Home   2026-08-03 17:31:33

In de kampen van Calais zie ik mijn toekomstige patiënten, schrijft de Rotterdamse straatarts

Original article

Terug naar de krant

Als de stortbui boven Duinkerken losbarst, denk ik eerst aan mezelf. Ik had een hemd moeten aantrekken, realiseer ik me als het regenwater langs mijn nek onder mijn trui door loopt. Daarna zuigen mijn schoenen zich vast in de modder en worden mijn sokken klam.

Pas dan zie ik de mensen die uit de omliggende bossen komen. Eerst een paar. Dan tientallen. Uiteindelijk honderden. Mannen en vrouwen in trainingsbroeken, leggings en T-shirts. Kinderen die erachteraan lopen, sommigen gewikkeld in dekens, anderen in veel te grote regenponcho’s.

Plotseling grijpt een vrouw mijn arm. „Go set up the tent”, zegt ze, terwijl ze naar de tentstokken in mijn armen wijst.

Ze is een jaar of dertig en draagt een felrode trui met een lachende Mickey Mouse erop. Terwijl ik probeer te begrijpen wat er van me verwacht wordt, trekt ze de spullen al uit mijn handen. Binnen een paar minuten staat het frame overeind en kruipen mensen onder de half opgezette tent om te schuilen. „Go away!” roept ze tegen hen, „we’re almost done!” 

Maar niemand luistert.

Ik ben met vrijwilligers van het Refugee Women’s Centre, een organisatie die vrouwelijke vluchtelingen en hun gezinnen ondersteunt. Vandaag zijn we hier om pakketten uit te delen met daarin een tent, een stuk zeil en een deken. 

Ik ben in Frankrijk, maar niets hier doet me denken aan het Frankrijk waar ik zelf graag met mijn kinderen een tent opzet en kampeer. Ik ben aan de rand van Europa, op de stranden en in de bosschages rond Calais en Duinkerken, waar migranten wachten op een kans om het Kanaal over te steken naar het Verenigd Koninkrijk. 

Al meer dan tien jaar werk ik – naast mijn baan als huisarts – als straatarts in de Pauluskerk in Rotterdam. In mijn spreekkamer ontmoet ik ongedocumenteerden, arbeidsmigranten en mensen met psychische problemen. Veel van hun verhalen beginnen niet in Nederland, maar eerder – vaak bij een Europese grens. Misschien is dat de reden dat ik al langere tijd van plan ben mee te reizen met de Nederlandse Haëlla Stichting, die hulporganisaties aan de Europese buitengrenzen ondersteunt. Uit nieuwsgierigheid; om te begrijpen wat er op die plekken gebeurt.

Dit jaar mag ik mee. Een week trek ik op met vrijwilligers van verschillende organisaties die werken rond Calais en Duinkerken, waar veel migranten verblijven. De vrijwilligers delen er basisvoorzieningen uit – tenten, dekens, kleding, luiers en voedsel – aan mensen die vaak al maanden onderweg zijn. 

De sfeer kan plotseling omslaan. Als iemand ”evacueren” roept, vertrekken we zonder discussie

Afgelopen jaar bereikten ongeveer 46.000 mensen het Verenigd Koninkrijk via een irreguliere route. Dat aantal is in de loop van de jaren sterk gestegen: in 2018 waren het nog zo’n 8.500 mensen. De stijging heeft verschillende oorzaken. Sinds het Verenigd Koninkrijk uit de EU is gestapt, valt het land niet meer onder de Dublin-verordening, die bepaalt dat een asielaanvraag moet worden afgehandeld door het eerste land waar iemand zich meldt als migrant. Daardoor is het voor mensen van wie de asielaanvraag in de EU is afgewezen of vastgelopen, aantrekkelijker geworden om de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk te proberen, in de hoop daar een nieuwe asielprocedure te starten. Daarnaast zorgen nieuwe conflicten en politieke instabiliteit ervoor dat meer mensen op de vlucht slaan. 

Ook veranderde de route: nadat de beveiliging rond havens en de Kanaaltunnel werd aangescherpt, stapten mensensmokkelaars steeds vaker over op kleine boten – negen op de tien mensen bereiken zo het Verenigd Koninkrijk. De meeste mensen komen op dit moment uit Eritrea, Afghanistan, Soedan, Iran en Somalië; maar het verandert jaarlijks.  

Calais en Duinkerken zijn wachtkamers. In de omgeving verblijven naar schatting tussen de 1.500 en 3.500 mensen, afhankelijk van het seizoen, het weer en of de politie wel of niet net een kamp ontruimd heeft. 

Voor vertrek kreeg ik uitgebreide veiligheidsinstructies. Als vrijwilligers blijf je bij elkaar. Schoten zijn hier niet ongebruikelijk. Veel mensen dragen een mes. De sfeer in een kamp kan plotseling omslaan. Als iemand van het Refugee Women’s Centre „evacueren” roept, vertrekken we zonder discussie. Stel niet te veel vragen aan de mensen die je helpt. Vraag niet naar hun reis. Vraag niet wat ze onderweg hebben meegemaakt, want het is vaak traumatisch en je kunt daarin niet zoveel voor ze doen.

DuinkerkenMoeders die vechten om een tent

De tentjes rond Calais staan verspreid over stukjes bos en braakliggend terrein.

Foto Michelle van Tongerloo

Vijfendertig tenten hebben we bij ons. Dat is vandaag de volledige inventaris van onze barmhartigheid. 

Voor de bus waarin de pakketten met tenten zijn opgeslagen, staan ruim honderd vrouwen en de groep wordt steeds groter. Sommigen dragen een baby op hun arm, anderen slepen iets oudere kinderen mee. Alle blikken zijn gericht op de stapel tenten in de bus, achter ons. 

Wie het eerst komt, maakt de meeste kans. Daarnaast worden een paar tenten apart gehouden voor de meest kwetsbare moeders – al vraag ik me direct af wie hier níét kwetsbaar is. 

De rij vormt zich vanzelf, en valt vrijwel direct weer uiteen.

Een schouder duwt naar voren. Iemand gilt. Twee vrouwen trekken aan dezelfde mouw. Vijf vrouwen slaan hun armen om elkaars schouders en heupen en vormen een menselijke ketting, zodat niemand ertussen kan glippen. Hun jurken zijn felgeel, dieprood, smaragdgroen; doorweekt plakken de stoffen tegen elkaar aan. Het is een prachtig beeld en meteen schaam ik me voor die gedachte. Waarom zie ik schoonheid op een plek waar mensen vechten om een stuk zeil?

We proberen orde te houden. Verlaat je de rij, dan verlies je je plek. Geen uitzonderingen, geen discussies. 

Een hoogzwangere vrouw zakt door haar knieën. Ik zet instinctief een stap naar voren; de coördinator niet. „Back in line”, zegt ze tegen de vrouw. Tien minuten later zie ik haar weer tussen de anderen staan; ze praat en lacht zelfs even. 

Dit deel van het veld is uitsluitend voor vrouwen en kinderen. De meeste mannen respecteren dat, maar niet allemaal. Ze komen steeds terug of blijven één vrouw strak aankijken. Een paar vrijwilligers vermoeden dat er smokkelaars tussen staan. 

Pas dan realiseer ik me hoe gevaarlijk het hier is. Gewapende smokkelaars, geen politieagent te bekennen, een tekort aan vrijwel alles en van de ngo’s zijn er alleen wat twintigers en dertigers in fluorescerende hesjes die de orde zouden moeten bewaken. „Evacuate!” De kreet van een van de vrijwilligers snijdt dwars door het geroezemoes. Snel pak ik mijn spullen, tot ik een paar minuten later hoor dat het loos alarm is.

Een ronddwalende peuter van zo’n twee jaar oud valt hard op de grond en zoekt haar moeder voor troost. Het kindje strekt haar armen uit, maar de moeder duwt haar weg. Niet echt hard, ook niet liefdeloos. Gewoon: weg jij. Ze mag haar plek in de rij niet verliezen.   

Op blote voeten spelen de kinderen met alles wat het veld te bieden heeft: een stok, een leeg flesje, wat kleurpotloden die door een organisatie worden uitgedeeld. Dan klinkt gezang. Vier clowns komen het veld op, alsof ze de verkeerde scène zijn binnengelopen. Ze blaffen als honden, knorren als varkens, doen alsof ze struikelen en zingen kinderliedjes. 

Binnen een minuut schateren de kinderen van het lachen. Twintig meter verderop vechten hun moeders om een tent. 

Een uur later keren de vrouwen die geselecteerd zijn voor een tent weer terug. Zo is het bedacht: degenen die recht hebben op een tent krijgen een bericht op hun telefoon waarmee ze er een uur later een kunnen ophalen. Maar dat zorgt voor nieuwe chaos: de vrouwen zeggen dat hun batterij opeens leeg is, of de telefoon kwijt. De berichten worden doorgestuurd naar anderen. De verwarring begint opnieuw. 

Er dringen veel meer vrouwen naar voren dan we tenten hebben. Ik beland in de laadruimte van de bus om te voorkomen dat die wordt geplunderd. In de chaos hoor ik mezelf steeds dezelfde woorden herhalen. „Nee.” „U staat niet op de lijst.” „Ook u niet.” „De tenten zijn op.” Ergens tussen de derde en de vierde keer dat ik „nee” zeg, verdwijnt een overtuiging waarvan ik nooit had gedacht dat ik die kwijt kon raken. 

Dat een droge plek om te slapen vanzelfsprekend is.

CalaisAlsof ze campings vergelijken

Mannen slapen veelal onder isolatiemateriaal dat door ngo’s wordt uitgedeeld.

Foto’s Michelle van Tongerloo

Die avond lig ik in een zacht hotelbed lang naar het plafond te staren, maar niet vanwege de chaos met de tenten. Ik denk de hele tijd aan de dag ervoor, toen ik met een andere organisatie, het Calais Food Collective, langs waterpunten in Calais reed. We vulden watertanks en deelden stukken ducttape uit waarmee mensen de scheuren in hun tenten kunnen repareren. 

In Calais staan de tenten niet in één groot kamp, maar verspreid over kleine stukken bos en braakliggend terrein. Anders dan in Duinkerken, waar de kampen groter zijn en soms langer blijven bestaan, worden de plekken in Calais vaak snel ontruimd. Vrijwilligers vertelden me dat hier daarom vooral alleenstaande mannen terechtkomen, die op eigen initiatief komen en ter plekke proberen een overtocht te regelen. In Duinkerken, waar iets meer stabiliteit is, verblijven vaker gezinnen. Op de plekken waar we kwamen was het kalm. Mensen sjokten met jerrycans. Iemand poetste zijn tanden bij een geïmproviseerd waspunt. Even verderop smeerde een jongen zorgvuldig gezichtscrème op. Tussen de tenten deed een groepje push-ups. 

Wat me achteraf het meest verbaast, is niet wat ze me vertelden, maar de toon waarop. Er klonk geen wanhoop. Geen groot verlangen. De gesprekken waren eigenlijk heel normaal. Nergens klonk Engeland als een verre droom of een levensgevaarlijke onderneming. „Everybody gets there”, zei een jongen achteloos toen ik vroeg of hij de oversteek spannend vond. „Sometimes you just have to try a few times.”

Alsof hij me uitlegt dat de trein soms vertraging heeft.

Een Nigeriaanse student diergeneeskunde vertelde me in perfect Engels dat hij zijn opleiding in Groot-Brittannië wil afmaken. Andere jongens legden geduldig uit hoe de overtocht werkt. Een boottocht kost meestal rond de 1.000 euro, zeiden ze, maar als je meer betaalt krijg je soms een betere plek. Voor een vrachtwagen betaal je vaak niets. Sommige smokkelaars bieden complete pakketreizen aan, inclusief slaapplek, meerdere pogingen en vervoer. 

De migranten die ik sprak vergeleken routes, prijzen en smokkelaars zoals Nederlanders campings vergelijken. Praktisch, zakelijk, zonder gewicht. Juist dat ontregelde me. Een gevaarlijke boottocht is niks uitzonderlijks meer, maar een kwestie van timing, geld en een beetje geluk. 

RotterdamDezelfde man, dertig jaar eerder

Ik slaap die nacht nauwelijks. Hoe kan het dat deze mannen zo vanzelfsprekend over hun toekomst spreken? Waarom botst dat niet met de werkelijkheid waarin ze nu leven? Pas ver na middernacht begrijp ik waarom de gesprekken me zo ontregelen. Ik ken deze mannen al. Niet uit Calais, maar uit Rotterdam. 

Als straatarts spreek ik iedere week mannen zonder verblijfsvergunning. Ooit waren zij als deze jonge mannen. Ze geloofden dat Europa het begin van iets nieuws zou zijn. Als ze maar hard genoeg werkten en volhielden. 

Ik denk aan mijn Nigeriaanse patiënt. Toen hij uit zijn thuisland vertrok was hij nog jong, inmiddels is hij al in de vijftig. Hij is intelligent, belezen, spreekt meerdere talen en wil niets liever dan werken. In een andere werkelijkheid zouden we hem zien als iemand in wie een samenleving graag investeert.

In de werkelijkheid waarin hij terechtkwam, werd hij migratieproblematiek.

Samen probeerden we van alles. Studies in Nederland en België. Procedures. Advocaten. Een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat mensen na jarenlang verblijf soms bescherming biedt vanwege het recht op een privéleven. 

Niets veranderde.

Inmiddels hopen hij en zijn eveneens ongedocumenteerde partner op een kind. Niet alleen uit liefde, maar ook omdat een ongedocumenteerd kind geboren in Nederland misschien meer juridische mogelijkheden biedt. 

Groepjes migranten in de buurt van Calais begeven zich van en naar de stad.

Foto’s Michelle van Tongerloo

Toen hij mij vroeg om een verwijzing voor een ivf-behandeling, zei ik dat weinig zwaarder op een ongeboren kind rust dan de hoop dat het zijn ouders een bestaan geeft. Hij werd boos, met voor hem goede reden. Ik heb het juiste paspoort om morele bezwaren te kunnen maken. Toch kon ik mezelf er niet toe zetten hem de verwijzing te geven.

De student diergeneeskunde die ik een dag eerder in Calais sprak, had deze man kunnen zijn, maar dan dertig jaar eerder. Hier noemen we hem nog migrant, iemand die onderweg is. Ik ontmoet hem jaren later, als Europa hem succesvol tot stilstand heeft gebracht. 

Als het zo gaat als met de man op mijn spreekuur, zal de vanzelfsprekendheid in zijn stem verdwijnen en plaatsmaken voor verbittering. Veel van mijn patiënten zijn depressief en verslaafd. Ze verdwijnen in de informele economie, waar uitbuiting en criminaliteit vaak de enige manier zijn om te overleven.

En de rekening? Die steekt uiteindelijk ook de grens over. Mensen die geen verblijfsstatus krijgen, verdwijnen niet uit beeld. De kosten worden alleen verplaatst: naar de zorg, de politie, de rechter en de gevangenis. Mijn patiënten leven vaak al tientallen jaren in Europa, maar nog altijd zonder plaats.

Calais bleek niet hun grens. Het bleek de wachtkamer van mijn wachtkamer.

DuinkerkenMatrassen, kleding; alles wordt geruimd

De volgende ochtend meld ik me als vrijwilliger bij Human Rights Observers, een organisatie die politieoptredens tegen migranten en vluchtelingen documenteert. De groep houdt toezicht op ontruimingen van kampen en legt vast wat er gebeurt, met als doel mogelijk bewijs te verzamelen van schendingen van mensenrechten. Dit kan later gebruikt worden in rapporten en juridische procedures.   

Na de ontmanteling in 2016 van wat de ‘Jungle van Calais’ werd genoemd, een vluchtelingenkamp ten noordoosten van de stad dat op het hoogtepunt volgens hulporganisaties tienduizend bewoners telde, voerde de Franse overheid een zogenoemd zéro point de fixation-beleid in, om te voorkomen dat migranten zich opnieuw langdurig op één plek kunnen vestigen. Iedere 48 uur worden tentenkampen ontruimd. In Duinkerken blijven ze soms iets langer staan, maar ook daar worden bewoners regelmatig verplaatst. Tijdens deze operaties worden tenten en persoonlijke bezittingen in beslag genomen of vernietigd. Ook worden bomen en planten verwijderd zodat mensen minder beschutting kunnen vinden. 

We verzamelen ons op een parkeerterrein in de buurt van een politiebureau. Het is duidelijk dat er iets staat te gebeuren: tientallen politiebussen, motoragenten en andere eenheden staan klaar. Niemand weet waar de ontruiming precies zal plaatsvinden. Daarom wachten we in de nabijheid van de politiecolonne, om hen straks te kunnen volgen. 

Direct tikken twee agenten op mijn autoraam; als ik het open, kijk ik recht op hun wapens. Ze vragen om mijn paspoort, ongeveer tien minuten later krijg ik het terug. Die dag gebeurt hetzelfde nog twee keer.

De colonne vertrekt en wij rijden erachteraan. Ik herken de plek: het is waar ik een dag eerder 35 tenten heb uitgedeeld.

Het kamp is volledig omsingeld door politie op motoren: toegang is niet mogelijk. We parkeren onze auto verderop en lopen naar een viaduct dat uitkijkt over het terrein. Vanaf daar kijken we zes uur lang toe en filmen we grote stukken van de ontruiming.

Agenten lopen af en aan. Bulldozers schuiven enorme hoeveelheden tenten bijeen. Matrassen, dekens, kleding; van alles verdwijnt in containers. Honderden mensen staan ertussen.

Niemand schreeuwt. Niemand rent. Niemand lijkt verrast. Tussen de agenten spelen talloze kinderen.

Ik voel me een toeschouwer van een theaterstuk. 

Als de containers vol zijn, wordt wat er niet meer bij past op een geïmproviseerde stortplaats gegooid. Mensen die daar spullen proberen te zoeken, worden door de politie weggestuurd.

Als de colonne vertrekt, verandert de sfeer. Alle mensen storten zich direct op die stortplaats. Eén man wordt net zo lang geslagen door vijf anderen tot hij het stuk zeil dat hij vasthoudt loslaat.

De organisatie waarmee ik ben besluit te vertrekken uit veiligheidsoverwegingen.

We lopen naar onze auto en rijden terug via hetzelfde viaduct. Nog geen twintig minuten later zie ik dat grote delen van het kamp alweer zijn opgebouwd met wat er na de ontruiming door de politie werd achtergelaten.

Calais‘Even kijken hoe we de overtocht regelen’

En opeens begrijp ik waarom deze plek me zo in verwarring brengt.
De politie breekt af. Vrijwilligers delen uit. Migranten wachten. De politie breekt af. Vrijwilligers delen uit. Migranten proberen over te steken. Smokkelaars verdienen geld. Nieuwe migranten arriveren. De politie breekt opnieuw af. Vrijwilligers delen opnieuw uit. Iedereen vervult zijn rol in een systeem dat voortdurend in beweging is, zonder ooit vooruit te komen. De cyclus ís de bestemming. 

Men surveilleert, men ruimt, men deelt uit, men procedeert, men schrijft, men onderzoekt, men publiceert: niemand kan worden verweten dat hij zijn werk niet doet. En toch produceert dit alles uiteindelijk niets, behalve zichzelf. De tent die gisteren werd uitgedeeld, rechtvaardigt de ontruiming van vandaag. De ontruiming legitimeert de distributie van morgen. Een miljoenenindustrie waarin niet alleen geld circuleert, maar ook menselijk talent en uiteindelijk mensenlevens. 

Zoals vervuilende industrieën hun afval buiten het zicht plaatsen, zo heeft Europa een ruimte gecreëerd waar de menselijke kosten van het Europese grensbeleid worden geparkeerd. Calais als menselijk afvalstation.

De cyclus ís de bestemming. De tent die gisteren werd uitgedeeld, rechtvaardigt de ontruiming van vandaag. De ontruiming legitimeert de distributie van morgen

Die middag sta ik in hetzelfde modderveld als een dag eerder. De tenten die ik uitdeelde zijn nog geen 24 uur later alweer door bulldozers afgevoerd. Nu deel ik eten uit aan een menigte boze en uitgeputte mensen die zich, wanhopig door de ontruiming, aan me vastklampen, in de hoop dat ik een tent uit mijn bus tevoorschijn zal toveren. 

Ik heb alleen voedsel.

Na het uitdelen van ruim tweehonderd maaltijden laat ik de rij vol boze mensen even achter me en stap ik het veld in. Plots hoor ik twee stemmen die hier volkomen misplaatst klinken: perfect Nederlands. 

De jongens vertellen dat ze achttien en eenentwintig zijn. Een van hen kwam jong naar Nederland; een verblijfsvergunning kreeg hij niet. De ander is geboren in Nederland, uit ongedocumenteerde ouders. Beiden gingen in Nederland naar school, maar perspectief zien ze niet. Dus hebben ze de trein, de metro en de bus gepakt naar Duinkerken.

„Even kijken hoe we de overtocht regelen”, zegt een van hen schouderophalend.

En als het niet lukt?

„Dan gaan we volgende week gewoon weer terug.”

Direct denk ik aan de Nigeriaanse patiënt die mij vroeg om een verwijzing voor ivf. Hij hoopte op meer kansen door een kind te krijgen. Nu staat hier een jongen voor me die in precies dezelfde onzekerheid is opgegroeid. En ik vraag me af hoeveel levens een samenleving kan parkeren, voordat ze ontdekt dat ze niet alleen mensen verspilt, maar uiteindelijk ook zichzelf. 

Het is het laatste gesprek dat ik op deze plek zal voeren.

Thuis in Nederland zit ik op de bank, als mijn telefoon trilt. Een appje van een onbekend Engels nummer. Op zijn profielfoto zie ik de Nigeriaanse student diergeneeskunde die ik afgelopen week in Calais ontmoette, lachend voor de Eiffeltoren.

Ik open zijn bericht.

„I’m in the UK.” 

Mail de redactie

Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?

U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.

Artikel delen

  • Je kunt deze maand nog cadeau geven.
  • De link is geldig.

De link is nog geldig.

Je hebt al eerder van dit artikel een cadeaulink aangemaakt, de link is nog geldig.

Leuk dat je onze journalistiek deelt met anderen. Vanaf kun je weer artikelen cadeau geven.

Sorry, het lukt op dit moment niet om een cadeau-link te maken. Probeer de pagina opnieuw te laden of probeer het later nog eens.

Deel dit artikel via sociale media.

Hoe werkt het delen van artikelen?

Als cadeau

Als NRC-abonnee kun je elke maand artikelen cadeau geven aan een willekeurige ontvanger.

  • De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
  • De cadeaulink is geldig.
  • Het saldo wordt verminderd met 1 zodra er een cadeaulink wordt aangemaakt.

Standaard delen

Kies je voor standaard delen, dan kan iedereen met een NRC-abonnement de door jou gedeelde artikelen lezen. Niet-abonnees krijgen een betaalmuur te zien.