Nederland heeft schrijver Geerten Meijsing niets te bieden: ‘Alles is hier lelijk en de mensen zijn grofbesnaard’
‘Weg van hier! Dat gevoel heb ik altijd gehad’, zegt Geerten Meijsing, terwijl hij met de steel van zijn pijp wijst naar de bewolkte hemel boven Amsterdam. ‘Gedurende mijn schooltijd, gebogen over teksten uit de oudheid, wist ik al dat er een betere wereld bestond en dat een ander leven mogelijk was: ik moest de comfortabele omstandigheden waarin ik ben geboren achter me laten. Ergens zou ik een locus amoenus vinden in dit doodsaaie bestaan van verplichtingen. Het was een keuze tussen het leven en de kunst.’
Meijsing (1950) heeft net puffend de trap beklommen naar zijn huis op de eerste verdieping aan een chique laan in Amsterdam-Zuid. Na een lang verblijf in Italië – eerst in Toscane en later op Sicilië – waar hij een erudiet oeuvre bijeenschreef, is hij door ziekte, fysiek verval en geldgebrek sinds een paar jaar noodgedwongen weer in zijn vaderland neergestreken.
‘Ik heb mij er altijd voor geschaamd dat ik Nederlander ben; ik schaam mij nog steeds voor Nederlanders in het buitenland. Ik heb geen enkele band met dit meest onaangename landje van Europa. Alles is hier lelijk: het landschap en de architectuur; de mensen zijn lomp en grofbesnaard. Twee keer in mijn leven heb ik uit woede mijn Hollandse paspoort aan stukken geknipt. Je knipt er scharen aan kapot, hebt er eigenlijk een heggenschaar voor nodig, maar dat was niet zo handig, want je hebt het soms toch nodig, om bij je bankrekening te kunnen of in het vliegtuig te stappen, tegenwoordig zelfs voor een bloedafname!’
Hij zucht. ‘Was ik maar ingegaan op de jaarlijkse suggesties van de Italiaanse gemeenteambtenaar, als ik mijn verblijfsvergunning kwam verlengen: ‘Meneer, u woont al zo lang in Italië, waarom wordt u niet gewoon Italiaans staatsburger?’ Maar ik dacht, stom genoeg: in Nederland werkt de gezondheidszorg beter. Quod non. Die Italiaanse artsen en ziekenhuizen zijn veel beter. Te laat, ik heb te lang geaarzeld, en toen kwam corona.’
Vertrouwelijk buigt de schrijver zich voorover. ‘Er is een zending onderweg van ‘De Arbeiderspest’, zoals mijn oude uitgever Theo Sontrop uitgeverij De Arbeiderspers placht te noemen. De postbode komt de auteursexemplaren van R.I.P. Gissing afleveren, mijn nieuwe roman. Nummer veertien, als ik goed heb geteld! Daar drinken we dan samen een glas whisky op. Ik drink nooit meer ’s morgens, maar voor deze gelegenheid maak ik een uitzondering.’
Wie was Gissing?
‘George Gissing was een geniale, productieve en armlastige Britse broodschrijver die leefde in de late 19de eeuw. Een geteisterde erudiet wiens artistieke genius behoefte had aan ongeluk en leed. Als mens was hij niet in staat om de inzichten van de schrijver, zoals hij die in zijn romans heeft uiteengezet, in de praktijk te brengen. Gissing ging ten onder aan zijn voorliefde voor de verkeerde vrouwen, bleef altijd op jacht naar het onbereikbare. A born exile. Hij stierf op 28 december 1903 in erbarmelijke omstandigheden, ergens in de Pyreneeën. Hij was pas 46.’
Is hij uw favoriete Europese auteur?
‘Allerminst, hij is slechts een van vele voorbeelden. Ik ben aanvankelijk vooral beïnvloed door James Joyce. Ik stel mij Frederick Rolfe, Baron Corvo, méér ten voorbeeld. Ik ben gevormd door Norman Douglas, Marcel Proust, Gabriele D’Annunzio e tutti quanti. Mijn lievelingsschrijver is misschien wel Jacques Laurent, die hier niemand kent, en daarna de Siciliaanse schrijvers Ercole Patti en Domenico Cacopardo.
‘Dat ik mijzelf in een boek rug aan rug met George Gissing heb willen plaatsen, is vooral te danken aan de macabere thematiek. Zijn worstelingen met het leven en het schrijven kwamen mij op onheilspellende wijze zo herkenbaar voor, dat ik mij van die spiegeling heb willen bevrijden. Het is eenvoudigweg gouden materiaal. Zo veel narigheid en wansucces: daar heb je wat aan, daar kon ik wat mee beginnen.’
Betekent ‘Europa’ iets voor u?
‘Zeer veel! Europa vertegenwoordigt de cultuur van de verlichte Griekse beschaving die op de rug van de primitieve oerkracht van een stier in een doorzichtig kleedje naar het Westen is gedragen, of ontvoerd, het is maar hoe je het wilt zien. Van jongs af aan begreep ik het enorme voorrecht om ‘toevallig’ in Europa geboren en opgegroeid te zijn.
‘Alle andere werelddelen en continenten kunnen me daarbij vergeleken gestolen worden. Ik ben er niet nieuwsgierig naar, al las ik als jongen met rode oortjes over de Grote Ontdekkingsreizigers, en hoe de Portugezen en de Spanjaarden, met Italiaanse kapiteins, de Nieuwe Wereld hebben ontdekt, veroverd en verwoest. Wat een moed! De Straat Magellaan – daar wou ik altijd doorheen varen, Patagonië opnieuw ontdekken. Niet meer, want het is inmiddels allang een toeristenval, vol met bewegwijzerde fietspaden – brrr, fietsers – en cruiseschepen die de ongerepte woestenij dagelijks verkrachten.’
Uw hart woont in Italië.
‘Dat is zo vanaf de eerste stap die ik daar als 5-jarig jongetje zette, vlak over de grens bij Zenna aan het Lago Maggiore. Mijn geest is geslepen, na de Grieken en Romeinen, door de Fransen, mijn bloed is deels, voor één kwart, Duits, met Baskische achtergrondschaduwen. Mijn moeder was half-Duits. Als meisje van 14 was ze in 1933, toen Hitler aan de macht kwam, Duitsland ontvlucht. In Frankfurt lieten mijn grootouders een modern huis achter met een koelkast en een wasmachine. Dat hadden de mensen hier niet. De ontvangst was ook niet al te hartelijk. Nederlanders zaten toen ook al niet op buitenlanders te wachten.’
Als een slechte jeugd een goudmijn is voor een schrijver, dan lag er geen stofje goud op de schouder van Geerten Jan Maria Meijsing. Hij groeide op in een intellectueel, welvarend en katholiek gezin in Haarlem. Zijn vader was gemeentesecretaris, zijn moeder artistiek begaafd. Alle kinderen lazen een gat in de dag en speelden viool of saxofoon. Geerten was de derde van vier kinderen. Met zijn zus Doeschka, die net als hij schrijver zou worden, onderhield hij vanaf zijn geboorte een liefdevolle concurrentie. Volgens Doeschka was Geerten zijn moeders lievelingetje.
‘Toch voelde ik mij misplaatst. Net als mijn moeder. Haar beste herinnering dateerde van voor haar eindexamen, toen ze dus al in Nederland woonde. In 1938 maakte ze samen met een tante een grand tour door Italië. Mijn moeder was 18, een prachtige vrouw…’ Kreunend staat Meijsing op uit zijn bureaustoel en pakt een ingelijst fotootje uit een van de uitpuilende boekenkasten. Op de foto staat zijn moeder, haar donkere ogen gericht op de einder, volle lippen en golvende zwarte haren. Naast haar kijkt de 3-jarige Geerten dromerig in de camera.
‘Op haar tocht door Italië is mijn moeder in Positano geweest. Aan de bar dronk zij achter elkaar cocktails, americano’s. Daarna is ze bij een man met ontbloot bovenlijf en een gouden kruisje in zijn borsthaar in een roeibootje gestapt en zijn ze de Grotta dello Smeraldo ingeroeid. Volgens mij heeft ze daar haar eerste seksuele ervaring opgedaan. Lyrisch vertelde ze ons later hoe ze zich in het koele zeewater had laten glijden. ‘En daarna’, zei ze, ‘kon je het zout van je huid likken.’
Ze behield een zucht naar het zuiden.
‘Mijn vader kwam daaraan tegemoet door ons in de rammelende Fiat 1400B over de Alpen naar het paradijs te rijden: das Land wo die Zitronen blühen, dahin, dahin! Tijdens de bergrit stond mijn moeder doodsangsten uit. Mijn vader, achter het stuur: ‘Hoe wil je nou dat ik langzamer bergaf ga in zijn 4?’ Over de grens was alles anders. De geuren, kleuren, het landschap. Daar kwamen de zintuigen tot leven.’
In 1968 liftte u met een vriend naar Calabrië, het diepste zuiden van Italië.
‘Een heel avontuur, want de snelweg hield op voorbij Napels, bij Sorrento. We volgden het spoor van Norman Douglas’ Old Calabria (1915), het beste reisboek ooit. De begaafde en gefortuneerde Britse schrijver Douglas kwam aan het begin van de 20ste eeuw terecht tussen de ruïnes van de beschaving, waar briganti, bandeloze schurken, rondwaarden.
‘In zijn boek wijdde Douglas drie hoofdstukken aan George Gissing, die vijftien jaar eerder By the Ionian Sea – Notes of a Ramble in Southern Italy had gepubliceerd. Dat boek vergezelt me ook al een leven lang. Het zal me nooit vervelen. Al is Gissings reisboek de weerslag van een reisje van amper drie weken, waarvan de schrijver tien dagen aan bed gekluisterd lag in Albergo Concordia in Crotone.’
Meijsing zette koers naar de zuil van Crotone, de enige stenen kolom die nog overeind staat van een Heratempel uit de 5de eeuw voor Christus, op een landtong aan de Ionische Zee. ‘De eerste keer dat ik bij de zuil aankwam, en elke keer dat ik daarna, over binnenwegen, door Calabrië reed, wist ik: hier wil ik leven, liefst wil ik hier nooit meer weg. Als ik moet sterven, na het overleven van alle geslachtelijke gevaren waaraan ik mezelf heb blootgesteld, moge dat dan zijn aan de Ionische kust.’
Bent u zich met de ongelukkige gaan vereenzelvigen?
‘Ik lijd aan het Gissing-syndroom. Zijn sarcastische doodshumor en zwartkijkerij zijn onweerstaanbaar. Net als hij beschouw ik het schrijven als ‘the trade of the damned’. Van het literaire leven in Amsterdam heb ik op satirische wijze een beeld gegeven in mijn roman De grachtengordel (1992), zoals Gissing dat deed in New Grub Street (1891).
‘Ik wil worden verlost van de hang naar platte seks, de dwang tot schrijven, de teleurstelling die altijd volgt op de verwachting’
‘Wat ik ook in Gissing herkende, was zijn achting voor ontwikkelde, intellectuele vrouwen. In die zin was hij van deze tijd. Maar hij vond ook dat dames van stand niet lekker waren om te neuken. Zijn eerste vrouw, Nell, was een drankzuchtige prostituee die hij ’s nachts van de straat oppikte en wilde redden…’
Is dat niet precies wat er in uw roman Dood meisje (2002) gebeurt?
‘Mijn vrouwbeeld is bepaald door mijn moeder en Doeschka. Bij ons thuis was volstrekte gelijkheid tussen de geslachten volkomen vanzelfsprekend. Maar ook ik houd van downdaten. Ik ontmoette Layla, het meisje dat model stond voor de heldin van die roman, toen ze door een escortbureau bij me werd langsgestuurd. Ik heb haar toen hier gehouden. Ik hield van haar en zij van mij, maar de situatie werd al snel onhoudbaar. Ze was een echte borderliner. Onverzadigbaar. Destructiedriftig.’
In uw roman Tussen mes en keel (1997) gaf u een huiveringwekkend beeld van uw eigen depressies en doodsdrift.
‘Mijn leven is verdoemd. Ik ben wel vijf keer met de ambulance opgehaald omdat ik geprobeerd had mij van het leven te beroven. Achteraf kan ik vaststellen dat het niet de bedoeling was dat ik in mijn opzet slaagde. Stiekem denk ik wél dat een welvarend en gelukkig leven geen literatuur oplevert en dat je als schrijver alleen inzicht kunt verkrijgen in pijn en ellende als je zelf gek bent geweest en flink hebt geleden.’
R.I.P. Gissing is een hommage aan het schrijverschap, maar ook een waarschuwing.
‘Begin er nooit aan! Net als Gissing heeft een heel leven van pennen en krassen mij in steeds benardere omstandigheden gebracht. Ik wil worden verlost van de symptomen van het Gissing-syndroom: de hang naar platte seks, de dwang tot schrijven, de teleurstelling die altijd volgt op de verwachting, des te dieper naarmate de verwachtingen hoger zijn gespannen.’
U bent al jong naar Italië vertrokken in een vuurrode, deinende Citroën DS. Uw eerste romans, midden jaren zeventig gepubliceerd onder de naam van het schrijverscollectief Joyce & Co, zijn grotendeels geschreven in een casa colonica in Arsina, bij Lucca in Toscane.
‘De weg naar het ideale leven loopt via de kunst. De praktijk valt tegen. In Lucca heb ik mijn dochter Iris opgevoed. Alleen. Dat had ik met haar moeder afgesproken bij de conceptie. Iris en ik hadden een symbiotische verhouding. Ze was een heel wild kind, een soort natuurgeweld. Ze kon niet alleen in een kamertje slapen. ’s Nachts kwam ze haar bed uit, met haar dekentje, en nestelde zich tussen mijn benen onder het bureau. En dan schreef ik verder tot het licht werd.
‘Er is niets mooiers dan de stilte en het geluid van de vulpen die krast op het papier. ‘Cras’ betekent ‘morgen’ in het Latijn, zoals je weet. Hodie mihi, cras tibi – heden ik, morgen gij. Niet alleen de taal, maar ook het schrift is wat ons van de dieren onderscheidt.’
Rond de eeuwwisseling verhuisde u naar het schiereilandje Ortygia in Syracuse, op Sicilië.
‘Tegen iedereen die me vroeg waarom ik op Ortygia was komen wonen, was mijn antwoord: Plato. Er is tegenwoordig kritiek op de grote antieke schrijvers. Het zouden allemaal oorlogshitsers en smerige piemelaars zijn geweest… maar ze staan wél aan de oorsprong van het abstracte, logische en filosofische denken! De oude Grieken hebben ons uit de barbarij verlost. Als tiener las ik Die Entdeckung des Geistes van Bruno Snell, in een populaire herdruk uit 1955, en dat is altijd een lievelingsboek gebleven. In het diepste zuiden ligt de bakermat van de Europese beschaving.’
Maar Syracuse is ook altijd een roversnest geweest.
‘Iris is er na verloop van tijd in de problemen gekomen. Ze had een Arabisch vriendje dat zich bewoog in kringen van de scafisti, mensensmokkelaars en bootbestuurders die vluchtelingen in Sicilië aan land zetten. Ik wilde erover schrijven, maar moest Iris beschermen. Inmiddels heb ik haar toestemming om alles te vertellen. Als ik dood ben, moet dat boek maar worden uitgegeven.’
Wat doet een 75-jarige schrijver die wil sterven aan de Ionische Zee in Amsterdam?
‘Wil je soms dat ik hier ter plekke neerzijg? Wel goed voor het interview… Mijn hart kon het niet meer aan, ik kon niet meer in Ortygia blijven. Ik woonde in de Via Maddione op de vierde verdieping, kwam de trap niet meer op. Ik zou eigenlijk een badante moeten hebben, een vrouw die schoonmaakt en wat boodschappen voor me doet. Maar voor een badante heb ik geen geld. Heen en weer rijden naar Nederland lukt me ook niet meer. Ik zou de Citroën CX niet meer naar de kant van de weg kunnen duwen.’
‘Ik aarzel of ik mijn dagboeken moet verbranden. Ik ben bang dat als ik zeg dat er niets mee mag gebeuren, men zich daar niet aan houdt’
Meijsing trekt vuur in een verse pijp. ‘Als ik mezelf bij toeval in een etalageruit voorbij zie schuiven, schrik ik me rot. Ben ik dat? Het is net als in Oscar Wildes The Picture of Dorian Gray: je loopt naar de spiegel, en de oude man die je daar ziet staan, herken je niet meer.’
U beschrijft met smaak het langgerekte sterfbed van Gissing, ver weg van zijn vaderland, in de natte en koude Pyreneeën.
‘Mensen gingen toen nog lekker langzaam de pijp uit! Met veel zuchten en rochelen, ijldromen en een arts die het verkeerde voorschrijft. Zijn twee beste vrienden werden erbij geroepen door zijn laatste vrouw, Gabrielle. H.G. Wells kwam met de boot uit Engeland en nam de trein door heel Frankrijk. Eenmaal ter plaatse versnelde Wells de dood van Gissing door hem barstensvol voedsel te proppen. Jeugdvriend Morley Roberts kwam te laat.’
Wilt u zelf een biografie?
‘God verhoede dat er ooit iemand zal opstaan die dat onzalige plan opvat! Ik moet zulks nog bij leven proberen te verbieden. Ik aarzel of ik mijn dagboeken moet verbranden. Ik ben bang dat als ik zeg dat er niets mee mag gebeuren, men zich daar niet aan houdt.’
De bel gaat. Meijsing veert op. ‘Ah, dat zullen mijn boeken zijn! Gebonden en ingenaaid, zoals het hoort.’ Hij stommelt de trap af naar de voordeur. Er klinkt onderaards gemompel. Traag kraakt hij de trap weer op. ‘Duizend bommen en granaten, dit zijn ze niet!’
Meijsing heeft een lichte, langwerpige doos in handen. ‘De uitgeverij zal me toch geen bloemen hebben gestuurd? Die stuur ik onmiddellijk terug… het is een poster voor R.I.P. Gissing!’ Met verbazing kijkt hij naar zijn eigen beeltenis op de poster, borsalino op en pijp in de mond, gevangen in een straal zonlicht in Ortygia. ‘Enfin, dan toch maar een glas whisky. Of wil je liever een blikje limonade? Doeschka, mijn betreurde, onlosmakelijke zuster, en ik wisten niet van elkaar dat we elke ochtend, voor we naar school fietsten, in plaats van te ontbijten een glas whisky dronken… Salute!’
In R.I.P. Gissing schrijft u dat u op uw sterfbed voorgelezen wilt worden door uw geliefde.
‘Omdat mijn moeder mij elke avond een uur lang voorlas. Uit Duitse sprookjesboeken in gotisch schrift, die ze vertaalde terwijl ze voorlas. Maar ook Tales of Mystery and Imagination van Edgar Allan Poe, met illustraties van Arthur Rackham. Mijn vader las maar één keer per jaar voor: op kerstavond uit een verboden boek, in sappig Vlaams: Het kindeken Jezus in Vlaanderen van Felix Timmermans. Het lukte me nooit om dat met droge ogen aan mijn eigen dochter voor te lezen. Ja, ik ben ontzettend sentimenteel. Mijn moeder had dat ook, maar die probeerde het te verbergen.’
Waar wilt u begraven worden?
‘Ik zeg het Slauerhoff na: ‘In Nederland wil ik niet sterven / En in de natte grond bederven.’ Ik zou graag een graf hebben in Syracuse. Net als August von Platen, die in 1835 stierf aan de tyfus die hij in Napels had opgelopen. Hij mocht niet op het katholieke kerkhof liggen en is begraven in de tuin achter een villa. Daar heeft men een standbeeld voor hem opgericht. Het is onbetaalbaar, maar zo moet het: op een eigen stukje land bij de Ionische zee. Eindelijk thuis.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie