Home   2026-08-03 17:31:33

Het woord ‘vakantie’ klinkt slecht. Va-kan-tie. Als men klaar is met de schaamlip, dan wil ik dat het op de schop gaat

Original article

Somber zomertje. De sfeer is apocalyptisch. In de krant staat dat je praatjes moet maken op straat, een medicijn tegen de neerslachtigheid. (Neerslachtigheid... is dat niet een ander woord voor regen? Godsamme, ja. Heb ik weer. Het continent snakt naar neerslachtigheid. Wel een aardige bijdrage, al zeg ik het zelf, aan het cryptogram-gebeuren, sombere regen, zestien letters.)

Waar is de riem? Dan laat ik mezelf even uit. ‘Ik ben zo terug.’ (Wordt altijd raar van opgekeken, als ik ‘zomaar’ ommetjes maak. Of hij gaat een trouwring kopen, of een pakje sigaretten. Nee, fout geraden – hij gaat een praatje aanknopen.)

Op straat komt me een man tegemoet die ik vaak zie lopen en altijd groet. Soms, bij volle maan, steken we zelfs onze wijsvingers op. Maar daarbij laten we het zedig. Vermoedelijk kent iedereen zulke types. (Deze man in ieder geval wel – namelijk mij.) (Zou wel interessant zijn, dat ze een feest voor je organiseren waarop al deze figuren uit je leven langskomen. Ik zie een lege dansvloer voor me. Veel gasten smeren hem zonder afscheid te nemen. Toch niet interessant, misschien.)

Afijn, misantropie aan de kant, tijd voor een grensoverschrijding. Eerst zeg ik vriendelijk gedag, maar dan, laag vanuit de heup: ‘Zo... nou, dit jaar maar eens vakantie in eigen straat?’ Luchtig beginnen lijkt me goed, samen doemscenario’s doornemen komt nog wel.

De man blijft stilstaan, duidelijk verrast. Misschien aangenaam, misschien ook niet. Hij doet het er maar mee. ‘Nee’, zegt hij, ‘ik ben nog wel even aan het werk. En jij, ga jij nog weg?’

‘Nee.’

‘Nee?’

‘Nee.’

Nu doorpakken en zeggen dat ik vakantie verfoei, en vooral vakantiegangers. En zeker bezorgde vakantiegangers. Bezorgde lui op teenslippers in vertrekhallen en op campings. Ook bezorgde campings verdraag ik niet meer. Het woord zelf, vakantie, klinkt slecht. Va-kan-tie. Als men klaar is met de schaamlip, dan wil ik dat het op de schop gaat. Va-kan-tie. Iets deugt er helemaal niet aan.

‘Nee’, zeg ik, en ik maak met mijn hand fronsend de schrijfbeweging.

‘Wij gaan pas in september, Portugal. We dachten: laat het daar eerst maar even uitfikken.’

Adremheid kent grenzen, toch overwoog ik een kani-basami. Daar waren mijn broer Menno en ik als jeugdige judoka’s door gefascineerd, een streng verboden techniek, ook wel de ‘vliegende schaar’ genoemd. Oefenden we op zondagochtend in de woonkamer. Je plaatst een hand op de schouder van je nieuwe kennis en vliegt hem van de zijkant met twee benen tegelijk aan, het ene zwiep je in zijn knieholten, het andere duw je dwars tegen de voorkant van zijn bovenbenen, en wringt hem met een vloeiende, snelle schaarbeweging tegen de stoeptegels.

‘Sja’, hoorde ik mezelf zeggen, ‘tis wat. Werk ze nog dan!’

Lekker bijgetankt sloeg ik de hoek om. Helaas liep ik geen kennis tegen het lijf. Pas twee straten verder stapte er een vrouw uit de boekhandel die mij nog van vroeger kent. Ik haar niet. Heeft ze niks van gemerkt, gelukkig. Na de eerste keer dat ze me aansprak zijn we elkaar enthousiast blijven groeten, altijd gezichten trekkend waarop te lezen stond dat we op plezierige wijze terugdachten aan de goede oude tijd. Maar nu pakte ik mijn praatjeslasso.

‘Heee’, zei ik amicaal, zo praat je alleen tegen heel oude kennissen, ‘een boek, interessant, mag ik vragen welk boek?’

‘Heee’, antwoordde ze alsof we gewoon weer over de Limburgse pampa’s galoppeerden. ‘Een boek over AI. We gaan morgen weg, en ik wil weten wat ons te wachten staat.’

Ik knikte somber. ‘Het is zorgelijk, zeer zorgelijk.’

‘Zéér zorgelijk’, zei ze. ‘Met name China. We moeten echt gas gaan geven. Europa, hè. Maar zelfs de Amerikanen gaan te langzaam.’