Home   2026-08-03 17:31:33

Tijdens een festival werd de liefde tussen Ursel en Bart op een schip voorgoed verankerd

Original article

Ursel, 36:

‘De eerste keer dat ik hem zag was hij samen met zijn bandleden. Tien jaar geleden. Zij speelden op Horizontoer, een zomers festival waarbij bands en theatergezelschappen op platbodems langs de Waddeneilanden varen. Zelf was ik theatermaker en ik deed de presentatie. In zijn band zaten veel Friezen, ik ben ook Friezin en kon het met iedereen goed vinden. Maar Bart was niet het type man dat op de voorgrond trad; hij liet de communicatie over aan zijn vrienden.

Tijdens hun optreden in De Vijfpoort, een zweterig café op Terschelling, hadden we wel even oogcontact. Toen iedereen na afloop verkoeling zocht op het terras, sprak ik hem aan. ‘Weet je dat je op een stripfiguur lijkt?’ Hij keek verbaasd, en mij verbaasde het dat niemand dat eerder had opgemerkt. De streepjes als ogen, de pluk haar die bij zijn kruin overeind stond, en dan dat kleine snorretje: in alles een karikatuur. Mijn compliment werd niet als zodanig begrepen, toch begonnen we te praten. Hij was niet zo’n man die onmiddellijk het gesprek overneemt, hij luisterde, maakte grappen en was rustig. Heel fijn en veel leuker dan ik op het eerste gezicht dacht, maar ik weet hoe dit soort festivalflirts werken. De vrijheid van het moment, de mooie setting met al die platbodems, aan elkaar voor anker in de haven, al die vrolijke mensen overal, het mooie weer – in die context is het niet zo moeilijk om iemand leuk te vinden.

Dus toen we aan het einde van de avond op de voorplecht van het schip waar ik verbleef een beetje tegen elkaar aan zaten en loom de tijd lieten verstrijken, tosti’s maakten, de hele nacht kletsten en het uiteindelijk langzaam licht zagen worden, was er niets in mij dat hoopte of dacht dat dit de man was met wie ik ooit zou trouwen. Ik was voor de vierde of vijfde keer op dit festival en tot nu toe was er eigenlijk elk jaar wel iemand geweest met wie ik een leuke avond had.

We zoenden toen de zon opkwam. Eigenlijk had dat nog best lang geduurd, en te oordelen naar het gejuich van de zanger van zijn band twee schepen verderop, was dit niet iets wat hij dagelijks deed. Ik hoorde haar roepen, dat wil zeggen, ik merkte het op, maar vond er niet zo veel van.

Wat er gebeurde weet ik eigenlijk niet meer zo precies. Wel dat hij is blijven slapen. In mijn kajuit, in mijn stapelbed met boven ons mijn compagnon, over setting gesproken. Dit kleine hok droeg dan weer niet bepaald bij aan de romantiek. Ik zag dat Bart en zijn vrienden niet de doorsnee artiesten waren, van wie je bij voorbaat weet dat iedere getoonde belangstelling en affectie op het eiland achterblijft. Toch gaf ik hem de volgende dag voor hun vertrek mijn nummer zonder enige verwachting of bijbedoeling.

De rest van de zomer hebben we geappt, maar dat begon me na een tijdje te vervelen. De berichten kwamen niet voorbij het niveau ‘wat heb je vandaag gedaan en wat ga je doen?’ Tot ik hem op een dag vroeg: wat heb je vannacht gedroomd? Toen kreeg ik ineens een mooi verhaal terug, al weet ik echt niet meer waarover het ging. Iets in mij werd geraakt, hij was aantrekkelijk, maakte heel goede muziek, was aardig en bescheiden – raar toch, dat allegaartje van overwegingen dat er uiteindelijk voor zorgt dat je toch ineens nieuwsgierig wordt naar iemand, in mijn geval zo nieuwsgierig dat ik hem thuis uitnodigde.

Ik woonde destijds in Amsterdam, hij in Groningen, we spraken af bij mij in de buurt, in het WG-café. Toen ik aankwam was hij er al, hij zat gebogen over een boek. Ik dacht, hé, ben jij niet nerveus? En onmiddellijk erachteraan: ik geloof dat hier de liefde van mijn leven zit. Heel bizar natuurlijk, hoe ik daarbij kwam, maar ineens wist ik het heel zeker. Het verschil met Terschelling was dat toen alles gewoon gebeurde, nu ging er intentie aan vooraf. Hij had de trein genomen en was hiernaartoe gekomen, en zat kalm op me te wachten. Daar zat commitment in. Kom, zei ik, ik laat je de stad zien.

Op één fiets reden we door Amsterdam, langs alle grachten en door het Vondelpark, we gingen naar een concert in het Amsterdamse Bostheater, hij vond alles leuk en was overal voor in, ook toen ik vroeg of hij die nacht bleef slapen. Ik word doorgaans snel verliefd, maar dit was anders. Vertrouwd, alsof alles was zoals het moest zijn. Uiteindelijk bleef hij 48 uur.

Nu, tien jaar later, hebben we een dochter, en op dit moment wacht ik op een telefoontje van de makelaar, we hebben een bod gedaan op een huis met een tuin. Vijf jaar geleden zijn we getrouwd op ‘onze’ platbodem en dit jaar vieren we datzelfde feest daar gewoon weer opnieuw. Ons leven mag dan veranderd zijn, dat schip zit in onze ziel.’

Bart, 36:

‘Het was de zomer van 2016. Met de ska-band die ik met vrienden had, deden we mee met Horizontoer, een varend festival langs Harlingen, Texel en Terschelling. Wij voeren de eerste helft mee, de dag dat ik Ursel ontmoette was onze laatste dag. We traden die avond op in een kroegje op Terschelling. Ik was net bezig het podium op te bouwen toen Ursel zei: ‘Weet je dat jij op een stripfiguur lijkt?’

Tot op dat moment had ik nog nooit een woord met haar gewisseld. Ik wist dat ze deel uitmaakte van een theatergezelschap, had haar zelfs zien spelen, maar verder hadden we geen contact gehad. Ze stond daar naast me en haar opmerking verwarde me. Ik keek haar aan en zag hoe mooi ze was. Een paar pieken van haar pony vielen aandoenlijk op haar klein uitgevallen neus. Maar wacht even, dacht ik, hoe kan dit een compliment zijn? Wie wil er worden vergeleken met een stripfiguur?

Eigenlijk ben ik nogal beschroomd als het gaat om vrouwen. Ik ben niet iemand die makkelijk contact zoekt, maar op een of andere manier hielp haar vreemde openingszin juist die verlegenheid te verjagen. Haar woorden waren zo absurd en driest dat alle beleefdheidsfrasen in een klap konden worden overgeslagen en er ruimte was voor openheid. Ze stelde vragen, de een na de ander. Ik vertelde dat ik godsdienstwetenschappen studeerde en binnen de kortste keren hadden we het over allerlei maatschappelijke thema’s. En toen er na afloop van de avond een clandestien feest werd georganiseerd in de laadruimte van een vrachtwagen, hoopte ik dat zij erbij zou zijn.

Ik was gevleid door haar aandacht, opgewonden over de onverwachte kennismaking met een leuke onbekende. Die avond dansten we samen in de vrachtwagen, wat heerlijk was, en toen de politie kwam en ons maande het feest af te breken, zijn we verkast naar de platbodem waar zij die week verbleef. Op de voorplecht dronken we jutterbitter en bier en we keken uit over het water. Er zullen een stuk of acht anderen in de buurt zijn geweest, maar ik zag alleen haar, de eigenwijze haartjes die scheef tegen haar neus hingen, haar mooie grote blauwe ogen. Wat een verrassing dat een kennismaking zo’n vaart kan nemen, dacht ik, en wat fijn toen we ook nog zoenden.

Nadat de zon was opgekomen, besloten we nog even te gaan slapen in haar hut, in het stapelbed waar ook haar compagnon lag. We krulden ons op op het smalle matras. Een paar uur later liep ik mijn walk of shame, klimmend over het dek van alle andere platbodems op weg naar het schip waar ik met de band verbleef. Maar schaamte voelde ik allerminst, integendeel, ik was opgetogen. Vluchtige flirts hoorden bij anderen en nu had ik het zelf ook eens meegemaakt. Alleen: wilde ik wel dat het hierbij zou blijven? Wilde ik haar niet nog eens zien?

Ik vroeg me serieus af: wat nu? Wat is de volgende stap? Dat we nummers uitwisselden, moest ik voorstellen nog eens met elkaar af te spreken? Of was dit een flirt zonder consequenties? Hoe is de festivaletiquette eigenlijk? Dat was wel iets waar ik mee zat. Dat eeuwige cliché dat je als man altijd degene moet zijn die doorpakt. Het gekke was, eigenlijk wist ik toen al wat ik in de tien jaar die zouden volgen alleen maar bevestigd heb gezien: Ursel is een vrouw aan wie je alles kunt vragen, tegen wie je alles kunt zeggen, want dat doet ze zelf ook. Maar op dat moment vragen: zie ik je nog eens?, dat durfde ik niet.

Gelukkig bleek ook zij niets te hebben met de klassieke rolverdeling en had ze geen moeite met het nemen van initiatieven. Zij gaf me haar nummer, bracht me naar de boot en zwaaide me uit. Het appen dat volgde, bloedde snel dood. Tot ik naar haar dromen begon te vragen, toen voelde ik ineens weer wat ik had gevoeld op de voorplecht van die platbodem.

Een paar weken later spraken we af in een café in Amsterdam waar ze woonde, ik had een boek meegenomen, en voor de zekerheid een tandenborstel. Ze kwam binnen en glimlachte naar me. Een warme glimlach, die niet helemaal paste bij de rest van haar houding, maar die me nog nieuwsgieriger maakte. We hebben soep gegeten en de rest van het weekend heeft ze me op sleeptouw genomen, achter op haar fiets. Soms wist ik niet eens waar ik was, ik kende Amsterdam niet, maar ik liet me leiden en alles was leuk.

We raakten niet uitgesproken en die eeuwige schroom, die overbodige laag verlegenheid die me zo vaak had belemmerd in het contact met vrouwen, verdween. Ik ben blijven slapen en 48 uur gebleven. Aan het einde van die twee dagen was het aan. Dat is nu tien jaar geleden, in Amsterdam woont ze allang niet meer. We zijn getrouwd, hebben een georganiseerd leven en een dochter van 2. Gisteravond zaten we tegen elkaar op de bank, even intunen na een lange drukke week. Elkaar steeds weer bewust opzoeken, zo houden we vast wat we op Terschelling vonden.’