Deze drie hoopvolle boeken maken korte metten met de illusie van machteloosheid
Hoewel ik doorgaans een optimistisch persoon ben, vliegt het me geregeld aan. Hittegolven, bosbranden, overstromingen, oorlogen: de ene ramp is nog niet voorbij, of de volgende dient zich alweer aan.
Voor een reeks catastrofes die elkaar relatief snel opvolgen en op complexe wijze met elkaar samenhangen bestaat in de wetenschap een fraaie term: het ‘cascade-effect’. Als in een getrapte waterval vindt een kettingreactie plaats waardoor steeds nieuwe rampen ontstaan, zoals hongersnoden en epidemieën. Met alle gevolgen van dien: sociale en politieke onrust kunnen de ontwrichting verder vergroten.
Dit cascade-effect deed zich ook in de geschiedenis van Nederland voor. In de jaren 1672-1675 bijvoorbeeld, toen een keten van oorlog, politieke opstanden, overstromingen en ziekte-uitbraken elkaar in hoog tempo opvolgden.
Nu lijken we op wereldschaal zo’n cascade-effect mee te maken. Klimaatverandering brengt een keten van reacties teweeg, van weersextremen tot bosbranden en overstromingen. Doemdenken ligt op de loer: is dit het begin van het einde? Volgens een recente schatting vielen er rond de twintigduizend extra doden tijdens de laatste hittegolf in Europa. Wacht maar, dit is pas het begin.
Voor wie zich moede- of machteloos voelt, bestaat er een medicijn. Dat zijn de boeken van de vooruitgangsdenkers. De optimisten die laten zien dat de mens door de eeuwen heen vooruitgang heeft geboekt. De activisten die tegenwicht bieden tegen fatalisme en apocalyptisch denken.
Een van de krachtigste hoopbrengers van dit moment is de Amerikaanse schrijver Rebecca Solnit. De historicus en activist publiceerde meer dan twintig boeken, waaronder het indrukwekkende A Paradise Built in Hell – The Extraordinary Communities That Arise in Disaster uit 2008. Ze liet daarin zien dat mensen in tijden van rampspoed bereid zijn elkaar te helpen. Of het nu gaat om de aardbeving in San Francisco in 1906 of orkaan Katrina in 2005, in de chaos van de catastrofe ontstaan vormen van heldenmoed en solidariteit die voor onmogelijk werden gehouden.
Dit soort altruïsme zouden we volgens Solnit ook een plaats moeten geven in ons dagelijkse bestaan, zonder dat er een ramp voor nodig is. Door ‘prosociaal’ gedrag te stimuleren, zouden we ook beter voorbereid zijn op toekomstige rampen.
In A Paradise Built in Hell had Solnit al oog voor de verwoestende effecten en de oneerlijk verdeelde gevolgen van klimaatverandering. Meer dan welke ramp ook, zo voorspelde ze, zou klimaatverandering onze samenleving op de proef stellen. Om die te overleven is nog meer improvisatievermogen, sociaal vertrouwen en een rechtvaardige verdeling van middelen nodig. Zij zoekt houvast in het verleden, want de geschiedenis laat zien dat de mens in staat is een paradijs te bouwen in de hel.
In haar nieuwste boek, in het Nederlands verschenen als Het begin volgt op het einde, volgt ze dezelfde redenering. We bevinden ons volgens Solnit in een stadium van ontbinding: de oude wereld is stervende. Die ontbinding baart monsters, zoals het rechtse autoritarisme in het Amerika van nu. De globale klimaat- en biodiversiteitscrisis lijkt onherroepelijk het begin van het einde in te luiden.
Maar niet getreurd, stelt Solnit, want er is hoop. Ze diept uit het recente en verdere verleden tal van gebeurtenissen op die vooruitgang laten zien. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen grote emancipatiebewegingen op gang, zoals de zwarte burgerrechtenbeweging, de tweede feministische golf en de homobeweging. Aan de basis daarvan lag een verlangen naar gelijkheid, inclusie en respect. En moedige mensen, zoals Martin Luther King, die geweldloosheid, integratie en onderlinge verbondenheid predikten.
De historische feiten tonen dus dat een betere wereld mogelijk is. De samenleving van 2025 ziet er immers in veel opzichten beter uit dan die in 1965. Tot die vooruitgang behoort ook het teruggeven van stukken geroofd land aan de oorspronkelijke bewoners in de Verenigde Staten of het toekennen van rechten aan niet-menselijke entiteiten, zoals dieren en de natuur. Daarbij vervulde de bioloog Rachel Carson een pioniersrol, aldus Solnit.
Selectieve grabbelton
Maar, zo luidt een voor de hand liggende tegenwerping: gebruikt Solnit de Amerikaanse geschiedenis niet louter als een selectieve grabbelton?
Tegen die kritiek wapent Solnit zich door te stellen dat er altijd tegenbewegingen zullen zijn. Tegenbewegingen die individualisme in plaats van onderlinge verbondenheid centraal stellen en waarin eenlingen regeren. Denk aan de ‘zakenman die profijt heeft gehad van zijn ras, zijn geslacht, zijn geërfde voorsprong en mogelijkheden, maar vindt dat hij het allemaal zelf heeft gedaan en niemand iets ‘verschuldigd’ is’. Lees: Trump.
Naast de geschiedenis is de metafoor Solnits krachtigste wapen. Na ieder einde volgt een nieuw begin, luidt haar hoopvolle boodschap. Denk aan de vlinder die ontstaat uit een slijmerige brij, zaden die vruchten dragen, rivieren die zich verbreden en honingbijen die als gelijken tot hun beslissingen komen.
Solnit vertrouwt erop dat de onderstroom – nog zo’n beeldspraak – sterker zal zijn dan de tegenbeweging en sluit zelfs af met de constatering dat we, ondanks alle ‘afschuwelijke verwoesting’, in een gouden tijdperk leven.
Spiritueel activist
Voor wie de hoopvolle boodschap dichter bij huis wil zoeken, kan ook terecht bij Jan Rotmans, transitieonderzoeker en hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. Tegenwoordig noemt hij zich ook spiritueel activist, omdat hij veel kracht put uit yogasessies die de mens dichter bij zijn gevoel brengen.
In zijn meest recente boek, Kanteltijd – Op weg naar een betere wereld, wemelt het van de metaforen. Ook bij hem moet de verandering vanuit de onderstroom komen, terwijl kalkoenen voor hem de bovenstroom ofwel zittende, gestaalde macht representeren.
Belangrijk verschil met Solnit is dat hij zijn inzichten op Nederland toepast. Hij is daarbij aangenaam concreet. Hij doet tientallen voorstellen voor hoe Nederland eerlijker, groener en slimmer kan worden. Geen domein blijft onbesproken, van woning tot zorg, van onderwijs tot kunst, van kleding tot voedsel. Zo deelt Rotmans onder meer zijn enthousiasme over voedselbossen, speciaal door mensen aangelegd om voedsel te produceren. Een voedselbos werkt als de natuur zelf, zonder kunstmest of pesticiden, en bevordert biodiversiteit. Het vraagt relatief weinig onderhoud en draagt bij aan een veerkrachtig ecosysteem.
Wie ‘Kanteltijd’ leest, krijgt acuut zin om bij te dragen aan duurzame transities. De energie en wilskracht spatten ervan af
Rotmans presenteert ook een reeks lokale initiatieven, zoals gemeenschapsboerderijen en wijktuinen die bijdragen aan een voedselsysteem dat minder schadelijk is voor het milieu. Hij breekt verder een lans voor de circulaire campus, schone opslag van energie en pleit voor een grotere waardering voor filosofen en kunstenaars die ons denkvermogen vergroten en de verbeeldingskracht stimuleren.
Zijn stelling dat welvaart veel meer omvat dan alleen economische groei, resoneert. Het moet gezegd: wie dit boek leest, krijgt acuut zin om bij te dragen aan duurzame transities. De energie en wilskracht spatten ervan af.
Wel overspeelt Rotmans zijn hand wanneer hij domeinen betreedt waar zijn expertise duidelijk niet ligt. Neem zijn pleidooi voor een herinrichting van het onderwijslandschap volgens het Agora-concept, waarbij docenten een soort alleskunners zijn en leerlingen proactieve, creatieve talenten die een persoonlijke leerroute opstellen en zo eigenaar worden van hun eigen leerproces.
Ronduit kolderiek wordt het wanneer Rotmans stelt dat Nederland weer een gidsland moet worden en een beroep doet op ‘onze grootse daden’ uit het verleden. Wij Nederlanders hebben immers ons land gemaakt uit water! En bracht Nederland niet genieën voort als Van Gogh, Rembrandt en Cruijff?
De laatste was een aarts-Nederlander, die eigenzinnig was en altijd het gelijk aan zijn zijde had. Waar is onze morele superioriteit gebleven, verzucht Rotmans. Het zit toch in de Nederlandse volkaard om leidend te zijn?
Dat soort passages doet geen recht aan zijn belangrijke boodschap dat iedereen kan bijdragen aan een betere wereld. Nederlanders zetten zich bijvoorbeeld massaal op vrijwillige basis in voor natuur en groen. Van zwerfafval opruimen in de buurt tot het gemeenschappelijke onderhoud van groenstroken: het heeft allemaal een positieve impact op de leefbaarheid in de buurt.
Rotmans maakt daarmee korte metten met de illusie van machteloosheid. Mensen denken dat ze nauwelijks invloed hebben op de complexe systemen waarin zij functioneren. Maar wij zijn het systeem, en kunnen het dus ook veranderen.
Weerbarstige praktijk
Wie scepsis of weerstand voelt omdat de praktijk vaak weerbarstig blijkt, kan zich tot slot nog wenden tot het hoopvolle boek van Katrien Termeer, hoogleraar bestuurskunde aan de Wageningen Universiteit.
Anders dan Solnit en Rotmans richt ze zich vooral op mensen in het openbaar bestuur en organisaties die systeemverandering nastreven. Denk aan ambtenaren, politici, beleidsmakers, adviseurs en bestuurders die vaak tegen een muur van regels en obstakels oplopen.
Haar boek heeft meer weg van een les- of managementboek, maar is geschreven vanuit dezelfde ambitie om de wereld te verbeteren. Ze laat overtuigend zien dat grote veranderingen vaak bij kleine, betekenisvolle stapjes beginnen. Vergelijk het met de wens om te willen afvallen: je kunt het beste beginnen met kleine succesjes die motiveren om door te gaan.
Een van de dossiers die ze bespreekt is dat van de kringlooplandbouw, die in 2017 voor het eerst op de politieke agenda kwam te staan. Kringlooplandbouw moet leiden tot een drastische vermindering van emissies naar bodem, lucht en water, een betere bodemkwaliteit en herstel van biodiversiteit. Termeer bespreekt hoe idealen en praktijk geregeld op elkaar botsen en hoe academici soms verstrikt raken in discussies over wat de beste transitiestrategie is.
Of de Kamerleden en boeren daarmee gediend zijn, zo merkt ze terecht op, is maar de vraag. Maar ze laat ook zien met welk type vragen je een vastgelopen gesprek weer op gang kunt brengen en welk type interventies wel en niet werkt.
Waar Rotmans grootse vergezichten presenteert en graag snel vooruit wil, benadrukt Termeer dat lang niet iedereen de daarbij behorende tijdelijke ontwrichting of chaos wil omarmen. Ze benadrukt dat weerbarstige, maatschappelijke vraagstukken om een lange adem vragen. Daarbij zijn ‘small wins’ essentieel. Al die kleine stapjes opgeteld kunnen immers leiden tot grote veranderingen, of het nu gaat om klimaatbestendig bouwen of circulaire landbouw.
Om de beweging op gang te krijgen zijn soms wel enthousiaste pitbullterriërs nodig die aan de randen van de organisatie opereren. Vaak zijn dat anonieme ambtenaren die keihard en jarenlang achter de schermen werken om iets voor elkaar te boksen.
Zo’n lofzang op de kleine stapjes komen we trouwens ook tegen bij Solnit, die van de genoemde auteurs het meeslependst schrijft. De meeste veranderingen, zo schrijft zij, voltrekken zich ‘met bijna onmerkbaar kleine stapjes, maar duizend stappen is een aanzienlijke afstand’.
Iedereen kan iets bijdragen, want ‘die weg maak je zelf, door te gaan’, om de Spaanse dichter Antonio Machado te citeren.
Kunnen we de klimaatramp überhaupt nog keren? Bieden de optimistische transitiedenkers louter naïeve hoop? Een tijdelijk koelkastje om af te koelen, terwijl het smeltproces buiten ongehinderd doorgaat? Misschien.
Maar troostrijk is het boek van Solnit zeker, al was het maar omdat ze de prachtigste uitspraken citeert. Bijvoorbeeld deze, die vaak aan de Chileense dichter Pablo Neruda wordt toegeschreven: ‘Je kunt de bloemen knakken, maar je kunt de lente niet tegenhouden.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie