Hoe de Betuwse bosjes sluipenderwijs uit het landschap verdwijnen
Het bordje staat er nog, aan de Heulweg in Gellicum, gemeente West-Betuwe. Eendenkooi van de staat, meldt het, met in kleine letters: SBB, de afkorting van Staatsbosbeheer. Maar een eendenkooi, een waterplasje omheind door natuurlijke begroeiing, is hier niet meer te zien. De bomen zijn verdwenen, net als de watergangen en het plasje zelf, in wat De kleine kooi heette, waarvan in 1674 voor het eerst melding werd gemaakt.
Wel staan er dicht op elkaar geplante wilgenboompjes in een rechthoek, als een akker. De eendenkooi is griend geworden, een zogeheten maaigriend, waar machinaal wilgentenen worden geoogst voor schuttingen en oeverbeschoeiing.
‘Dit is nu productiegrond’, zegt Vera van Loon, van de Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap, als ze in een oude Volvo door het gebied rondleidt. ‘Natuur is hier veranderd in landbouw.’
Het verdwijnen van de eendenkooi in Gellicum laat zien hoe kwetsbaar kleine plukjes natuur zijn als ze buiten de beschermde gebieden van Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen. Des te meer nu de strijd om de beperkte grond in Nederland in volle hevigheid woedt.
Beschermde status op de schop
Met name Gelderland grossiert in versnipperde natuuroases. Veel ervan vallen onder de noemer ‘oude bosgroeiplaatsen’. Ze zijn te vinden van het stroomgebied van de Linge in West-Betuwe tot het coulisselandschap van de Achterhoek.
Die rijkdom was jaren geleden reden voor Gelderland om de bosjes apart te beschermen. Maar onder leiding van de BoerBurgerBeweging (BBB) wil het provinciebestuur die beschermde status nu alweer opheffen. Tot groot ongenoegen van natuurbeschermers wil het provinciebestuur het mogelijk maken dat 1.700 hectare aan oude bosgroeiplaatsen buiten NNN en Natura 2000 van het label natuur kan worden ontdaan.
‘Het is balanceren als Gelders bestuurder’, reageert verantwoordelijk gedeputeerde Harold Zoet (BBB) aan de telefoon. ‘We hebben nu eenmaal meer uitdagingen dan natuur alleen. Er liggen in Gelderland ook grote maatschappelijke opgaven op het gebied van wonen, infrastructuur, defensie en het stroomnet.’
Zeer zorgwekkend, vindt Maarten Witberg van Natuur en Milieu Gelderland, die al lange tijd samen met andere natuurclubs ageert tegen de plannen van Zoet. Onbegrijpelijk, vinden zij, dat in tijden van biodiversiteitsverlies en stikstofproblematiek toch weer wordt geprobeerd wat van de schaarse natuur in Nederland af te schrapen.
‘Ik ben echt niet bang dat dit najaar onmiddellijk de zaag gaat in 1.700 hectare Gelderse oude bosgroeiplaatsen’, zegt Witberg. ‘Maar de deur wordt wel weer verder opengezet voor sluipende achteruitgang van de natuur. Ik vrees vooral dat deze kleine, maar zeer waardevolle, schatkistjes van biodiversiteit, zo langzaam verloren zullen gaan.’
Zogeheten oude bosgroeiplaatsen zijn stukjes bos die op de eerste kadastrale registratie uit 1811-1832 staan, en de afgelopen 200 jaar onafgebroken bebost zijn gebleven. Het betreft veelal percelen van een halve tot enkele hectare.
In algemene zin zit de waarde niet in de bomen die erop groeien, maar in de bodem eronder. De schimmels, zwammen en macrofauna (ongewervelde dieren die met het blote oog te zien zijn) in de bosbodems vormen samen een natuurhistorische schatkamer die van groot belang wordt geacht voor natuurherstel. En dan met name doordat het bodemleven en de vegetatie eeuwen de tijd hebben gehad om op elkaar afgestemd te raken. Wat de weerbaarheid van het bosecosysteem tegen plagen ten goede komt.
Andere bestemming
Gelderland bracht drie jaar geleden als enige provincie minutieus in kaart waar deze bosgroeiplaatsen nog liggen. Dit gebeurde nadat Staatsbosbeheer (en de provincie zelf) in 2019 250 natuurperceeltjes van de hand deed, waaronder ook oude bosgroeiplaatsen.
Uit de notariële akte, in handen van de Volkskrant, blijkt dat tot de negentig kopers van die natuurgronden zeker vijfendertig boeren of andere landbouwbedrijven behoren. Dat liep niet overal goed af voor de natuur in de gemeente West-Betuwe, ontdekte de Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap.
Van de 23 verkochte percelen in die gemeente heeft een flink aantal een andere bestemming gekregen, zo stelt de vereniging in een brief aan de gemeente. Hierin dringt ze aan op meer toezicht, handhaving en alertheid bij de vergunningverlening.
Het beheer van dit soort kleine gebiedjes is duur. De opbrengsten en besparingen voor Staatsbosbeheer, dat in het verleden veel van de restjes natuur in handen kreeg, waren bedoeld om grond te ruilen of terug te kopen op plekken waar het Gelders Natuurnetwerk, onderdeel van Natuurnetwerk Nederland, moet worden gerealiseerd. Het idee achter NNN uit 2013 is om tot 2028 de grote Nederlandse natuurgebieden met 80 duizend hectare nieuwe natuur beter te verbinden – een streven dat vrijwel zeker niet gehaald gaat worden.
Behalve NNN versterken stond in de notariële akte nog een doelstelling: ‘Daarnaast willen de provincie Gelderland en Staatsbosbeheer met dit ruilproces de betrokkenheid van particulieren bij natuur- en landschapsbeheer vergroten.’
Verkoop voor aankoop
In de wetenschap dat op meerdere oude bosgroeiplaatsen inmiddels wilgenproductie plaatsvindt en daartegen ook handhavingsverzoeken lopen, waarover later meer, is het de vraag of dat laatste niet wat naïef was.
In een reactie legt een woordvoerder uit dat Staatsbosbeheer bijna geen eigen middelen heeft om grond aan te kopen. ‘Het is dus heel normaal dat wij natuur verkopen als we ergens anders willen aankopen.’ Dat kan volgens haar ook prima aan boeren, die in het hele land natuur beheren. De terreinbeheerder betreurt wel dat bij de verkoop in 2019 geen duidelijkere kwaliteitsafspraken zijn gemaakt met de kopers.
‘Dat doen we tegenwoordig wel beter’, zegt de woordvoerder. ‘In een koopovereenkomst staat dan bijvoorbeeld dat heide ook heide moet blijven. Uiteindelijk is het aan gemeenten en provincies om daarop te handhaven.’
In antwoord op Kamervragen over de verkoop van natuur door Staatsbosbeheer in 2019, verklaarde toenmalig landbouwminister Carola Schouten (CU) dat de natuurbestemming gewaarborgd was en dat de provincie daarop zou toezien. ‘Maar’, zegt Van Loon van de Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap over de verkochte percelen in West-Betuwe, ‘toezicht en handhaving is juist het probleem gebleken.’
De eendenkooi bij Gellicum ging in 2019 naar het bedrijf Van Aalsburg BV, dat in dezelfde gemeente wilgentenen verwerkt tot producten. Voor de verkoop had Staatsbosbeheer het beheer als eendenkooi al opgegeven – het gebiedje was bos geworden. Hoewel formeel geen oude bosgroeiplaats, heeft het perceel nog altijd een natuurbestemming.
Vanwege de verdwenen eendenkooi deed Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap een handhavingsverzoek bij de gemeente West-Betuwe, omdat het vervangen van het bosje voor wilgenteelt in strijd zou zijn met het bestemmingsplan. Dat leidde tot een dwangbevel voor Van Aalsburg om de oude situatie te herstellen. Maar dat is tot op heden niet gebeurd.
‘Het wordt keer op keer uitgesteld’, zegt Van Loon namens de vereniging. ‘De advocaat van het bedrijf zoekt de mazen in de wet op om herstel te voorkomen. Voor alle duidelijkheid: wij hebben niks tegen moderne wilgen- of biezenteelt, maar dan wel op landbouwgrond.’
Sluipenderwijs
De verdwenen eendenkooi is een van de vele voorbeelden die de vereniging heeft verzameld in het westelijke deel van de gemeente West-Betuwe. Twintig hectare natuur verdween in een paar jaar tijd uit de gemeente, of werd ‘aangetast’, zo stelt de vereniging op basis van haar inventarisatie. Daarnaast zijn er nog 25 hectare aan natuurpercelen ‘met een onduidelijke situatie’. Ook dat zijn vooral gebiedjes die vanaf 2019 van de hand zijn gedaan door Staatsbosbeheer.
Het gaat om bosjes, houtwallen, kruidenrijke graslanden, plukjes struweel verspreid in het agrarische landschap. Van Loon: ‘Wij vrezen dat ook deze natuur sluipenderwijs wordt omgezet naar landbouw. Zo verdwijnen de laatst overgebleven leefgebiedjes voor heel veel dieren in dit toch al agrarische gebied.’
Even verderop, bij Hellouw, bij de weg de Zeek, is de verandering bijkans nog ingrijpender geweest. Meerdere percelen langs de Zeek bevatten oude bosgroeiplaatsen en zijn onderdeel van een inundatieveld van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, Unesco Werelderfgoed.
‘Wij hebben niks tegen moderne wilgen- of biezenteelt, maar dan wel op landbouwgrond.’
Een flinke strook bos stond op de 5 hectare van het perceel. Tot 2022. Toen werd de bosvegetatie tot en met de wortels verwijderd, de oorspronkelijke, drassige bosgrond een meter opgehoogd en nu heeft ook hier de firma Van Aalsburg een maaigriend gecreëerd; zo’n dichtbegroeide akker met wilgenboompjes.
Ook vanwege de Zeek kwam de Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap in het geweer. De gemeente West-Betuwe verleende in 2022 een vergunning voor een plan dat de biodiversiteit in het gebied moest versterken. ‘Het tegendeel is gebeurd’, zegt Van Loon: ‘De natuur, het erfgoedlandschap en een oude bosgroeiplaats zijn gewoon verdwenen.’
Volgens de vereniging wijst alles er ook nog eens op dat de opgebrachte grond vervuild is. Na een handhavingsverzoek verplichtte de gemeente het bedrijf tot een onderzoek naar de vervuilde bodem. Er is inmiddels op meerdere plekken verontreiniging aangetroffen. Een volledig bodemonderzoek laat nog op zich wachten.
‘Maar aan de kern van de zaak, de aantasting van natuur, landschap en erfgoed, deed de gemeente niets’, zegt Van Loon. De vereniging liet het er niet bij zitten. De zaak ligt nu bij de rechter.
Aangeschoten wild
‘Poeh’, reageert directeur Dick van Aalsburg aan de telefoon als hem wordt gevraagd naar alle commotie rond zijn percelen en bedrijf. ‘We lijken wel aangeschoten wild, een heksenjacht. Je wilt niet weten hoe vaak ik de laatste tijd de Omgevingsdienst over de vloer heb voor controles. Laatst wilden ze ineens weer mijn bouwvergunning zien.’
Hij noemt het ‘tegenstrijdig’ dat de provincie nu ineens oude bosgroeiplaatsen wil vrijspelen voor andere doeleinden dan natuur, en ondertussen hij ‘achter de vodden wordt gezeten’. Terwijl hij in zijn ogen niets doet wat niet zou mogen op die gronden.
‘Tegenstanders trekken in twijfel of een wilg wel natuur is’, zegt hij. ‘Volgens mij is er niets Hollandser dan een een wilg, toch? Bovendien heb ik er voor de Zeek een vergunning voor.’
Op de vraag of de gemeente West-Betuwe de wilgenteelt op natuurgrond überhaupt mogelijk had moeten maken, laat ze in een schriftelijke reactie weten ‘hierover geen uitspraken’ te doen zolang er ‘juridische procedures lopen’.
In een brief van juni, in reactie op speurwerk van de Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap, is de gemeente openhartiger. Ze erkent dat op sommige van de verkochte percelen ‘sprake is van situaties die nadere aandacht vragen’ en meerdere ‘handhavingstrajecten zijn gestart’. Maar doordat de ‘rijksbijdrage steeds lager wordt’, zijn er ‘geen budget en geen capaciteit’ beschikbaar voor ‘structureel vrij toezicht’.
Van Aalsburg begrijpt alle commotie niet. Hij wijst erop dat zijn vader sommige aangekochte gronden al handmatig beheerde en er toen al wilgen op stonden. ‘Wij hebben het nu zo neergezet dat we er ook machinaal kunnen oogsten. Dat stuit mensen kennelijk tegen de borst.’
Monocultuur
Dat is niet het enige. Op veel percelen staat maar één soort wilg, monocultuur dus. Met de argumentatie van Van Aalsburg zouden dan ook appel- en perentelers op natuurgrond aan de slag mogen. Want ook de grienden worden geoogst, en soms bespoten met bestrijdingsmiddelen tegen onkruid, al doet Van Aalsburg dat naar eigen zeggen niet op natuurgrond.
Van Aalsburg verwijst naar een onderzoek dat hij liet doen door een ecologisch bureau om te onderbouwen dat zijn werk juist bijdraagt aan biodiversiteit. Uit het onderzoek blijkt dat de soortenrijkdom in een maaigriend van het bedrijf even hoog is als in een historische griend die ook door het bedrijf wordt beheerd.
Maar dat ligt op termijn anders, verzekert griendenkenner Berco Hoegen desgevraagd. Hij was veertig jaar ecologisch adviseur bij Staatsbosbeheer en werkt aan een proefschrift over grienden. In een omgeving van weilanden en akkers lijkt het nog heel wat, maar over de jaren heen is de natuurwaarde van zo’n maaigriend laag, zo stelt hij, zeker als je die vergelijkt met een intacte oude bosgroeiplaats.
‘Er schuilen wat vogels en insecten in, en wat kleine zoogdieren, maar dan houdt het wel op’, zegt hij over maaigrienden. Terwijl bij historische grienden op de natte komgronden veel ruimte is tussen de bomen en er greppels tussen de rijen liggen.
‘In zo’n traditionele griend is de natuurwaarde ook niet enorm hoog, maar die gaat 25 jaar mee, voordat de bomen opnieuw moeten worden ingeplant’, vervolgt Hoegen. ‘Die wilgen in een maaigriend worden om de twee jaar gemaaid, zijn na tien of twaalf jaar op en worden dan alweer vervangen. Ook de bodem heeft eronder te lijden.’
Geelgors
Wat er op het spel staat als nog meer oude bosgroeiplaatsen verdwijnen, laat ecoloog Jan Stronks zien op een zonnige ochtend nabij zijn huis in Ratum, bij Winterswijk. Hij is specialist in natuur- en landschapsbeheer.
Al lopend en met de kaart met oude bosgroeiplaatsen die hij eerder liet zien in het hoofd, wijst hij af en toe naar links of rechts: deze oude bosgroeiplaats behoort tot het natuurnetwerk, en die dan weer niet. ‘Waarom dat in het verleden zo is besloten, is niet altijd even begrijpelijk.’
‘Als je de plekken buiten het natuurnetwerk vernielt, dan haal je onherroepelijk het landschap onderuit.’
Even halt houden om een middelste bonte specht te noteren, of te luisteren naar een geelgors, daarna wijst Stronks weer op wilde bomen die bijna alleen nog in deze regio groeien. Zoals de fladderiep, de wilde peer, de wilde appel, de winterlinde en de grootvruchtige meidoorn.
Op sommige van de oude bosgroeiplaatsen staat het oorspronkelijke bos niet meer, maar de bodem is wel eeuwenoud. Die is nu op veel plaatsen nog intact, ook buiten het aangewezen Gelders Natuurnetwerk.
Verzet binnen ambtenarenapparaat
Stronks: ‘Als je die plekken buiten het natuurnetwerk vernielt, dan haal je onherroepelijk het landschap onderuit. Je houdt dan een paar bloempotten over, maar ook voor de natuur zijn die bosjes, singels, hoekjes met struweel op die oude bosbodem van groot belang.’
Dat moge zo zijn, maar BBB-gedeputeerde Harold Zoet zet door. Ondanks ook verzet binnen zijn ambtenarenapparaat, waarover De Gelderlander eerder schreef. Ernaar gevraagd, wil hij benadrukken dat het niet om grote aantallen gaat.
‘Ruim 20 duizend hectare van deze oude bosgroeiplaatsen ligt in Gelderland optimaal beschermd binnen NNN of Natura 2000. 2.300 hectare ligt er volgens Zoet buiten, waarvan naar schatting 1.700 hectare ‘een lagere natuurwaarde zou kunnen hebben’ en pas, als dat inderdaad zo blijkt te zijn, ‘in aanmerking komt voor een andere bestemming’.
In tijden van biodiversiteitsverlies noemt hij het een onzinnige suggestie om die 1.700 hectare toe te voegen aan beschermde gebieden. ‘Gelderland loopt voorop met natuurherstel en het aanleggen van nieuwe natuur’, zegt hij. ‘Nog 250 hectare erbij en wij hebben onze GNN-doelstelling voor eind 2027 van 8.400 hectare gehaald.’
‘Gelderland loopt voorop met natuurherstel en het aanleggen van nieuwe natuur.’
Zoet zegt verder dat voor de nieuwe bestemmingen van de bosgronden ‘strenge eisen’ gaan gelden. ‘Zo is herplant op een andere plek verplicht en blijven bosgroeiplaatsen groter dan 1 hectare beschermd’, zegt hij. ‘Net als percelen met inheemse boomsoorten die er langer dan vijftig jaar staan.’ Met het eisenpakket gaat Zoet volgens zijn critici voorbij aan het feit dat de natuurwaarde in de bodem zit, niet in de bossen zelf.
Hoe dan ook, de gronden die aan de eisen voldoen, zegt Zoet, krijgen alleen een andere bestemming als dat ‘maatschappelijke waarde’ toevoegt. ‘Dus natuur die overgaat naar boeren voor agrarisch gebruik – want ik proef een beetje die suggestie in jullie vraagstelling – is uitgesloten.’
Dit najaar volgt de besluitvorming en wordt naar verwachting de bescherming voor een deel van de oude bosgroeiplaatsen eraf gehaald. Concreet kunnen Gelderse gemeenten dan, als ze aan de criteria van de provincie voldoen, deze percelen een nieuwe bestemming geven. Wat financieel aantrekkelijk voor gemeenten is, omdat de hectareprijs voor natuurgrond aanzienlijk lager ligt dan die voor landbouwgrond.
Maatschappelijk belang
Witberg van de Natuur en Milieufederatie Gelderland maakt zich vooral zorgen over de ‘vaagheid’ van het begrip ‘maatschappelijk belang’, waar gemeenten zich straks op kunnen beroepen. Want, zegt hij: ‘Dat kan alles zijn.’
Hij blijft de plannen ook tegenstrijdig vinden, want in het hele land worden landschapselementen, zoals boomwallen en bosschages, juist teruggebracht. ‘Daar is gewoon landelijk beleid voor – de zogenoemde ‘groenblauwe dooradering’ van Nederland – en dan ga je dit in Gelderland ondergraven door oude bosgroeiplaatsen weg te halen’, zegt hij. ‘Je zou juist die oude structuren moeten versterken en aan beschermde natuurgebieden moeten toevoegen.’
Stronks heeft dezelfde bezwaren. ‘Straks zijn we dus afhankelijk van de grillen van gemeenten’, zegt hij. ‘Als die een bestemmingsplan aanpast, of een vergunning geeft om zo’n bomensingel, houtwal, heg of struweel op te ruimen, of als de gemeente niet goed handhaaft, dan kunnen dit soort oude bosgroeiplaatsen ook hier in de Achterhoek beetje bij beetje verdwijnen.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie