Kom er maar eens om: Wim Thomassen was een bestuurder die burgers níét naar de mond praatte
Wat was zijn bitterste levenservaring, wilde Vara-presentatrice Letty Kosterman in 1966 weten van Wim Thomassen, die op dat moment één jaar burgemeester van Rotterdam was. Mogelijk had zij gehoopt op een ontboezeming in de privésfeer van de geïnterviewde, maar daar was Thomassen de man niet naar.
Nee: voor hem was het falen van de ‘radicale politieke vernieuwing’ na 1945 de bitterste levenservaring. Hier sprak een man wiens bestaan – hij was geboren in 1909 – volledig door de politiek was gedefinieerd.
Voor de oorlog had hij als rekkelijk bestuurslid van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), de jongerenafdeling van de socialistische SDAP, al gezinspeeld op een brede progressieve volksbeweging. Tijdens de Duitse bezetting had hij zich, met circa negenhonderdduizend landgenoten, aangesloten bij de Nederlandse Unie – de (nadien omstreden) massabeweging voor vooruitstrevende confessionelen, liberalen en sociaaldemocraten.
In 1943 pleitte hij in de illegale brochure Nieuwe Koers voor een brede, progressieve volkspartij. Oftewel: voor de zogenoemde doorbraak waaruit na de bevrijding de Partij van de Arbeid zou voortkomen, maar die geen einde maakte aan de politieke versnippering die Thomassen als de voornaamste weeffout van het politiek bestel in Nederland had aangemerkt. Met de mislukking van dat experiment had Thomassen zich ruim twintig jaar later nog niet verzoend. En dat zou de rest van zijn leven – hij overleed in 2001 – ook niet meer veranderen.
Een ijzer- en staalsocialist
Het politieke primaat in het leven van de derde naoorlogse burgemeester van Rotterdam heeft diens biograaf, de sociaal geograaf Klaas Tammes (1948), enigszins beperkt in zijn mogelijkheden. Hem stonden overwegend ambtelijke notities, krantenknipsels en notulen ter beschikking, zodat het buitenpolitieke leven van Wim Thomassen er in het boek nogal bekaaid van afkomt.
Maar dan veronderstel je dat daar überhaupt leven was. Thomassen heeft niet die indruk gewekt, en van zijn echtgenote An (Anna Nelly Lind) ging ook geen aansporing uit om te breken met de plichten die beiden zichzelf hadden opgelegd. Wim, een overtuigd ‘ijzer- en staalsocialist’, meende op de wereld te zijn om het werkende volk te behoeden voor de rampspoed van de jaren dertig. Voor hem waren de belangen van ondernemers – mits die waren behept met een sociaal geweten – alleszins verenigbaar met die van hun werknemers.
Tegen de geluidsoverlast van de industrie had hij geen bezwaar, want lawaai betekende bedrijvigheid, en bedrijvigheid betekende welvaart. En welvaart schiep de condities voor welzijn, maar welzijn was een luxe die Nederland zich naar zijn smaak pas in de verre toekomst zou kunnen veroorloven. Tot die tijd moesten fabrieken worden gebouwd, vaargeulen voor olietankers worden uitgebaggerd en snelwegen tot voorbij de einder worden doorgetrokken.
In huize Thomassen werd, zo kan uit het boek van Tammes worden opgemaakt, dus uitsluitend over politiek geruzied. Nooit over wereldse onbenulligheden. Het echtpaar leefde in een sfeer van ascese. Tijdens de zomervakanties onderwierp het de vier kinderen volgens een van hen aan een ware ‘wandelterreur’.
En Wim had bijkans alles gelezen wat ooit over Zuidpoolreizigers is geschreven, en etaleerde die kennis – als het zo uitkwam – graag in wijkcentra of tijdens vergaderingen van de gemeenteraad. Daarmee zijn de wetenswaardigheden over het privéleven van Wim Thomassen wel zo’n beetje uitgeput.
Goede burgemeester in een verkeerde tijd
Toch leest de biografie van ‘de drijver’, zoals Thomassen lovend of misprijzend werd genoemd, als de tragedie van een man die ‘als goede burgemeester in een verkeerde tijd’ terechtkwam. Als burgemeester van Zaandam (van 1948 tot 1958) oogstte hij lof met de standvastige wijze waarop hij het hoofd bood aan de manipulaties van de communisten in de gemeenteraad.
In Enschede, waar hij van 1958 tot 1965 burgemeester was, beijverde hij zich – zonder op noemenswaardig weerwerk te stuiten – voor stadsdoorbraken, de vestiging van een technische hogeschool en het doortrekken van de E8 (de huidige A1) naar het oosten van het land, ‘de Aziatische kant van de IJssel’.
In deze jaren van wederopbouw strookten de werkwijze en de opvattingen van Thomassen nog met de tijdgeest. Maar in Rotterdam, waar hij in 1965 aantrad, was dat niet langer het geval. ‘Waar stinkt het dan?’, vroeg hij aan stadgenoten die zich over stankoverlast hadden beklaagd. In het stadscentrum zag hij liever kantoren dan woningen verrijzen, want ‘wat maakt het eigenlijk uit waar mensen televisie kijken?’
Oude stadswijken konden wat hem betreft beter worden gesloopt dan gesaneerd. Hij kon nogal geprikkeld reageren op demonstranten, die hij beschouwde als overbodige figuranten in een parlementaire democratie. Tijdens een bezoek aan Japan bood hij, zonder voorafgaand overleg met de gemeenteraad of zijn wethouders, keizer Hirohito (die in Nederland nog alom als oorlogsmisdadiger werd beschouwd) de Erasmuspenning aan.
Tegenwerking ondervond hij vooral van zijn progressieve partijgenoten van Nieuw Links. Zij maakten zich meester van de PvdA-fractie in de gemeenteraad en onderwierpen de PvdA-wethouders aan de fractiediscipline, het aloude leerstuk van de scheiding der machten aan hun laars lappend. In dit krachtenspel zou Thomassen wellicht ten onder zijn gegaan als hij in 1974 niet de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Nieuw Links kraaide victorie met de benoeming van André van der Louw als zijn opvolger.
Met de kennis van toen kun je zeggen: Thomassen was te veel met zijn tijd gaan detoneren. Met de kennis van nu kun je zeggen: hadden we maar meer bestuurders die het niet als hun voornaamste opdracht zien om de burger te behagen.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie