Wat uiteindelijk hielp, was een zin op de muur van een wc
Daar zit ik weer, bij de apotheek. Ik kom er zo vaak dat de vaste handelingen (deur openen, scherm aantikken, nummertje pakken) in mijn spiergeheugen zitten. Veertig jaar oud en nu al moet ik met zeven soorten pillen aan de gang gehouden worden, als een plant die zonder stokken in elkaar zakt. Waarom schieten ze me niet gewoon dood, denk ik. Maar dan bedenk ik dat ik relatief veel inkomstenbelasting betaal en de samenleving dus per saldo meer oplever dan kost. Misschien. Zou ik het kunnen berekenen?
Stemmetje in mijn hoofd: Is dit een helpende gedachte?
Het stemmetje vraagt het voor de grap, want ik heb een hekel aan die vraag, die vanuit de cognitieve gedragstherapie de maatschappij is ingeslopen. Het idee erachter is dat je je emoties kunt sturen door negatieve of ‘niet-helpende’ gedachten actief te vervangen door gedachten waaraan je wél iets hebt.
Ik schat dat 95 procent van mijn gedachten niet-helpend is. Vele zijn nutteloos en sommige ronduit gestoord. ‘Wat als ik op de kop van die slapende hond ga staan’, of: ‘Als ik nu een ruk aan het stuur geef vliegen we de vangrails in en zijn we allemaal dood’. Ook tijdens het kankerjaar heb ik veel niet-helpende gedachten. Een van de eerste na de diagnose: ‘Wat zonde dat ik net een nieuwe vaatwasser heb gekocht.’ In de maanden erna, bij mensen die me irriteren: ‘Waarom heb ik kanker en jij niet?’
Hoewel ze strikt genomen niet ‘helpen’ bij het bestrijden van angst en gepieker, vind ik de gedachten wel vermakelijk of interessant. Dat is wat me tegenstaat aan de ‘helpende gedachten’-doctrine: de instrumentele benadering van het denken. Niet alleen het lichaam moet geoptimaliseerd worden, maar ook de geest: een Keuringsdienst van Gedachten die meet of het resultaat wel positief is.
Ik probeer veel ‘helpende gedachten’ uit, als kledingstukken in een winkel
Dit wilde ik schrijven, en ik meen het ook. Tegelijk is het maar het halve verhaal. Want ik moet toegeven dat ik zelf al jarenlang baat heb bij helpende gedachten. Sinds ik tegen mezelf zeg: ‘Kom op schatje, we gaan lekker wat doen vandaag’ in plaats van ‘Als je nu wéér niks doet verdien je het niet om te leven’, lukt het me beter om aan het werk te gaan.
Nu meer dan ooit heb ik zulke trucjes nodig. In de chaos, angst en onzekerheid die kanker aanricht, moeten er naast alle nutteloze en gestoorde gedachten toch een páár zijn waaraan ik me kan optrekken.
Het lastige is dat mijn vaste helpende gedachte in dit geval niet werkt. „This too shall pass”, sms’te een vriendin me lang geleden bij liefdesverdriet. Sindsdien is die zin mijn mantra, omdat hij klopt. Bijna alle ellende gaat weer voorbij.
Dat geldt alleen niet per se voor kanker. Kanker kan blijven, en in dat geval is het niet de pech die voorbijgaat, maar het leven zelf. Dat maakt dit, onder de tegenslagen die ik heb meegemaakt, een unieke situatie. Ik moet op zoek naar andere helpende gedachten.
Ik probeer er veel uit, als kledingstukken in een winkel. ‘Er zijn al zo veel potentiële levens die ik niet leid. Ik zal nooit weten hoe het is om een kind te baren, zangeres te zijn, een echt hoge berg te beklimmen. Als ik doodga, is dat alleen maar één extra leven dat niet geleefd wordt.’ Deze past niet. Te rationeel gedacht. Ja, het leven dat ik leid is maar een fractie van de mogelijkheden, maar het is tegelijkertijd heel veel en vol en het is alles wat ik heb.
Nog een gedachte: ‘De tweede helft van je leven is waarschijnlijk tóch in een oogwenk voorbij, net als de tweede helft van een vakantie. Ik hebt de eerste helft gehad, en die is, net als bij vakanties, altijd het leukst.’ Deze past ook niet, want hij klopt niet. In een leven zit ontwikkeling, in een vakantie meestal niet. Bovendien zijn er na een vakantie weer andere dingen, na een leven is er niets (althans in mijn overtuiging). Waardeloze gedachte dus, niet-kloppend, niet-helpend. Weg ermee.
Poging drie: ‘Als ik doodga blijven alle dingen en mensen waarvan ik houd bestaan. De zin van het leven verdwijnt niet, alleen ik ben er niet meer om hem te ervaren.‘ Deze werkt iets beter, maar hij is alsnog te cerebraal. Ik wil gewoon niet dood, daar komt het op neer.
Uiteindelijk helpt een zin op de muur van een wc. Ik ben in een grappig cafeetje, en op de witte tegels, die neonblauw oplichten door blacklight, heeft iemand met stift geschreven: „HET LEVEN IS NU.”
De dagen erna denk ik vaak aan dit beeld. Als het piekeren begint, stel ik me voor dat ik die gedachten opzijschuif terwijl ik zeg: ‘Het leven is nu.’ En dan richt ik me op wat nu aan de hand is: ik eet iets lekkers, of bestudeer mijn lichaam, dat gewoon aan het leven is, zich schijnbaar niet bewust van toekomstige dreigingen.
Een beetje teleurstellend is het wel: ik heb allemaal interessante gedachten uitgeprobeerd, en kom toch uit bij een cliché. Misschien is de les dat je daar niet aan ontkomt.
Wat uiteindelijk hielp, was een zin op de muur van een wc
Lees meer
Ik ben de Einstein onder de kankerpatiënten, denk ik. Ik doe het zó goed
Lees meer
‘Kanker loert in de verte, en dichterbij, minder dodelijk maar veel acuter, zijn irritante weggebruikers’
Lees meer
Het is een misverstand dat ‘in je lichaam’ gelijkstaat aan ‘uit je hoofd’
Lees meer
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.