Home   2026-08-03 17:31:33

Waarom is werk voor veel mensen zo belangrijk dat ze er maar geen genoeg van kunnen krijgen?

Original article

Toen mijn collega Paul Onkenhout (lang sportjournalist, iets korter verslaggever voor het Volkskrant-katern V) met pensioen ging, wist hij zeker dat hij echt met pensioen ging en niet in het geniep zou doorwerken. Om hem heen zag hij allemaal mensen die dat wel deden, maar zo wilde hij niet worden, zei hij bij zijn afscheidsfeest. Pensioen is pensioen en op de plekken die zo’n oudje in de krant volschrijft, had ook iemand van 27 kunnen staan.

Negen maanden later laat hij me op een Haarlems terras een appje zien van een collega. Ze vraagt hem of hij alvast de necrologie wil schrijven van een bekende Nederlandse zanger die nog niet dood is, maar al wel behoorlijk op leeftijd. ‘Ik zit er een beetje mee in mijn maag’, zegt Onkenhout. ‘Eigenlijk denk ik dat ik inderdaad de aangewezen persoon ben om die necro te maken. Ik heb gezworen dat ik niet meer voor de krant zou schrijven, maar dit doe ik toch wel heel graag. Ik denk dat ik ja ga zeggen.’

Benieuwd naar nietsdoen

Ik ben naar mijn oud-collega gegaan omdat ik benieuwd ben hoe het nietsdoen hem bevalt, na al die drukke jaren. Ik schrijf graag over nietsdoen. Het is een intrigerend onderwerp. Van weinig woorden gaat zo’n enorme aantrekkingskracht uit als van nietsdoen; tegelijk zijn er weinig bezigheden waarmee mensen zoveel moeite hebben. Zelfs veel collega’s die met pensioen zijn, blijven op de een of andere manier doorwerken. Als echt geen enkele werkgever meer voor hun werk wil betalen, gaan ze lange stukken schrijven op Facebook en Substack, of ze posten woedende berichtjes op X.

Waarom is werk voor veel mensen toch zo belangrijk? Omdat je er het geld mee verdient dat je nodig hebt om van te leven, uiteraard, maar dat is lang niet het hele verhaal. Werk is naast inkomstenbron ook een leverancier van zingeving, voldoening en trots, schrijft de Amerikaanse antropoloog James Suzman in Werk. Een geschiedenis van de bezige mens – van de oertijd tot het heden (2020). En dat geldt volgens hem voor alle soorten werk, iets wat ik herken; het zijn zeker niet alleen collega’s uit de journalistiek die van hun werk maar geen genoeg kunnen krijgen.

Mijn zusje, die in het onderwijs zat en vorig jaar met pensioen ging, gaat elke week als vrijwilliger uit wandelen met ouderen die in een rolstoel zitten maar kijkt ook voorzichtig om zich heen naar andere klussen. Haar echtgenoot, een pas gepensioneerde taxichauffeur, heeft zichzelf voor september alweer voor een paar ritjes op de lijst laten zetten. Een collega vertelt over haar moeder die achter de kassa stond bij een tankstation, en die het fijn vond dat mensen haar waardeerden omdat ze een vriendelijk praatje met hen maakte. Niet voor niets blijft het merendeel van de mensen dat een loterij wint gewoon doorwerken, welk beroep ze ook hebben. Niet voor het geld, maar om iets anders: omdat dat werk deel uitmaakt van wie ze zijn. Omdat ze al werkend gezien worden.

Het grote nietsdoen

In 1930 voorspelde de bekende econoom John Maynard Keynes in zijn beroemd geworden essay Economische perspectieven voor onze kleinkinderen dat mensen honderd jaar later nog maar nauwelijks hoefden te werken. Binnenkort zouden de revolutionaire technologische vernieuwingen, die zich tot dan vooral in de industrie hadden voorgedaan, ook de landbouw bereiken, schreef hij, waardoor de voedselproductie een fluitje van een cent werd en het grote nietsdoen kon beginnen.

Maar dat werd nog een heel probleem, vreesde Keynes. Hij dacht dat de mensheid zich geen raad zou weten met de ongekende vrijheid van een leven zonder werk. Vanaf het begin der tijden is de strijd om het bestaan immers het ‘meest primaire, meest urgente probleem van de mensheid’ geweest en Keynes vroeg zich af of de mens er wel in zou slagen de ‘oude Adam’ die diep in zijn binnenste school, de nek om te draaien.

Vijftienurige werkweek

‘Voor hen die voor hun dagelijks brood moeten zweten, is vrije tijd een begeerlijk goed – totdat ze erover beschikken’, schreef Keynes. ‘Ik denk dat er geen land of volk is dat de periode van vrije tijd onbevreesd tegemoet kan zien. Want wij zijn er te lang op gericht geweest, niet om te genieten, maar om ons in te spannen. Voor de doorsnee mens, zonder speciale gaven, is het vreselijk lastig zichzelf bezig te houden. (...) Nog tijden zal de oude Adam in ons zo sterk zijn dat iedereen wel enig werk zal moeten verzetten om een zekere voldoening te voelen.’

Het probleem kon worden ondervangen door het weinige werk dat nog wel gedaan moest worden, te verdelen over zoveel mogelijk mensen. Met drie werkuren per dag of een vijftienurige werkweek konden de meeste mensen hun innerlijke oude Adam wel tevreden stellen, dacht Keynes.

Bron Chantall Veerman

Inmiddels zijn die honderd jaren bijna voorbij. In Nederland werken mensen geen vijftien uur per week, maar het dubbele, gemiddeld ruim dertig uur, en niets wijst erop dat dat gemiddelde de komende jaren zal teruglopen. Integendeel: vorige maand werd de ‘Productiviteitsraad’ geïnstalleerd, een nieuwe adviescommissie die de regering moet helpen de productiviteit van de werkende Nederlander omhoog te jagen. Want als die productiviteit niet toeneemt, stagneert de groei en keldert de welvaart, is de aanname.

Vakantie

Of dat erg zou zijn is een ander verhaal, en of Keynes alsnog gelijk krijgt met zijn vijftien uur weten we pas in 2030, maar met zijn gedachten over de ‘oude Adam’ had hij beslist een punt. Mensen houden van vakantie maar ze houden vermoedelijk nog meer van hun werk.

In zijn boek De wereld aan het werk. Van de prehistorie tot nu (2022) schrijft emeritus hoogleraar internationale en comparatieve sociale geschiedenis aan de VU Jan Lucassen dat werk centraal staat in bijna ieders leven in bijna ieder werelddeel. ‘Werk is voor ons allen niet alleen noodzakelijk, het geeft ons door de bank genomen ook voldoening’, schrijft hij. Volgens Lucassen voorziet werk in onze basisbehoefte aan gezelschap, zowel thuis als buitenshuis: ‘Werk bepaalt ons leven en onze sociale contacten.’

En onze identiteit, die ook. Wie onbekende mensen ontmoet tijdens feestjes of andere bijeenkomsten, vraagt doorgaans al na een paar zinnen wat de ander ‘doet’, en daarmee wordt werk bedoeld. Betááld werk, want Jan Lucassen mag dan in zijn boek de lekker brede definitie van de Amerikaanse sociologen Charles en Chris Tilly volgen, die werk omschrijven als ‘elke menselijke inspanning die gebruikswaarde toevoegt aan goederen en diensten’, bij die feestjes en bijeenkomsten gaat het in eerste instantie over het werk waarmee iemand de kost verdient.

Geen ‘pensionado’

Dat merkt ook mijn gepensioneerde collega Onkenhout, die overigens nadrukkelijk geen ‘pensionado’ genoemd wil worden: ‘Een ontzettend irritant kutwoord.’ Hij vertelt dat hij een paar dagen geleden bij een buurtborrel in gesprek raakte met iemand die hij niet kende. ‘Toen ging het al snel over de Volkskrant. Die man bleek veel van mijn stukken te hebben gelezen, en ik merkte dat ik dat leuk vond. Zo’n krant geeft je toch een bepaalde status, als je daar gewerkt hebt, bén je voor de lezers iemand.’

Die status, denkt Onkenhout, is de belangrijkste reden dat veel mensen niet kunnen stoppen met werken wanneer ze eenmaal de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. ‘Ik realiseer me heel goed dat ons werk niet te vergelijken is met dat van mijn zwager die in de bouw zit. Er zijn natuurlijk heel veel mensen die op hun 67ste denken: het is wel mooi geweest.

‘Maar in bijvoorbeeld de sportjournalistiek zie je echt wel mensen die veel te lang in beeld willen blijven, Jack van Gelder, Frits Barend, Mart Smeets, Johan Derksen... Stop er een keer mee! Neem een voorbeeld aan Henk van Dorp. Jarenlang presenteerde hij Barend & Van Dorp, heel Nederland kende hem, maar nadat hij met pensioen ging is hij nooit, maar dan ook nooit meer in de buurt van een camera gezien. Hij kon van het ene moment op het andere zeggen: en nu is het klaar, ik ben weg. Ik geloof dat hij rondleidingen geeft in Artis. Maar ja, nu vraagt de krant om die necro en dan denk ik: hmm, toch wel leuk.’

Buurtblaadje

Werk geeft ook structuur, heeft Onkenhout gemerkt. ‘Pas als je bent gestopt kom je erachter dat je hele leven, echt je hele leven, wordt bepaald door je werk. Werk is het geraamte van het bestaan. Daaromheen doe je de dingen. Vakanties, sociale activiteiten, het is allemaal om dat werk heen georganiseerd, en die structuur is ook lekker, daardoor hoef je niet na te denken over de invulling van je dagen. Ik ben inmiddels eindredacteur geworden van een buurtblaadje, ik maak samen met een vriend een magazine over mijn oude voetbalclub, ik bezoek vrienden die nare ziektes hebben, ik doe dingen met mijn kinderen. Je hebt bezigheden nodig, anders duurt de week veel te lang. Echt niks doen, daar kan ik me niets bij voorstellen.’

Al met al is zo’n pensioen een rare bedoening, zegt Onkenhout. ‘Ik moest laatst denken aan de tijd dat ik vader werd. Daar lees je dan over en je hoort verhalen, je bereidt je er zo goed mogelijk op voor, maar in de praktijk blijkt het toch heel anders te zijn dan jij je hebt voorgesteld en is het één grote verrassing. Dat is met pensioen ook een beetje zo. Ik vind het bijvoorbeeld best ingewikkeld dat ik nog elke dag met dat werk word geconfronteerd, gewoon omdat ik de krant lees; maar als iemand ziek wordt of weggaat hoor ik dat niet, mij wordt niets verteld. Dat voelt vreemd. Ik ervaar nog altijd een sterke band met de krant, maar in wezen stelt die band niks voor.’

Heeft hij zijn werk, nu hij erop terugkijkt, in zijn leven een te grote rol gegeven? Onkenhout: ‘Nee, dat denk ik toch niet. Ik geloof wel in een zekere ambitie. Als je bij de Volkskrant werkt, moet je gewoon de beste willen zijn. En dat vereist opoffering en discipline. Werk moet niet alleen een leuk tijdverdrijf zijn.’

Sneeuwvlokjes

In mei 2023 suggereerde De Telegraaf dat het dat voor mensen die behoren tot generatie Z wél is. ‘Werkgevers ergeren zich aan twintigers: ‘Alles moet leuk zijn, anders gaan ze weg’’, was de kop boven een artikel over de werklust van de generatie die is geboren tussen 1997 en 2012. In dat stuk vertelde een recruiter dat bedrijven de jongeren die nu de arbeidsmarkt betraden maar lastig vonden, niet alleen omdat ze de hele tijd rare afkortingen gebruikten en crop tops droegen, maar vooral omdat ze hun werk als bijzaak leken te beschouwen.

In de jaren erna volgden ook in andere media veel stukken en reportages over het merkwaardige arbeidsethos van gen Z’ers, die lamlendige twintigers met hun hinderlijke opvatting dat het leven meer is dan werken. Vaak stonden er woorden als ‘sneeuwvlokjes’ of ‘rubbertegelkinderen’ in. Bedrijven gingen paniekerig cursussen organiseren waarin aan niet-gen Z’ers werd geleerd hoe ze met deze merkwaardige nieuwe mensensoort moesten omgaan.

Maar het zijn allemaal leuterpraatjes, maakte econoom en emeritus hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer afgelopen voorjaar duidelijk. In zijn boek Generatiestrijd: feit en fictie over generaties, dat in april verscheen, constateert hij op basis van enquêtes vanaf de jaren zeventig tot nu dat gen Z er helemaal geen zwakker arbeidsethos op nahoudt dan andere generaties, eerder sterker: ze beginnen jonger met werken dan de generaties boven hen.

Waarde van werk

Eigenlijk is dat jammer. Want natuurlijk is er wél meer in het leven dan geld verdienen en geld uitgeven. Sterker: wellicht zou de wereld er enorm van opknappen als er minder zou worden gehamerd op de waarde van werk voor het omhoog stuwen van de economie en meer op de waarde van werk voor het algemeen welzijn.

In juni van dit jaar presenteerde de Franse econoom Thomas Piketty met zijn World Inequality Lab in Parijs een ambitieus plan om zowel de ongelijkheid tussen arm en rijk als de klimaatverandering te lijf te gaan. Onderdeel van dat plan is het terugschroeven van de wereldwijde productie van goederen door het aantal werkuren te verminderen. In plaats van gemiddeld 2.100 uur werkt de gemiddelde wereldburger, als het aan Piketty en de zijnen ligt, aan het einde van deze eeuw nog maar 1.000 uur per jaar, wat neerkomt op een 25-urige werkweek en twaalf weken vakantie.

Over de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van dat plan valt van alles te zeggen, maar hoe zit het met dat korter werken? De opmerkingen van Piketty’s oude collega Keynes indachtig: trekt onze oude Adam die 25 uur wel? Want in zo ongeveer alle sectoren geeft werk bevrediging, of iemand nu voor de klas, achter een kassa of aan een bed staat. Beroepstrots is er altijd geweest en zal er nog wel lang blijven.

Geen generatieverschil

‘Werk is voor iedereen belangrijk, van welke leeftijd dan ook’, beaamt arbeidssocioloog Fabian Dekker, werkzaam bij de Seor, een onderzoeksbureau van Erasmus Universiteit Rotterdam, en kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER). ‘Al is de status die werk in het algemeen verschaft uiteraard wel afhankelijk van de levensfase en de aspiraties van mensen, voor een gepensioneerde ligt dat anders dan voor een twintiger. Maar dat werk voor de jongere generaties vooral leuk en maatschappelijk relevant zou moeten zijn, is onzin, Paul de Beer heeft dat goed verwoord.

‘De realiteit is dat de waarde van werk in de afgelopen decennia niet is afgenomen. Als je aan jonge mensen vraagt wat ze belangrijk vinden, krijg je vrij traditionele antwoorden: salaris, werkzekerheid, voorspelbaarheid. En natuurlijk ook: leren, ontwikkelen en flexibele werktijden, maar dat zijn dingen die we allemáál belangrijk vinden. Maar met cursussen en symposia over de nieuwe generaties wordt grof geld verdiend, dus we zullen die onzin nog wel een tijdje blijven horen.’

Niet dat er geen verschil op de werkvloer bestaat, zegt Dekker, maar dat verschil is van alle tijden. ‘Tussen jong en oud, tussen praktisch en theoretisch geschoolden. Maar niet zozeer tussen gen Z en gen X of de babyboomers. Mensen willen complexiteit reduceren, dus wat doen ze: ze gaan labelen, en dan is generatie een lekker gemakkelijk label om verschillen te kunnen onderscheiden.

‘Maar de verschillen in bijvoorbeeld werkhouding hebben veel meer te maken met traditionele leeftijdseffecten dan met generaties. Toen jij en ik twintig waren, dachten we anders over werk dan we nu denken. En dan zijn er ook nog tijdgeestverschillen. Tegenwoordig vindt iedereen een goede werk-privéverhouding belangrijk, daar zit helemaal geen generatieverschil.’

Ik ben wat ik doe

Wat wel is veranderd, is het samenvallen van werk met identiteit, het ‘ik ben wat ik doe’-idee. Sinds wanneer dat precies zo is, is niet helemaal te achterhalen. Dekker kent één oudere internationale studie, uit de jaren zeventig, over de gevolgen van werkloosheid. Die wees uit dat verlies van eigenwaarde en identiteit als belangrijker werden ervaren dan de financiële gevolgen van die werkloosheid. ‘De sociale functie van arbeid is waarschijnlijk van alle tijden’, zegt hij. ‘Werk is natuurlijk altijd belangrijk geweest, voor zingeving, structuur, dagritme, contact met anderen.

‘Maar dat werk echt je identiteit bepaalt, dat een hoop mensen op de vraag wie ze zijn beginnen te vertellen wat voor werk ze doen, is denk ik begonnen in de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen de beroepsbevolking steeds theoretischer werd opgeleid, nieuwe technologieën opkwamen en we onder invloed van de meritocratisering een prestatie-economie kregen. Iets anders is dat we langer moeten doorwerken dan vroeger, mijn generatie werkt tot haar 70ste, dus je wordt langer geconfronteerd met je werkzame leven. Dat speelt ook een rol.’

Sinds een paar jaar doet zich iets opmerkelijks voor in de manier waarop beroepen maatschappelijk worden gewaardeerd, ziet Dekker. ‘Tijdens covid stonden we allemaal op de balkons te klappen voor de mensen in de zorg. Er werd onderscheid gemaakt tussen cruciale en reguliere beroepen en sectoren, en het was duidelijk dat transport, logistiek, onderwijs, zorg en veiligheid tot die eerste categorie hoorden. Maar dat zijn niet de beroepen waarin het meeste geld wordt verdiend. De beloning is na covid wel hoger geworden, maar dat geldt voor de andere beroepen ook; de beloningsverschillen zijn even groot gebleven.

‘En dan kun je de vraag stellen: als we onderwijs, zorg, veiligheid et cetera zo belangrijk vonden, waarom waardeert de markt die dan niet hoger? Daar is nu ook in het bedrijfsleven discussie over ontstaan. Dat is interessant, want dan zeg je eigenlijk: er zit een soort marktfalen in onze samenleving, we houden te weinig rekening met het maatschappelijk nut van een functie, dat moeten we gaan repareren.’

Haat-liefdeverhouding

Hoe werk wordt gewaardeerd en dus ook hoe het wordt beloond, zijn belangrijke factoren die meespelen bij de vraag hoe belangrijk mensen hun werk vinden. En uiteraard speelt ook, en wellicht vooral, de inhoud van het werk zelf een rol.

‘Werk is een haat-liefdeverhouding hè’, zegt Fabian Dekker. ‘We hebben het nu vooral over betekenis en plezier, maar werk levert veel mensen ook kopzorgen op. TNO heeft onlangs berekend dat 43 procent van alle werknemers in Nederland rapporteert slopend, uitputtend of saai werk te doen. We hebben het vaak over burn-outs, maar vergeet de bore-outs niet: 1 op de 3 werknemers is overschoold, daar zit een gigantisch probleem. En als de arbeidsrisico’s toenemen, bijvoorbeeld omdat je voor je werk buiten in de brandende zon moet staan, ben je blij als je na veertig dienstjaren eindelijk kunt stoppen.’

Maar ook mensen met fysiek of mentaal zware beroepen moeten zichzelf na hun pensionering opnieuw uitvinden. Dekker: ‘Bepaalde basisbehoeften die mensen hebben, worden heel erg vertegenwoordigd in werk. Sociaal contact, zingeving, al dat soort dingen. Uit onderzoek van onder meer de WRR blijkt dat vrijwilligerswerk of andere informele arbeid, zoals mantelzorg, het gemis van werk onvoldoende compenseren. Terwijl die dingen razend belangrijk zijn.

‘Ik erger me dood aan de karikatuur van ‘deeltijdprinsjes en -prinsesjes’, alsof deeltijdwerkers voortdurend met de benen op de bank liggen. Deeltijdwerkers zorgen voor allerlei andere vormen van participatie die vanuit het oogpunt van brede welvaart enorm belangrijk zijn.

‘Maar mensen hebben de neiging vooral naar het bnp te kijken, het bruto nationaal product. Alleen wat betaald wordt telt mee in de economische groei, en zo kijken we ook naar onze tijdsbesteding. Op de een of andere manier zit de waardering en erkenning voor wat we doen toch in die formele beloning. Ik vrees dat we betaald werk veel te belangrijk hebben gemaakt.’