid waarmee ze neemt en weer wegdoet. Had ik meer van willen lezen.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie