Cultuuronderzoek en persoonsgericht onderzoek zijn twee verschillende disciplines
Met stijgende verbazing lazen we het opiniestuk van Robbert Masselink en Peter de Waal over ons advies voor veilig onderzoek naar (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Het doet ons goed dat de auteurs zich, net als wij, zorgen maken over deze onderzoeken. Tegelijkertijd vragen we ons af welk advies zij precies gelezen hebben, want hun opinie lijkt niet over ons advies te gaan.
In het stuk uiten ze zorgen over een eenzijdige jacht op daders bij onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag, een schadelijke verknoping van onderzoek naar personen en naar de organisatiecultuur, en het onderbrengen van deze onderzoeken bij de beveiligingsbranche. Maar bij vrijwel ieder punt dat de auteurs maken, bepleiten we in ons advies het tegenovergestelde van wat zij aannemen. Het begint bij een verkeerd begrip van de rol van de regeringscommissaris in de eerste alinea, en in de alinea’s daarna stapelen de onjuistheden zich op.
Herleidbaarheid
De auteurs openen met kritiek op onze aanbeveling over herleidbaarheid tot personen als criterium bij onderzoek. Zij lijken deze aanbeveling te interpreteren alsof herleidbaarheid de maatstaf wordt voor welk gedrag als grensoverschrijdend bestempeld wordt. Onze aanbeveling gaat echter over heel iets anders.
In de praktijk lopen onderzoek naar de omgangscultuur binnen een organisatie (cultuuronderzoek) en onderzoek naar het gedrag van specifieke personen (persoonsgericht onderzoek) te vaak door elkaar. Cultuuronderzoeken leiden nogal eens tot signalen over grensoverschrijdend gedrag van personen, waarna het onderzoek ook op die personen wordt gericht.
Maar hierbij krijgen zowel melders als beschuldigden regelmatig niet de waarborgen die zij horen te krijgen vanuit de wet (voor de geïnteresseerden: de Wet op de particuliere beveiligings- en recherchebureaus, de Wpbr). Denk aan hoor en wederhoor, een proportionaliteitstoets en – als het aan ons advies ligt – meer waarborgen om betrokkenen te beschermen. Dat gaat dikwijls mis, zoals de afgelopen jaren in het nieuws was te zien.
Duidelijker onderscheiden
Het herleidbaarheidscriterium is bedoeld om die twee onderzoeken duidelijker te onderscheiden. Is informatie in het onderzoek herleidbaar naar personen? Dan is het een persoonsgericht onderzoek en moeten de waarborgen van de wet voor alle betrokkenen gelden, ook voor beschuldigden. Een eenzijdige jacht op daders? Juist niet dus.
Het verbaast ons des te meer dat vervolgens wordt beweerd dat het advies cultuuronderzoek en persoonsgericht onderzoek met elkaar verknoopt, terwijl een heel hoofdstuk in het advies, inclusief het herleidbaarheidscriterium, gewijd is aan het voorkomen van verknoping van deze typen onderzoek.
Daarnaast betogen de auteurs dat cultuuronderzoek veel meer is dan het leggen van causale verbanden en dat sociale wetenschappers, psychologen, mediators en organisatieadviseurs daarvoor de aangewezen professionals zijn. Laten we het daar nou volledig mee eens zijn in ons advies. In aanbeveling 12 kunnen de auteurs lezen: houd cultuuronderzoek buiten de Wpbr, want het is een eigen vak met een eigen methodiek. Voor dat vak bepleiten we een eigen beroepsvereniging, eigen opleidingen en eigen kwaliteitsstandaarden, gedragen door precies de beroepsgroepen die de auteurs noemen. Fijn dat we elkaar daar in ieder geval kunnen vinden.
Aparte beroepsgroep
Bijzonder is ook dat de auteurs claimen dat we een gendersensitief vraagstuk in handen van een masculiene beveiligingssector willen leggen. Wie zich even inleest, ziet dat persoonsgericht onderzoek al ruim dertig jaar onder de Wpbr valt en dat particuliere onderzoeksbureaus een aparte beroepsgroep zijn binnen de brancheverenigingen. Van onderbrengen of criminalisering is dus geen sprake.
Wel stellen we in het advies dat de wet, ooit ontworpen voor fraude- en diefstalonderzoek, niet past bij onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag. Daarom bevelen we aan dat deze onderzoeken straks alleen nog worden gedaan door onderzoekers met een verplichte specialisatie in bijvoorbeeld traumasensitief werken, kennis van macht- en genderverhoudingen op de werkvloer en zorgvuldige gespreksvoering met melders én beschuldigden. Wie zich zorgen maakt over een masculiene onderzoekscultuur zou blij moeten zijn met dit advies, want het stelt gendersensitieve deskundigheid juist verplicht.
Tot slot stellen de auteurs dat de energie beter kan gaan naar de oorzaken, zoals machtsverschillen, werkdruk en afwezig management. Veel van het werk van de regeringscommissaris gaat juist daarover; we zijn voortdurend bezig om het maatschappelijk gesprek over onder andere preventie en cultuurverandering op gang te brengen en te houden. Ook op de werkvloer, via de handreiking Cultuurverandering op de werkvloer, die de auteurs citeren. En in het advies zelf overigens, want een belangrijke vraag is steeds of onderzoek überhaupt het juiste middel is. Organisaties grijpen daar vaak te snel naar.
In het advies bevelen we aan dat vooraf juist wordt getoetst of een gesprek, bemiddeling of een cultuurtraject niet passender is. En als er dan toch onderzoek komt, verdienen melders én beschuldigden onderzoek dat deskundig, zorgvuldig en toetsbaar is. Nu gaat dat te vaak fout, met grote schade voor alle betrokkenen.
Desgewenst gaan we graag met de auteurs in gesprek over het advies, zoals het is geschreven.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie