Verbreed je blik, doe ook eens een prei na: schrijver Mariken Heitman pleit voor het niet-menselijke perspectief
Het binnenverblijf had hoge betonnen muren en aquariumachtige ramen waarachter mensen voorbijschuifelden. Luiken gaven toegang tot andere binnenruimten en het parkachtige buitenverblijf. Er hingen touwen, autobanden en andere klimattributen.
Een twintigtal zwartharige chimpansees zat op het beton of lag in bijeengeveegd stro.
Op dagen boven de 10 graden observeerden mijn medestudenten en ik hen in hun ruime buitenverblijf, te zien in de bekende documentaire Chimps onder elkaar (1984) van Bert Haanstra. Maar vandaag was het te koud, iedereen was binnen. Wij zaten met onze blocnotes en dictafoon meters boven de dieren, in een soort uitsparing van zo’n betonnen muur die we ‘de plantenbak’ noemden. Uit de verte klonk de radio van de dierverzorgers.
We noteerden zo precies mogelijk de gedragingen van een individueel dier. Iedere groet, ieder handgebaar of geluid had zijn eigen afkorting.
Na tien minuten volgde hetzelfde protocol, maar dan bij een groepsgenoot.
Ik herinner me niet of er iets aan voorafging, maar chimpansee M. greep een lange stok – waar kwam die vandaan? – en slingerde het ding in mijn richting. Verrast dook ik weg.
Niet de stok of het gooien verbaasde me. Het was de borende blik die ze even op mij had gericht, het was de stok die ze mijn kant op slingerde. Al die tijd had ze me gezien.
Dat was mij niet geleerd. Ik, begin twintig en wetenschapper in spe, hoorde onzichtbaar te zijn. Ik stond letterlijk en figuurlijk boven mijn onderwerp, de wetenschappelijke blik moest zo objectief mogelijk zijn. Daaruit volgde dat iedere interactie met de dieren verboden was. Inmenging zou hun natuurlijke gedrag beïnvloeden en onze data verpesten.
Daarom voelde ik mij eerst vagelijk schuldig. Door mij had chimpansee M. haar gedrag aangepast. Dat M. in een dierentuin leefde en geen kant op kon, dat ze de godganse dag door tientallen mensenogen werd bekeken, was daarbij kennelijk van ondergeschikt belang.
De stok sloeg een meter onder mij tegen het beton. M., dat prachtige, complexe dier, had mij terug onze gedeelde wereld in gegooid. Was raken überhaupt de bedoeling geweest?
Vermoedelijk irriteerde ik haar, dat was jammer, maar vaststond dat ze zich tot mij verhield, onze aandacht was wederzijds.
De stok paste niet binnen het waarnemingsspectrum en belandde daarom niet in mijn data, maar wel in mijn geheugen.
Het is maar net hoe je kijkt
Wetenschapper zou ik niet worden, al deed ik nog wel een paar pogingen om een promotieplaats te bemachtigen, waarbij ik het gedrag van makaken in gevangenschap zou bestuderen. Ik werd nooit op gesprek uitgenodigd; enigszins ontgoocheld werkte ik een zomer lang op een biologische boerderij in Zweden. Ze hielden er fijngekrulde schapen, ik pootte er aardappels en plukte er bonen. In de lucht hing altijd een leeuwerik, uitbundig zingend.
Samen met een andere vrijwilligster, een Duitse, verpakten we ’s middags de oogst. We omringden ons door kisten tomaten, een weegschaal, zakjes en plakband met de naam van het bedrijf. Melig van het repetitieve werk deden we de groenten na. Wangen naar binnen gezogen, benen tegen elkaar, armen strak in de lucht: prei was favoriet.
We hikten van de lach, niemand die ons zag.
Het is maar net hoe je kijkt naar prei. Je kunt de plant ook beschrijven als een bundel vlezige bladeren. Van binnenuit vormt hij steeds nieuwe, die dicht op elkaar gepakt rechtstandig omhooggroeien. Het onderste deel is wit omdat het niet in aanraking komt met zonlicht, het bovenste deel is donkergroen. Op het land lopen die bladeren taps toe in een doorbuigende, slappe punt. Tijdens het kisten wordt de top gekortwiekt.
Dit is allemaal correct en toch is het maar een deel van de waarneming. Die hangt namelijk af van je perspectief.
Na de zomer schreef ik me in voor een opleiding voor biologisch-dynamische landbouw. Omdat ik gewoon naar buiten wilde, zei ik tegen mezelf en tegen iedereen die mij vroeg wat ik daar met een afgeronde wetenschappelijke opleiding tussen de antroposofen en de trekkers deed.
Weg van de maakbaarheid
Het verschil tussen gangbare landbouw en duurzamere vormen, zoals de biologisch(-dynamische) landbouw, kan worden uitgelegd in meetbare eenheden als gif, kunstmest en dierenwelzijn.
De filosofische grondslag is eigenlijk veelzeggender. De gangbare landbouw, die vanaf de Tweede Wereldoorlog een razendsnelle industriële ontwikkeling doormaakte, leunt zwaar op het idee van maakbaarheid: land droogpompen, diepploegen en met gif en kunstmest de groei van de beoogde plant of het dier bijsturen om de opbrengst op te schroeven. Ieder onderdeel van deze keten drijft op fossiele brandstof.
Op de korte termijn levert dat grote hoeveelheden betaalbaar voedsel op. Wij profiteren in dit deel van de wereld allemaal van deze welvaart en voedselveiligheid. Maar op middellange en lange termijn vernachel je met dat gesleutel de bodemvruchtbaarheid, de waterkwaliteit, de biodiversiteit en uiteindelijk het klimaat.
Het is bijvoorbeeld een vervelend gegeven dat landbouwgif, door de agrarische sector eufemistisch ‘gewasbeschermingsmiddelen’ genoemd, daadwerkelijk giftig is: op de akker, maar ook eronder en ernaast. De doorwerking ervan in het ecosysteem is bovendien merkbaar voor allerlei toekomstige generaties organismen, inclusief de mens.
Volledige maakbaarheid is een illusie, daar zijn steeds meer mensen het over eens. Ondertussen heeft deze ingesleten houding wel bijgedragen aan wat je een onthechte relatie tussen mens en natuur kunt noemen. Natuur, een lastig begrip. Die onderzoek je vanaf een afstand, je geeft haar een stem, je beheerst, bewondert, beschermt of temt haar. Wanneer begonnen we de natuur te externaliseren, wanneer werd zij slechts decor van onze monoloog?
De biologisch(-dynamische) landbouw gaat minder over maakbaarheid en meer over deelname. Omdat het gebruik van synthetische middelen grotendeels is uitgesloten, probeert de biologische boer zijn of haar handelen af te stemmen op de relaties die planten en dieren van nature met hun levende en niet-levende omgeving aangaan. Dit zijn vaak oeroude relaties waarvan we nog lang niet alles begrijpen. Vermoed wordt dat de afhankelijkheid tussen de plant en het leven in de bodem zo oud is als het moment dat de eerste plantachtige aan land kroop, honderden miljoenen jaren geleden.
‘Aarde’ als materie komt voort uit de wisselwerking tussen plant en bodemleven. De bioboer voedt met organische mest het bodemleven in de aarde en via die complexe omweg komt er uiteindelijk voeding voor de plant vrij.
Een rijk bodemleven heeft meer voordelen: het slaat ook koolstof op, bevordert plantgezondheid, houdt water vast en zorgt voor een goede bodemstructuur, zodat de plant makkelijker kan wortelen en het teveel aan water wordt afgevoerd.
Als we ons buiten de natuur plaatsen, ontstaat er een situatie waarin het normaal is om te heersen en natuurlijke bronnen uit te putten
Als bioboer voeg je je naar zo’n bestaande gemeenschap in plaats van er op autoritaire wijze macht over uit te oefenen. Je beheerst niet, je speelt mee. Vanuit het besef dat je natuur bent, net als al het andere.
Om mee te spelen moet je soms door de knieën en je de wereld voorstellen vanuit een ander perspectief, vanuit dat van een aaltje bijvoorbeeld. Sommige van deze microscopisch kleine rondwormpjes hebben de nare eigenschap dat ze parasiteren op planten, maar het merendeel is medeverantwoordelijk voor de essentiële, ondergrondse nutriëntenkringloop. Dankzij hen wordt de plant voorzien van noodzakelijke mineralen.
De meespelende boer vraagt zich af hoe dit nuttige aaltje kan worden ondersteund. En daar gebeurt het: zodra je je verdiept in die ander, kom je los van je main character syndrome. Er ontstaat een relatie en daarmee een vorm van empathie die soortoverstijgend is. Je wereld wordt groter.
Web van relaties
Het is die perspectiefverschuiving die mij mateloos intrigeert. Ik bedoel dat ik de wereld zie in termen van ecosystemen.
Een ecosysteem omvat alle organismen in een gebied, inclusief hun onderlinge interacties en de interacties met niet-levende elementen. De Waddenzee en de Veluwe zijn ecosystemen, maar een sloot, een akker of een moestuin kan dat ook zijn. Vanuit een ecologische visie staat ieder levend wezen in relatie tot vele andere. En in zekere zin dus tot ons allemaal.
Een andere eigenschap van een ecosysteem is dat er geen duidelijke hiërarchie geldt, er zijn geen soorten belangrijker dan andere. Sterker nog, er is sprake van een wederzijdse afhankelijkheid tussen de vele verschillende organismen. De relaties vormen feitelijk een web.
Binnen dat web bevindt zich ook ergens de mens, een besef dat gek genoeg pas tijdens mijn agrarische opleiding begon in te dalen. Ondertussen werd ik tuinder op een klein biologisch tuinbouwbedrijf en verbouwde ik groente. Ik keerde de grond, betreurde de vraat van de bladrandkever, installeerde een waterpomp, plukte bonen, sneed kool.
Iedere dag vormde een bevestiging van het feit dat ik geen observator op afstand was, maar een deelnemer. Dat voelde ik aan mijn lichaam, dat fysieke arbeid leverde, en dat zag ik aan het land dat door mijn toedoen veranderde.
Door landbouw te bedrijven kreeg ik zicht op een grote blinde vlek: mijzelf. Ik, met mijn door en door biologische lijf, dat afhankelijk was van voedsel, water en zuurstof, beschikbaar gesteld door planten, dieren, eindeloos veel microben en andere organismen.
De norm bevragen
In de jaren negentig keek ik als tiener naar de Amerikaanse comedyserie Ellen van komediant Ellen DeGeneres. Van de wereldberoemde aflevering The Puppy Episode, waarin hoofdpersonage Ellen uit de kast komt, kan ik mij gek genoeg weinig herinneren, misschien omdat ikzelf nog heel wat jaren verwijderd was van mijn eigen coming-out. Die woekerde alleen nog ondergronds.
Een andere aflevering staat mij scherp voor de geest. Daarin bevinden Ellen en haar vrienden zich in hun vertrouwde wereld, met als enige verschil dat homoseksualiteit er ineens de norm is en de paar heteroseksuelen een minderheid vormen.
Het zal de eerste keer zijn geweest dat ik het enorme gewicht van heteronormativiteit verbeeld zag, juist door het narratief om te draaien; de eerste keer ook dat ik daardoor voelde hoezeer die onze wereld bepaalt. Tegelijkertijd zag ik de dwaasheid ervan, hoezeer de norm doorgaans serieus wordt genomen, alsof die om zoiets onomstotelijks als de zwaartekracht gaat.
Maar ik zag ook dat die norm bevraagd kon worden en dat je door middel van fictie een nieuw perspectief kon aanboren. Net zo dwaas trouwens, net zo arbitrair.
Het maakt uit dat ik als queer mens in een heteronormatieve wereld leef. Op dagelijks niveau word ik geconfronteerd met mijn perspectief, omdat het buiten de norm valt. En het gaat me hier niet eens om dat specifieke queer perspectief. Het gaat me om het scherpe contrast, waardoor louter het bestáán van een perspectief zichtbaar wordt.
Het bewust worden van positionering geldt in feite voor iedere minderheid (bijvoorbeeld mensen van kleur en mensen die chronisch ziek zijn) of gemarginaliseerde groep (bijvoorbeeld vrouwen) en in mindere mate voor iedereen die op wat voor manier dan ook niet aan de heersende norm voldoet. Heb je griep, dan weet je op microniveau hoe het is om maatschappelijk niet mee te komen, al is het maar voor een paar dagen.
Schrijvers en andere verhalenvertellers kennen als geen ander het belang van perspectief binnen een verhaal. In de literatuur wordt dit gegeven ‘de vertelinstantie’ genoemd: door wiens ogen wordt er waargenomen en gehandeld? In concrete bewoording is het degene die het verhaal vertelt: de verteller.
Je zou ook kunnen zeggen dat het de camera is die registreert. Het verhaal over de liefdesrelatie tussen A en B kan nogal anders klinken gezien door de ogen van A, B, een gemeenschappelijke vriendin, de hond of een alwetende verteller.
Het is dan ook een van mijn favoriete vragen als ik schrijfles geef: wie is de verteller? Want een neutrale verteller, leerde ik al van chimpansee M., bestaat niet. Het maakt nogal uit wie kijkt en wie wordt bekeken.
In de ecoliteratuur wordt volop geëxperimenteerd met andere, niet-menselijke perspectieven. Dat levert soms dilemma’s op. Schrijven vanuit het perspectief van de prei is een vorm van vermenselijking of projectie die binnen de wetenschap tot problemen kan leiden. Je zou er zomaar ongefundeerd van uit kunnen gaan dat je niet-menselijke onderzoeksobject menselijke emoties of gedrag vertoont. Dit heet antropomorfisme: het foutief uitleggen van dier- of plantgedrag in menselijke termen.
Een antropocentrisch wereldbeeld staat slechts een enkelvoudige verteller toe, een mens, die grotendeels blind is voor zijn medespelers
Binnen een wetenschappelijke context moet daarmee inderdaad secuur worden omgesprongen. Maar zijn we te voorzichtig, dan gooien we het kind met het badwater weg en dreigen we ieder menselijk gedrag ook als exclusief menselijk te zien. De etholoog Frans de Waal muntte hiervoor het begrip antropodenial. De (evolutionaire) verwantschap tussen mensen en al het andere leven is gewoonweg te groot om die exclusiviteit op ieder terrein hard te maken.
Voorzichtig laveren dus, tussen antropomorfisme en antropodenial.
Kunst, en dus ook literatuur, is juist bij uitstek geschikt om de wereld door niet-menselijke ogen te bekijken. Dit verbreedt ons denken, óók of misschien wel júíst als het niet wetenschappelijk correct is. Doe eens wat vaker een prei na. Want een strikt antropocentrisch wereldbeeld, waarbij onze menselijke ervaring de maatstaf is waaraan al het andere leven op aarde wordt afgemeten, is een vorm van blikvernauwing. Het staat slechts een enkelvoudige verteller toe, een mens, die grotendeels blind is voor zijn medespelers.
Medespelers van wie hij afhankelijk is, die zuurstof voor hem produceren en voedsel, een leefbaar milieu, enzovoorts. Medespelers op wie hij andersom ook een grote invloed heeft.
Een bekrompen kunstopvatting
De natuur als de ander beschouwen: het is een vorm van onthechting die ook doorsijpelt in de literatuur(kritiek). Exemplarisch vond ik de bespreking van Thomas de Veen, eind 2024 in NRC, over de roman waarmee Samantha Harvey de Booker Prize won. In orbit beschrijft een groep astronauten die vanuit de ruimte naar de aarde kijkt. Op perspectiefniveau is het gevolg hiervan dat mensen een iets minder grote rol innemen, de planeet aarde een iets grotere.
Volgens De Veen is het die kleine rol voor mensen waardoor de roman niet geheel overtuigt: ‘Pas als het verhaal menselijk wordt, kunnen we ons engageren.’
Hij citeert Christiaan Weijts, die eerder dat jaar in De Groene Amsterdammer schreef dat hij om vergelijkbare redenen niet overtuigd was door het niet-menselijke vertelperspectief van mijn roman De mierenkaravaan (2024): ‘Misschien bewijst dit dat de roman het uiteindelijk moet hebben van verhalen over onze eigen soort, hoezeer Heitman ook in planten of dieren probeert te kruipen.’
De Veen noemt dit in zijn bespreking ‘een van de meest confronterende en overtuigende inzichten die ik dit jaar in de literaire kritiek las’.
Dat een roman alleen geslaagd is als deze vanuit een menselijk perspectief vertelt over intermenselijke beslommeringen, is een bekrompen kunstopvatting. Vele malen belangrijker is dat hiermee de kern wordt blootgelegd van een groter, literatuur overstijgend probleem.
Als ik een moestuincursus geef, beeld ik planten uit. Op die manier maak ik voor de deelnemers inzichtelijk hoe de plant zich ‘voelt’. Ik plak ongegeneerd mijn menselijke eigenschappen op die van planten omdat het de manier is waarop ik een relatie met die plant aanga. Alleen zo zal ik mij inzetten voor zijn verzorging en zie ik wat de plant nodig heeft, hoe het met hem gaat.
Ik hoef niet precies te weten hoe een dorstige plant zich voelt, of hij überhaupt voelt. Ik zie aan zijn slappe houding dat hij water nodig heeft, herken er mijn eigen verlangen naar water in, er is een band gesmeed, ik pak een gieter.
Je zou zelfs kunnen beweren dat dit vermogen tot vereenzelviging ons negenduizend jaar geleden een voordeel opleverde, toen de mensheid tijdens de neolithische revolutie langzaam van een nomadisch jager-verzamelaarsbestaan overschakelde naar dat van plaatsgebonden landbouw. Wie zich in planten of andere niet-mensen kon verplaatsen, werd wellicht een betere boer dan wie minder in staat was tot deze blikverruiming.
Het kan anders, je hoeft niet per se een prei na te doen. Ook via het menselijke vertelperspectief kun je de wereld vanuit een andere levensvorm verbeelden. Dat bewees Harvey met In orbit. Ook in de romans Tot in de hemel (2019) van Richard Powers en het onlangs verschenen Het zuchten van bomen van Roanne van Voorst worden de levens van bomen gethematiseerd. Eva Meijer maakte koolmezen gelijkwaardig aan de menselijke hoofdpersoon in Het vogelhuis (2016), zoals ze dat met muizen deed in Muizenleven (2025).
Ook de net vertaalde roman Helm van Sarah Hall stijgt uit boven het strikt menselijke. Helm, een wind in Engeland, is af en toe de verteller en als Helm niet spreekt, dan zijn het de mensen die zich tot Helm verhouden. Daardoor neemt dit natuurverschijnsel meer ruimte in dan de successievelijke mensen. De relatie staat centraal.
Voor het eerst voelde ik mee met een wind die misschien voor altijd gaat liggen, een wind die sterfelijk is.
Geen vrijblijvend spel
Ecoliteratuur speelt met ons inlevingsvermogen. Maar het is geen vrijblijvend spel. Op het moment dat we ons níét verplaatsen in de boom, de wind of de plant, als we geen relatie aangaan met de natuur om ons heen, als we onszelf met andere woorden buiten de natuur plaatsen en in de betonnen plantenbak de neutrale verteller gaan zitten zijn, ontstaat er een situatie waarin het normaal is om te heersen en ongelimiteerd natuurlijke bronnen uit te putten.
Onthecht en afgesloten van ieder gevoel van verwantschap verleren we datgene wat ons potentieel boven onszelf uit doet stijgen: het verbazingwekkende vermogen een ander perspectief aan te nemen. Dan kom je dus uit bij een wereld zoals die nu is, een wereld die in toenemende mate ongeschikt wordt voor onszelf.
Een wereld waarin je kunt zeggen: ik heb gewoon niets met de natuur. Kan iemand zich dat veroorloven?
Niet de vermenselijkte planten of de metafysische perspectieven moeten we vrezen. Het is juist die stilte, de onthechting, waarvoor we bang moeten zijn.
Ik geloof dat we toe zijn aan een verbreding van het vertelperspectief. We moeten méér antropomorfiseren, niet minder. Ook in de roman, ook als het tot een ongemakkelijke leeservaring leidt, ook als het boek daarmee ‘niet overtuigt’.
Doe eens wat vaker een prei na. Leef je in. De natuur kijkt terug, ook als je het niet ziet. Want wie de antropocentrische blik kan verlaten, al is het maar voor even, vangt een glimp op van het grotere spel.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie