Jaren procederen over 25 euro voor de verwijdering van een ‘weesfiets’
De zaak
Op 19 juli 2022 ziet een toezichthouder van de gemeente Breda een fiets tegen de buitenmuur van een appartementencomplex in het centrumgebied staan en labelt die met een bandje. De fiets is van een bewoner.
Ruim een maand later staat de fiets er nog steeds, met bandje. Die valt daarmee in de categorie ‘weesfiets’ en krijgt een label met de mededeling dat de fiets langer dan 28 dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking geparkeerd staat, terwijl dat op die plek niet is toegestaan. Ook wordt gewaarschuwd dat de fiets na een dag verwijderd zal worden. Drie dagen later belandt het rijwiel in een depot van de gemeente.
Kort daarna haalt de eigenaar de fiets op en rekent daarvoor 25 euro af. Hij gaat in bezwaar bij het college van burgemeester en wethouders, stapt vervolgens naar de rechtbank en komt dan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit.
Uitspraak: de fiets had niet verwijderd mogen worden
De fietseigenaar vindt dat de gemeente zijn fiets niet had mogen verwijderen, want er stond een verkeersbord aan het begin van de straat, met de aanduiding van een verbod op het parkeren van een fiets of bromfiets met diagonale strepen erdoor en de tekst ‘APV art. 5:11’. Dat duidt op het einde van een zone waar een parkeerverbod geldt, in dit geval het verbod uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), artikel 5:11.
Volgens de hoogste bestuursrechter was er in principe een aanleiding voor handhaving. Uit een lokaal besluit bleek dat de gehele straat onder het verbod viel. Toch had het college in dit geval niet mogen handhaven, omdat de fietseigenaar mocht uitgaan van de juistheid van het verkeersbord en de gemeente niet van hem mocht verwachten dat hij de lokale regelgeving zou raadplegen.
Het college moet het bedrag van 25 euro terugbetalen plus een schadevergoeding van 30 euro voor het doorgeknipte fietsslot. Ook draait de gemeente op voor de kosten die de fietseigenaar heeft gemaakt voor de procedures, samen ruim 600 euro. Bij de zitting was geen vertegenwoordiger van het college.
Commentaar
„Waar gáát dit over?”, was de eerste indruk van Marc Wever, universitair docent bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, bij het lezen van de uitspraak. Wever: „Het draait om een bedrag van slechts 25 euro, dat tot procedures in bezwaar, beroep en hoger beroep leidt, met nota bene de uitkomst dat het college niet had mogen handhaven.”
Nog daargelaten dat het verkeersbord op de verkeerde locatie stond, bleek er ook niet direct uit dat langdurig parkeren van (brom)fietsen is verboden, zoals de APV bepaalt. Wever: „De vraag is wat voor nut het heeft om ‘APV art. 5:11’ op een verkeersbord te zetten, want lang niet iedereen kent de betekenis en de meesten zullen het ook niet opzoeken. In allerlei opzichten onhandig gedaan van de gemeente.”
Wever, die onderzoek doet naar conflicten tussen de overheid en burger, heeft begrip voor de fietseigenaar die zijn gelijk wil halen. De docent vraagt zich alleen in algemene zin af of de vele procedures hiervoor opwegen tegen de bedragen die ermee gemoeid zijn. Hij wijst op de miljoenen parkeerboetes die gemeenten jaarlijks opleggen aan automobilisten. De Autoriteit Persoonsgegevens berekende recentelijk dat meer dan 10 procent onterecht is. Volgens Wever komt een significant deel bij de rechter, het gerechtshof en soms de Hoge Raad uit.
Wat vooral nodig is, vindt Wever, is dat overheden zich minder zwart-wit opstellen bij besluiten over handhaving en de bezwaarprocedures daarover. Er ligt een voorstel voor een Wet versterking waarborgfunctie Algemene wet bestuursrecht, bedoeld om de rechtspositie van burgers in het contact met de overheid te verbeteren. Onder andere door besluiten begrijpelijker te maken, zich bij uitvoering van taken meer te verplaatsen in degene die het aangaat en zich minder formeel op te stellen.
Het wetsvoorstel, nog niet bij de Tweede Kamer ingediend, sluit aan op ontwikkelingen in de rechtspraak. De rechter toetst overheidsbesluiten de afgelopen jaren soms indringender, onder andere om te beoordelen of de nadelige gevolgen voor de burger opwegen tegen het doel van zo’n besluit.
Het succes van de eventuele nieuwe wet zal volgens Wever vooral afhangen van de uitvoering. Wever: „Toezicht en handhaving bij gemeenten ligt nu vaak voor een belangrijk deel bij mensen die geen jurist zijn en volgens vaste instructies werken, terwijl bijzondere gevallen maatwerk vereisen.” Volgens hem is er behoefte aan ambtenaren die per geval beoordelen wat nodig is. Wever: „Dat vraagt om andere vaardigheden, maar zou wel het aantal gerechtelijke procedures omlaag kunnen brengen.”
Uitspraak: Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3474
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.