Valeria Luiselli’s essayistische roman ‘Begin midden einde’ is van een grote schoonheid
Eerst het einde: Begin midden einde, de nieuwe roman van de Mexicaanse Valeria Luiselli, die ze overigens in het Engels schreef en niet in het Spaans (ze woont al jaren in New York), is een briljant weefsel dat een fundamentele vitaliteit opwekt; het rekt je denken en verbeelding op.
Dan het geheel: wie leerde niet dat een goede tekst een begin, midden en einde moet hebben, een ‘kop-romp-staartstructuur’? Die eis van ‘compleetheid’ stelde de Griekse wijsgeer Aristoteles in zijn Poëtica (ca. 335 v.Chr.), die nog altijd onze westerse manier van vertellen dicteert.
Volgens hoofdpersoon Manuela Camposanto degradeert Aristoteles het midden ‘tot een soort half-bestaan, alsof het slechts bestaat op grond van zijn positie tussen het begin en het einde’.
Ze houdt er een pleidooi voor, ‘omdat we uiteindelijk geen andere keus hebben dan ergens middenin te zitten’. Alleen: hoe nu verder met dit verhaal, dit leven, met de wereld, hoe is de overkant te bereiken?
Beginnende dementie
Het plot is klein, de subtekst groot. Manuela schrijft aan een roman over haar moeder met beginnende dementie en vraagt haar die te vertalen, zodat ze ‘zichzelf keer op keer overschrijft; een dam, zij het een tijdelijke, tegen het vergeten’.
Tegelijkertijd verhaalt ze over een reis die ze met haar puberdochter Ella maakt naar het Sicilië van haar grootmoeder Nanna, die uit armoede naar Mexico emigreerde, waar ze haar geheugen en verstand verloor. Op haar oversteek nam ze een oud-Romeinse mozaïektegel mee die ze als dagloner, vermomd als man, bij een archeologische opgraving had gestolen.
De tegel kon, net als de afgebeelde zeegod en profeet Proteus, de toekomst voorspellen, blijkbaar vol verschrikkingen, want zowel Manuela’s moeder als haar grootmoeder verloor haar geheugen door naar de tegel te kijken. Om dit intergenerationele trauma te herstellen willen ze de tegel terugbrengen naar de plek van herkomst.
Hoewel in deze roman naar een begin en einde wordt verlangd, is het vooral een boek over het midden: zo wordt er een reis gemaakt die niet echt eindigt en zoekt Manuela halverwege haar leven, na een dramatische scheiding, naar een nieuw begin.
Op een abstracter niveau verdiept het boek zich in noties als tijd en (literaire) vorm. Toch onttrekt de roman zich niet aan Aristoteles’ wetten. De roman kent een chronologisch tijdsverloop als het om het verhaal gaat. Er wordt nagedacht over een begin, een persoonlijk én universeel begin, zoals dat van de aarde en de mens, maar ook over hoe een verhaal te beginnen: ‘Ik raak verstrikt in mogelijke beginscènes, ingewikkelde plots, geïmproviseerde premissen: een verhaal over een moeder en een dochter.’ Daarom opent het boek Bijbels: ‘In het begin waren er een moeder en een dochter.’
Proteus betekent ‘begin’ of ‘bron’: het idee van prima materia waaruit alles is voortgekomen. Ook Nanna staat voor de tijd. Als ontdekt wordt dat ze zich slechts als man vermomde maar in werkelijkheid een vrouw is, moet ze haar ontblote bovenlijf tonen. Manuela schrijft hierover: ‘De vorm van een klok kan het beeld oproepen van een borst, met een tepel die omhoog wijst, naar de onverbiddelijke hemel die al dan niet vanaf eenzame hoogte ons aardse lot bepaalt.’
Bij wijze van thuisonderwijs leest Manuela haar dochter voor uit de klassieken, zoals Vergilius’ Aeneis. ‘Aeneas verlaat het verwoeste Troje, terwijl hij de hand vasthoudt van zijn jonge zoon en hij zijn oude vader op de schouders draagt. Samen vormt dit het beeld van de moeilijke middelbare leeftijd, denk ik. (…) Het is makkelijker te begrijpen als je de drie-eenheid verandert in grootmoeder, moeder, dochter: misschien valt de zwaarte van het Romeinse patrimonium dan enigszins weg.’
Ella zelf raakt verslingerd aan De wereld – Naturalis historia van Plinius de Oudere.
Catastrofale tijden
Ondertussen barst de Etna uit en zijn er overal op het eiland bosbranden. Als het einde nadert, ‘is dat geen gebeurtenis, maar een besef van tijd: in catastrofale tijden zitten we vast in de tijd’, maar, zei Luiselli in een interview met de Spaanse krant El País, we krijgen tegelijkertijd de mogelijkheid nieuwe vormen van leven te zoeken.
Haar werk is tegelijkertijd essayistisch en fragmentarisch, om zoekend te kunnen denken en te ontsnappen aan een vaste structuur: ‘een essay kan de tijd opschorten’.
Het liefst schrijft Manuela een omgekeerde catastrofe, ‘vanaf het einde van de wereld tot aan het begin; vanaf het verlies van herinneringen tot aan het eerste beeld van de wereld dat op het netvlies gebrand staat van een groot, bruin oog’.
Er wordt hoog spel gespeeld met fictie. Moeder en dochter praten over het schrijven, moeder en dochter schrijven aan hetzelfde boek. Als Manuela het boek niet afkrijgt, schrijft Ella het einde, zodat haar grootmoeder het kan vertalen.
Ze ordent de aantekeningen van haar moeder door ze te voorzien van deeltitels, die ze uit Plinius haalt. ‘Hemelgapingen’, ‘Bloedregens’, ‘Begin, midden einde’, ‘Wonderen van het vuur’: ze geven het boek iets mythisch, de status van een klassieker. ‘Begin midden einde’, ‘dochter moeder oma’: de personages spiegelen de tijd en wisselen van rol, ook in de zorg voor elkaar.
Migratie
Zoals altijd schrijft Luiselli over migratie, en tegelijkertijd over zoveel meer: over mythologie, de getijden, klimaatverandering, geheugenverlies, verbeelding: ‘Ik wil schrijven over het gevoel van verlies, voorvoeld verlies. Over het einde van de tijd zoals we die ooit hebben gekend, over gestrand zijn in de tijd (…) om te begrijpen hoe hij is veranderd, en dan misschien met de tijd mee te bewegen in plaats van ertegenin te gaan.’
En o ja, volgens Aristoteles moet schoonheid een vorm hebben, anders is zij niet waarneembaar (wat me zeer voor hem inneemt): ‘één die door het geheugen nog als een geheel kan worden bevat’. Groot is deze schoonheid.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie